Mattoshō (20)

Lamp Voor Latere Tijden

Brieven van Shinran

Dit is wederom een terechtwijzing tegen het toegeeflijk staan t.o.v. eigen blinde impulsen, het veronachtzamen van Amida’s Mededogen, en het verdraaien van de Leer. Shinran zou zeggen: “Men neemt toch geen vergif in juist omdat er een tegengif bestaat.”

Ik heb alle gaven van de verschillende mensen ontvangen [zoals die op de lijst voorkomen], en Myōkyō-bō’s bezoek aan Kyoto is waarlijk welkom. Woorden kunnen mijn waardering niet uitdrukken.

Alhoewel het niet echt onverwacht kwam, maakt Myōhō-bō’s verwezenlijking van de Geboorte mij nog steeds diep gelukkig. Dit wordt zeker en vast gevierd door alle mensen in Kashima, Namekata en de afgelegen districten, die verlangen geboren te worden in het Boeddhaland. Ook is het mij ter ore gekomen dat Hiratsuka Nyūdō de Geboorte verwezenlijkte, dit maakt dat ik iets voel dat alle woorden overstijgt. Ik kan niet uitdrukken hoe schitterend dit is. Elk van jullie zou zich dienen te realiseren dat ook jullie verwezenlijking van de Geboorte in het Boeddhaland zeker is.

In het verleden echter waren er onder degenen die verlangden naar Geboorte sommigen die niet in staat waren bepaalde dingen te begrijpen. Het schijnt dat dit nog steeds het geval is.

Zelfs in Kyoto zijn er mensen die (bepaalde dingen) niet begrijpen en die in verwarring afdwalen, en ik hoor over vele van dergelijke mensen in de verschillende provincies. Zelfs onder Hōnens discipelen maken diegenen die zichzelf beschouwen als opmerkelijke geleerden variërende wijzigingen in het verwoorden van de leer, daarbij zowel anderen als zichzelf in verwarring brengend, zodat allen gezamenlijk lijden.

Het is niet ongewoon voor mensen als uzelf, die noch de schrifturen lezen noch ze kennen, de leer te verdraaien nadat men heeft horen zeggen dat geen enkel kwaad de verwezenlijking van de Geboorte kan belemmeren. Het schijnt dat dit nog steeds het geval is. Te horen dat jullie allen dieper en dieper in dwalingen vervallen door de woorden van Shinken-bō en anderen te volgen die niets van de Reine-Landlering afweten, is waarlijk betreurenswaardig.

Er was voor elk van jullie een tijd dat jullie niets afwisten omtrent Amida’s Gelofte, dat jullie de Naam van Amida Buddha niet uitspraken. Nu echter, geleid door Sakyamuni’s en Amida’s Meedogende Middelen [Upaya Kausalya], zijn jullie ertoe gekomen de Gelofte te horen. Voorheen waren jullie dronken van de wijn der onwetendheid en hadden jullie enkel smaak naar de drie vergiften van begeerte, haat en verdwazing. Vanaf het moment echter dat jullie ertoe kwamen Boeddha’s Gelofte te horen, zijn jullie geleidelijk ontwaakt uit de dronkenschap der onwetendheid, hebben jullie geleidelijk de drie vergiften verworpen en zijn jullie ertoe gekomen te allen tijde het Medicijn van Amida Buddha te verkiezen.

Hiertegenover staat het betreurenswaardige feit dat mensen die nog niet ten volle ontwaakt zijn uit dronkenschap tot alsmaar grotere dronkenschap worden aangespoord en dat zij die nog steeds onder de invloed van vergif staan worden aangemoedigd tot het verder innemen van vergif.

Het is inderdaad bedroevend toe te geven aan impulsen met het excuus dat men van nature uit door blinde passies bezeten is, - zodoende handelingen, woorden en gedachten rechtvaardigend die niet begaan, gezegd of gekoesterd zouden mogen worden -, en te zeggen dat men om op het even welke manier de eigen begeerten mag volgen. Het is net alsof men meer wijn zou schenken aan iemand die nog niet nuchter geworden is, of iemand zou aansporen meer vergif tot zich te nemen, nog vóór het [vorige] vergif is uitgewerkt. “Hier is wat medicijn, drink maar al het vergif dat je wil”: woorden zoals deze zouden nooit gezegd mogen worden.

