De Vrouw in het Boeddhisme (vervolg en slot)

Katrien Haemers

Symposium “De Vrouw in de Wereldgodsdiensten” Leuven, oktober 1994

Een gelijkaardige begripsverwarring - om het euforisch te benoemen - vinden we ook terug in verband met het ‘Mappo’-concept.

Aangezien alles aan veranderlijkheid is onderworpen, zal ook de leer van de Boeddha daar niet aan ontkomen. De Leer zal verzwakken, ontaarden, verworden. Mappo is het tijdperk van de “verworden leer”: de Leer die enkel nog theoretisch aanwezig is, zonder praktijk, zonder verlichting.

De boodschap van niet-gehechtheid heeft geleerden er niet van weerhouden te berekenen wanneer dit tijdperk dan wel zou aanbreken. Bovendien is er een uitspraak van de Boeddha zelf, die toch enige verwondering heeft opgeroepen.

Wanneer aan de Boeddha gevraagd wordt om ook de oprichting van een Nonnengemeenschap toe te staan, naast die van de monnikenorde (- een aanvraag die trouwens door Ananda gesteund werd -), doet de Boeddha een enigszins enigmatische uitspraak, nl. dat in dàt geval de Leer nog vlugger zal ten gronde gaan. De verbazing aangaande dat antwoord moest eerst enigszins bedaard zijn vooraleer men kan horen wat er werkelijk verwoord is in dergelijke vrouwonvriendelijke uitspraak.

Het boeddhisme spreekt over de ervaring van lijden in deze wereld, over de oorzaken ervan en de middelen tot opheffen ervan.

Wanneer men weet dat als een van de eerste oorzaken van het lijden ‘de begeerte’ wordt gesteld, dan wordt het algauw duidelijk dat in een kloostergemeenschap waar mannen en vrouwen samen zijn, méér kans bestaat op het ontstaan van begeerte. Daarom hoeft men noch de mannen noch de vrouwen met de vinger te wijzen: het gaat om de aanwezigheid van een prikkel tot begeerte die niet te ontkennen valt.

Aan de hand van dit voorbeeld is het misschien goed heel even de aandacht te vestigen op het gevaar dat er bestaat een tekst te snel, te oppervlakkig of te bevooroordeeld te interpreteren.

Vooreerst is er de steeds onderschatte moeilijkheid van het vertaalwerk: dezelfde woorden dekken niet noodzakelijk dezelfde inhoud. Termen kunnen subtiele verschillen vertonen (mededogen-medelijden; bevrijding-verlossing; reïncarnatie-wedergeboorte…). Over het technisch aspect van de vertaalproblematiek heeft Frits Staal een buitengewoon knappe uiteenzetting in zijn “Wetenschappelijke studie van de mystiek”.

Maar daarnaast is er ook nog de inhoudelijke conceptuele overdracht die zo bijzonder moeilijk is.

“What do people really believe” roept de Engelse antropoloog Lewis vertwijfeld uit in zijn boek “Religions in Context”. Hij confronteert de lezer met de moeilijkheid - zoniet de onmogelijkheid - om te kunnen aanvoelen, tot op het bot, te kunnen begrijpen, rationeel, wat mensen uit een andere cultuur, uit een andere tijd hebben willen uitdrukken in hun woorden.

De toren van Babel is geen voorbijgestreefde mythe. Wanneer men leest dat de monnik Santideva, in zeer bewogen verzen, de heerlijkheid van de Mahayana-idealen bezingt (in Bodhicaryavatara) en vervuld van mededogen uitroept: “Mogen alle vrouwen als man herboren worden!” dan kan men zich geërgerd afkeren van het verregaande machisme van deze monnik.

Maar is het niet dichter bij de waarheid om - eerder met een glimlach omwille van de ironische noot - proberen in te zien dat het culturele denkpatroon van deze man zich de mogelijkheid van de Verlichting voor de vrouw zelfs niet kan voorstellen omwille van eeuwenoude traditionele denkpatronen - die veel sterker zijn dan de individueel-gerichte gedachtegang. Zo kon hij zijn onmetelijke welwillendheid enkel uitdrukken in de wens dat zij als man zou herboren worden.

Als men dit verschijnsel met een beeld zou willen verduidelijken, dan zou men misschien het beeld kunnen oproepen van de vader of de moeder die het geluk van hun kind enkel in traditioneel vaststaande modellen kunnen zien.

