Tokudo Ervaringen

Yuho Bruno Van Parijs

De weg die naar het Reine Land voert is de weg die terugkeert naar de onwetendheid.

Deze woorden zouden een metafoor kunnen zijn voor heel wat ervaringen en situaties die mij deze laatste oktobermaand zijn te beurt gevallen, ware het niet dat ze de essentie vormen - misschien een wat te voorbarige conclusie gezien de afstand - van wat tokudo voor mij is komen te betekenen.

Eventjes vlug omschrijven wat het betekent tokudo te ontvangen is een onmogelijke taak, niet omdat geheel het rond-om-rond gebeuren zo ingewikkeld is, ofwel zoveel omhelst, neen, de onmogelijkheid ligt in het verwoorden van wat tokudo innerlijk voor me heeft betekend.

Toch zijn er reeds een paar anekdoten die ik u niet wil onthouden. Een eerste heeft plaats de morgen na mijn aankomst in Japan, een paar dagen vóór de eigenlijke trainingperiode.

Geheel de vlucht - en reeds daarvóór - had ik vast besloten dat de eerste morgen dat ik in Kyoto zou verblijven, ik de ochtenddienst in de Nishi-Hongwanji zou bijwonen. Alhoewel het de vorige avond (nacht) zeer laat was geworden, bleef ik bij mijn besluit. De weg was verkend, de alarmklok stond op scherp en mijn verwachtingen nog scherper. Toen ik de ochtend daarop wakker werd, het was stralend weer, voelde ik me buitengewoon fit, tot ik op de alarmklok keek - de ochtenddienst was juist afgelopen, ik had me overslapen. Ik wil u de eerste woorden die die ochtend uit mijn mond ontglipten niet herhalen. Laat het volstaan te zeggen dat ze niet klonken als Namu Amida Butsu.

Daar gingen mijn grootse plannen en verwachtingen samen met de illusie “zie eens wat een goed boeddhist ik ben’. Niets is echter om niets. Toen ik wat later op de morgen dan toch in de Nishi geraakte, was deze compleet leeg. De ruimte in de Goei-do was overweldigend, de atmosfeer rustgevend. Ik plaatste me vóór het altaar van Shinran en zat daar een poosje in stilte, toen er een oud vrouwtje naast me kwam zitten. Nu weet ik uit ervaring dat wanneer in het westen twee mensen in een lege kerk komen, de ene zich aan het ene uiterste van de kerk neerzet en de andere zich aan de andere uiterste neerploft - kwestie van elkaar beter te kunnen bekijken. Niet zo in de Nishi: het vrouwtje zette zich benen languit vóór zich uitgestrekt op nog geen meter van me af. Haar handen in gassho begon ze stilletjes de nembutsu te zeggen, en tussen elke paar namandabu’s fluisterde ze “arigato, arigato”, “Dank U, Dank U”. Officieel zou mijn ‘training’ pas een paar dagen later aanvangen, in werkelijkheid echter vond ze “hier en nu” plaats. Ik had zojuist de meest belangrijke les gekregen die de Leer ons biedt, de essentie van Jodo-Shinshu: Dankbaarheid!

Een andere gebeurtenis die in mijn geheugen is gegrift vond een paar dagen later plaats tijdens een ochtenddienst in Amida-do, de Amida hal. Dit keer was het geen lege maar een nokvolle hal, gevuld met mensen van allerlei slag: mannen, vrouwen, kinderen, gewone lui, priesters (wat is het verschil?), universiteitsprofessoren, zakenmannen etc. Net vóór de aanvang van Sambutsuge reciteerden we allen gezamenlijk de Nembutsu. Waar voorheen het gemompel was van duizend of meer verschillende verhalen, was er nu enkel nog het geluid van NamandabuNamandabuNamandabu. Buiten Nembutsu was er niks meer, de hele hal was Namu Amida Butsu.

Datgene wat ons allen verbindt, wat ons allen gelijk (niet het zelfde) maakt, hoe of wie we ook zijn, dwaas, geleerd en dwaas, rijk en dwaas, arm en dwaas, priester en dwaas of gewoon dwaas, dat is Namu Amida Butsu.

In gassho,

Bruno

P.S.: Ik besef dat ik nog niets verteld heb over de “eigenlijke” tokudo-training. Ik beloof u dat ik er later op zal terugkomen.

Ekō 63

jikōji - 慈光寺

© 2007

info-at-jikoji.com
          home