In mensen die reeds lange tijd Boeddha’s Naam hebben gehoord en de Nembutsu hebben gezegd, zijn er voorzeker tekenen die wijzen op het verwerpen van het kwade in deze wereld en tekenen die duiden op hun verlangen het kwade in zichzelf af te werpen. Wanneer mensen ertoe komen Boeddha’s Gelofte te horen, vragen zij zich af, nadat zij zich ten volle bewust zijn geworden van het karmische kwaad in hun gemoed, hoe zij ooit de Geboorte zullen verwezenlijken “zoals zij zijn”. Aan dergelijke mensen leren we dat aangezien [net omdat!] we bezeten zijn van blinde passies, de Boeddha ons ontvangt zonder te oordelen of ons gemoed nu goed of kwaad is.

Wanneer, na dit gehoord te hebben, iemands vertrouwen in de Boeddha diep doorgedrongen is, komt die persoon ertoe [het geloof in] een dergelijk zelf te verafschuwen en dit voortgezette bestaan in geboorte-en-dood te beklagen; daarop zegt hij in vreugde de Naam van Amida Buddha, zichzelf volledig toevertrouwend aan de Gelofte.

Dat hij tracht op te houden met de kwaaddoenerij waartoe zijn gemoed hem beweegt - alhoewel hij voorheen aandacht schonk aan dergelijke dingen en gewoon deed zoals zijn gemoed hem dicteerde - is voorzeker een teken dat hij deze wereld verworpen heeft.

Meer nog: aangezien shinjin, hetwelk naar verwezenlijking van Geboorte verlangt, [in ons] oprijst door de aanmoedigingen van Shakyamuni en Amida, hoe kunnen we, eenmaal het ware en werkelijke gemoed in ons tot ontstaan is gebracht, nog blijven zoals we voorheen waren, bezeten van blinde passies?

Er zijn berichten van enigerlei kwaaddoenerij, zelfs onder jullie. Ik heb gehoord van hun belasteren van Meester [Hōnen], hun minachting voor hun ware leraars en het kleineren van hun mede-beoefenaars. Dit alles is diep bedroevend. Zij zijn reeds schuldig aan het belasteren van de Dharma en het begaan van de vijf zware vergrijpen. Laat u niet met hen in.

De Verhandeling over het Boeddhaland legt uit dat zulke gedachten [in hen] oprijzen doordat ze er niet in slagen zichzelf toe te vertrouwen aan de Boeddha-dharma. Voorts, wanneer [de Verhandeling] het oprechte gemoed verklaart, wordt ons geleerd dat men een respectabele afstand dient te houden en dat men niet te familiair mag worden met diegenen die zich aan zulke kwaaddoenerij overgeven. [De Verhandeling] leert ons eerder toenadering te zoeken en bevriend te worden met onze leraars en mede-beoefenaars. Wat betreft het vrienden worden met diegenen die overgeleverd zijn aan kwaaddoenerij, het is enkel nadat we naar het Boeddhaland gegaan zijn en terugkeren ten gunste van de levende wezens, dat we toenadering tot ze kunnen zoeken en in vriendschappelijkheid met ze kunnen leven. Dat is echter niet onze eigen berekening; enkel nadat we gered zijn geworden door Amida’s Gelofte kunnen we handelen zoals we dat wensen. Maar nu, op dit moment, zoals we zijn, wat kunnen we werkelijk doen? Overweeg dit a.u.b. zeer zorgvuldig. Aangezien het diamantharde gemoed dat naar Geboorte verlangt in ons is ontwaakt door toedoen van Boeddha’s werkzaamheid, zal het zeker en vast niet zó zijn dat de persoon die het diamantharde gemoed realiseert, zijn meester belastert of minachtend staat ten overstaan van zijn ware leraars.

Lees deze brief a.u.b. voor aan allen die ons streven delen in Kashima, Namekata, Minami-no-shō en omstreken.

In eerbied.

Kenchō 4 (1252)

8ste maand, 19de dag

[Shinran]

(vertaald door Yuho B. Van Parijs, naar de Engelse uitgave “Letters of Shinran”, Shin Buddhist Translation Series I, Kyoto 1978.)

Ekō 63
Mattoshō

jikōji - 慈光寺

© 2007

info-at-jikoji.com
          home