Dat vrouwen op een bepaald ogenblik zelfs uitgesloten zijn van de mogelijkheid de Verlichting te verwezenlijken, heeft ook nog met andere, minder doorslaggevende argumentatie te maken, die eerder behoort tot binnenhuismentaliteit.

In het Mahayana-boeddhisme wordt elk wezen in staat geacht ‘een Boeddha’ te worden, omwille van het aangeboren boeddhaschap dat in elke mens latent aanwezig is.

In een studie over de seksuele discriminatie in de Jodo-Shinshu, stelt John Iwohara dat men ook rekening moet houden met - voor ons - bijkomstige details. De Boeddha werd omschreven met 32 noodzakelijke kenmerken. De mannelijke geslachtsorganen behoren daartoe. Hoe kan men dan - zonder blikken of blozen - stellen dat een vrouw Boeddha kan worden, als ze de Verlichting verwezenlijkt?

Ook voor die belemmering ontbreekt de bevrijdende legende niet van het meisje dat bij het horen van die beperkende omstandigheid onmiddellijk van geslacht verandert, voor de onbescheiden blikken van wijze Sariputra.

Wél moet men zich afvragen wàt er nu precies in deze legende wordt gezegd: gaat het over het al-of-niet kunnen verlicht-worden van de vrouw? Of gaat het juist over het aantonen van het niet-belang daarvan, het behoren tot de relatieve waarheden van de samsarische wereld?

Wanneer historische gebeurtenissen of personages een doorslaggevende invloed hebben gehad op de houding tegenover de vrouw binnen het boeddhisme, dan zijn die van maatschappelijk-sociale aard. En hier keren we even terug naar de invloed van figuren die misschien minder religieus, maar des te meer sociaal organisatorisch waren begaafd.

Wat het boeddhisme betreft verwijzen we naar twee ‘zondebokken’; ze zijn geen van beide boeddhisten, maar hebben dan toch zeer veel invloed gehad op de mentaliteit binnen het boeddhisme.

Manu is een figuur uit de Indische denkwereld. De ‘Wetten van Manu’ (Manusmriti, 2 685 regels, 6de eeuw) handelt over religie, sociale wetten, traditionele gebruiken en politiek.

Alhoewel filosofisch gefundeerd is het doel niet direct een filosofisch systeem uiteen te zetten. Het is een dharma-shastra, handelend over recht en orde; het herstelt de eerbiedwaardigheid van gebruiken en conventies op een ogenblik dat die sterk ondermijnd zijn.

Het wekt inderdaad enige verbazing er te lezen dat “a high place is given to women”. Inderdaad: ‘Where women are honoured, there the gods are pleased; but when they are not honoured no sacred rite yields rewards.”

Deze uitspraak weerhoudt Manu er echter niet van in verschillende hoofdstukken de status en plichten van de vrouw nadrukkelijk te omschrijven. En wanneer de vrouw dan ‘honoured’ is en ‘pleased with her husband’, dan moet ze wel “be kept in dependence by the males of their families, … be kept under control.” Zelfs een oude vrouw mag in haar eigen huis niets zelfstandig ondernemen, en … “even weak husbands must strive to guard their wives.”

De wetten van Manu hadden grote invloed op het sociale leven in India op het ogenblik dat de brahmanistische traditie zich herstelt en versterkt.

Een gelijkaardige zondebok vinden we bij het Confucianisme, dat op parallelle wijze een sociale orde opstelt voor de Chinese samenleving. Beide systemen zijn inderdaad eerder politiek-sociaal gericht dan wel religieus.

Maar zo hebben deze sociale gedragspatronen wel zeer grote invloed uitgeoefend op de gedragspatronen van de boeddhistische gemeenschappen in India, China en Japan.

De ‘causes and conditions’ die de discriminatie van de vrouw in een religie bewerkstelligen zijn niet eenvoudig in één pennentrek te tekenen noch simplistisch te interpreteren. Een grote vertrouwdheid met religie, geschiedenis, taal en sociale omgangsvormen is vereist om de teksten en de feiten naar waarde te kunnen schatten, en juist te interpreteren.

Een vermeldenswaardig aspect van de visie op de vrouw in het boeddhisme vinden we in het Reine-Landboeddhisme. Deze stroming bestond reeds in China, maar kende vooral in Japan haar ontwikkeling onder de bezieling van Shinran Shonin, een monnik die na een verblijf van twintig jaar het Tendai-klooster op Hiei-san verliet omwille van zijn groeiend wantrouwen aangaande ascese en discipline.

Hij bleef ten prooi aan zijn begeertes, deed afstand van het celibaat en huwde. Onder politieke omstandigheden werd hij verbannen en ging in het noorden van Japan de Leer verkondigen aan soldaten, boeren en verschoppelingen van alle slag.

De manier waarop hij daartoe kwam, is wel ongewoon. Op het ogenblik dat hij zich in wanhoop afzondert om een antwoord op zijn twijfels te zoeken, krijgt hij een visioen van de Bodhisattva Avalokitesvara die hem zegt: “Wanneer, ten gevolge van de karmische situatie, de volgeling tot seksuele begeertes komt, dan zal ik mezelf als een verleidelijke vrouw aanbieden om de act te ontvangen. Zo zal ik hem helpen schoonheid te brengen in zijn huidig leven en op het ogenblik van de dood zal ik hem leiden naar het Land van de Opperste Vreugde.”

Deze gebeurtenis haalt niet alleen de seksualiteit uit de taboesfeer in verband met de verlichting, maar haalt ook de vrouw naar voor, die niet meer gezien wordt als een belemmering voor de verwezenlijking van de verlichting, maar integendeel als de belichaming van een van de hoogste bodhisattva’s.

Eén van de drie sutra’s die volgens deze school de kern van het boeddhisme uitdrukken, is het Meditatie-sutra. Daarin wordt de Leer gebracht door de Boeddha aan koningin Vaidehi, die door haar zoon opgesloten werd in een kerker. In deze vernederende omstandigheid ontvangt zij de Leer van de bevrijdende praktijk.

Deze en nog andere historische omstandigheden (zoals het feit dat het de dochter van Shinran is die de basis heeft gelegd voor de traditie van de Jodo-Shinshu) hebben niet kunnen verhinderen dat het instituut vele jaren lang de vrouw heeft uitgesloten uit de actieve praktijken en deelname aan de hiërarchie.

Bovendien is het ook zo dat, ofschoon er nu vrouwelijke priesters worden geordineerd in de Jodo-Shinshu, en vrouwen dus wél alle praktijken en rituelen uitoefenen, de mentaliteit van het instituut op zich nog steeds patriarchaal te noemen is.

Toch zou ik hier eveneens willen aan toevoegen dat ik ooit een Japanse priester uit de Jodo-Shinshu in alle eenvoud heb horen verkondigen dat hij als priester zijn taak nooit had kunnen volbrengen indien zijn vrouw - weliswaar achter de schermen - niet alles en nog veel meer had gedaan om dit mogelijk te maken.

Ook dat behoort tot het relativeren van discriminatie of erkenning in boeddhistische zin.

Wanneer we het verschijnsel van de emancipatie van de vrouw in het boeddhisme van buitenaf bekijken, dan zouden we logisch gezien - kunnen vaststellen dat, gezien er geen basis is voor discriminatie in de Leer zelf, er ook geen reden tot eerherstel kan zijn.

We kunnen het niet zo simplistisch bekijken.

Op gebied van emancipatie zien we opnieuw datzelfde verschijnsel dat we aantroffen bij de discriminatie: deze ligt niet in de traditie zelf, maar in de sociale culturele situatie; de Amerikaans-Japanse vrouwen van boeddhistische traditie zijn veel verder in de emancipatie dan hun zusters die in Japan zijn gebleven. En dat heeft alles met de sociale situatie van de Amerikaanse vrouw te maken, en zo goed als niets met de Leer van de Boeddha.

Daar waar in Japan de functie van de vrouw van de priester er vooral in bestaat alles achter de schermen in stand te houden, zullen hun collega’s in Amerika veel meer op de voorgrond treden en zich weinig of geen taboes meer laten opdringen.

Men zou zelfs kunnen stellen dat de vrouwelijke priesters in Japan zich veel minder - véél bescheidener - opstellen dan de Amerikaanse vrouwen-van-priesters!

In welke mate het boeddhisme zou kunnen bijdragen tot de religieuze emancipatie van de vrouw is moeilijk te omschrijven, - of misschien juist heel duidelijk te stellen.

Het boeddhisme kan in zijn streven naar niet-tweeheid, niet-gespletenheid, geen uitersten, eventueel streven naar de religieuze emancipatie van elke vrouw en elke man, van elke leek en elke monnik, van elke rijke en arme, jonge of oude, van elke verdrukte of marginale groep dan ook.

Maar streven houdt reeds begeerte in en daar zal de Leer onmiddellijk voor waarschuwen, want het doel blijft het lijden op te heffen.

Het antwoord van het boeddhisme op de vraag naar emancipatie - van welke aard dan ook - klinkt niet populair in deze tijd.

De Leer van de Boeddha zal het individu op zichzelf terugwerpen (bijvoorbeeld het verhaal van de moeder met het dode kind…), een bewustworden vragen van het lijden en de oorzaak van het lijden.

De weg die voert naar de opheffing van dat lijden zal niet bij andere personen, structuren of maatschappelijke toestanden moeten gezocht worden, maar in de eigen geest, in het eigen bewustzijn.

Daar zal men bewust moeten worden van de innerlijke verlangens of afkeer, en beseffen dat de oplossing daarvan enkel en alleen in het loslaten, het handelen-niet-handelen gelegen is, nl. in het overstijgen van de dualiteit. Ook het overstijgen van de dualiteit man of vrouw te zijn: wanneer men het ‘ik’ moet loslaten, valt daarover niet veel meer te zeggen.

Evenwel moet men daaruit niet de verkeerde conclusie trekken dat men niet veel meer kan dan toezien en laten gebeuren. Boeddhisme is geen quiëtisme. Men moet handelen, maar dan wel zonder begeerte, zonder gehechtheid. De geesteshouding van waaruit men handelt zal de belangrijkste factor zijn. En hier wordt de Leer vlijmscherp: handelen vanuit wijsheid en mededogen betekent dat men handelt vanuit het diepe besef dat alle wezens op deze wereld behoren tot de wereld van samsara, de wereld van begeerte, haat, onwetendheid, lijden en dood. Het besef dat er op dat niveau geen onderscheid is tussen mannen en vrouwen, leken en monniken, arm of rijk. Als de mens vanuit die geestesgesteldheid handelt, zal hij heilzaam handelen en geen nieuw karmisch lijden veroorzaken.

In profane taal omgezet zou men het kunnen omschrijven dat er geen oplossing zit voor het probleem in een machtswisseling, in een afbreken van de macht bij anderen om deze zelf te kunnen manipuleren, om de begeerte en de illusie te koesteren dat de wereld beter zou worden als de macht aan de vrouwen zou toegekend worden. De wereld zou misschien beter worden als er geen streven naar macht meer zou zijn.

Het komt erop aan te beseffen dat begeerte naar macht - en macht zelf is toch begeerte - de keten van lijden enkel kan voortzetten, zonder ophouden. De oplossing ligt in het ophouden van streven naar macht.

Vanuit die houding kan en moet men handelen.

Op dat niveau is er geen onderscheid tussen mannen en vrouwen, rijken en armen, leken en monniken.

De vrouw die dan optreedt om de noodzakelijke emancipatie van de vrouw te helpen bewerkstelligen, vanuit sociaal of religieus standpunt - en erin slaagt dat te doen vanuit de gemoedstoestand van niet-begeren - die zal effectief iets kunnen doen dat heilzaam is. Niet voor zichzelf, niet voor alle vrouwen, maar voor alle wezens zonder onderscheid.

Als getuigenis dat het boeddhisme niet meedogenloos hard noch wereldvreemd onbruikbaar is, bieden de teksten van de Therigatha (Liederen der Nonnen) een ontroerende bron van ervaring.

Het zijn teksten uit de eerste periode van het boeddhisme, van de vrouwen die rechtstreeks het charisma van de Boeddha hebben ervaren. Maar wees gerust: zij waren geen wereldvreemde etherische wezentjes: zij waren geen mystica noch grote filosofisch geschoolde geleerden (zij hadden vermoedelijk wel af te toe de pest aan de urenlange discussies onder de hooggeleerde monniken die toch altijd een theoretisch antwoord op elke vraag wilden).

Het waren vrouwen van vlees en bloed, echtgenotes en moeders. Zij hebben bemind, gehaat, gejubeld en gehuild, kinderen gebaard en kinderen zien weggaan of sterven, net zoals alle vrouwen altijd en overal ter wereld.

Ekō 64
De Vrouw in het Boeddhisme

jikōji - 慈光寺

© 2007

info-at-jikoji.com
          home