Editoriaal: Naar de mond praten?

De boeddhistische ‘regels van moraliteit’, de pañca-sila, leveren meestal moeilijkheden op, zoals men maar al te duidelijk ervaart: zich onthouden van te doden, van te nemen wat niet gegeven wordt, van ongepast woordgebruik, van ongeoorloofde seksualiteit, van bedwelmende middelen…

Dat klinkt allemaal erg mooi, erg zedelijk… maar wat blijft ervan over in de harde praktijk van ons bestaan?

En zeker wanneer er van de andere kant gebruik wordt gemaakt als een argument, als een gesprekswapen. De boeddhist moet immers “braaf zijn”, steeds vredevol glimlachend, zonder enige agressiviteit, met vreugde alles aanvaardend, alles incasserend.

Het spreekt vanzelf dat zo een suf-maar-eerbaar beeld volkomen vervalst is. Men kan uit het leven van Boeddha Gautama genoeg voorbeelden aanhalen van een besliste niet-makheid, van kritiek, zelfs van polemiek ook wanneer deze niet door afkeer of haat gedragen wordt. En zie eens naar Bodhidharma en de andere Ch’an meesters; lees de traktaten van Nichiren Shonin, de brieven van Rennyo, ga de myokonins eens na.

En neem Shinran Shonin als voorbeeld: Mattosho (1) is een reeks van protestbrieven, Tannisho (2) is vaak harde kritiek.

Amicus Plato, sed magis amica veritas…

Deze bedenkingen moeten me van het hart bij het nabeschouwen van de vele cursussen, lezingen en interviews die de laatste maanden in Jikoji en elders op zovele plaatsen gegeven werden. Immers in hoeverre mag of moet de spreker, de boeddhistische dus “brave” spreker argumenteren, weerleggen, discussiëren, bekritiseren, polemiseren - en dit in functie van zijn publiek?

In hoeverre mag/kan/moet hij rond een boeddhistische pot draaien, of met twee tongen praten omdat hij geen harde taal wil gebruiken?

Anders gezegd: in hoeverre moet iemand die een uitleg geeft, openbaar of privé, beantwoorden aan het beeld dat de niet-boeddhist zich van de “boeddhist” vormt? Bovendien komt daarbij vaak dat de zogenaamde toehoorder in feite niet altijd komt om te luisteren, maar om zelf te spreken, om zich waar te maken, om zijn ik-zegje te hebben.

Zo zijn er bv. dames die absoluut zichzelf willen tastbaar maken als gloeiende feministen en dat verwoorden in vragen als wat is de positie van de vrouw in het boeddhisme? en daarbij meteen uitpakken met de minderwaardige situatie van de vrouw in India. En zo zijn er b.v. christenen die per se willen dat het boeddhisme eigenlijk niet verschilt van het christendom en dat de boeddhisten eigenlijk verkapte christenen zijn… Meestal komen dergelijke opmerkingen van mensen die niet veel van de zaak afweten. Ik herinner me een lezing jaren geleden, waarbij de spreekster, een Vlaamse moslim, giftig geconfronteerd werd met het type-verwijt van de hoofddoek; daarbij bleek dat de “vraagsteller” verder niets van de islam afwist, zelfs niet eens de Vijf Pijlers. Even simplistische reacties hoort men uit de mond van toeristen die 14 dagen in Thailand hebben doorgebracht en meteen weten dat de boeddhisten afgoden-aanbidders zijn “want we hebben het zelf gezien”…

In dergelijke situaties is het meestal moeilijk als boeddhist de juiste toon te vinden, de juiste attitude aan te nemen. Er is weliswaar die sila van het juiste woordgebruik… maar we zijn (nog) geen Boeddha, enkel wat bombu’s die (gelukkig!) beseffen dat ze bombu zijn, dwaze wezens…

Maar moet ik dan een ‘pro-life-fanaat’ écht zeggen dat abortus een absolute moord is, en aan een baas-in-eigen-buik-aanhanger toegeven dat vruchtafdrijving de oplossing kan zijn? Moet ik aan de katholiek zeggen dat men zonder problemen tegelijkertijd christen én boeddhist kan zijn, - en niet een humanist meepraten dat het boeddhisme een atheïsme is?

Of mag ik mijn mannetje staan en dan toch waar nodig en nuttig tegen de opvattingen van mijn gesprekspartner ingaan? Ook al is het mijn lief, mijn ouder, mijn leraar, mijn student?

Ik geloof echt van wel. De Leer van de Boeddha is een Leer van de Middenweg: bij de discussie ergens tussen de uitersten van toegeeflijkheid en weerbarstigheid. Ook bij het “juiste woord gebruik”. Immers niet het discussiëren zelf, het “gelijk-krijgen", het gevoel van verbale overwinning is van belang.

Wat boeddhistisch gezien van belang is, is dat men niet uit haat en met haat praat om de ander eronder te krijgen. Boeddhistisch kan, moet men recht-door-zee spreken over de inhoud van de Leer.

Of zwijgen, weigeren nutteloze disputen aan te gaan die niemand rijker maken. Zoals Shinran het aanraadt daar waar geruzied wordt, weggaan.

Diezelfde houding van relativering gaat ook op niet enkel voor het juiste woordgebruik, maar even goed voor de andere vier sila's. En men onderstrepe, voor zichzelf in de eerste plaats, de diepe ernst van het “ik neem mij voor mij te onthouden van…” En men bedenke dat deze moraliteit in de eerste plaats gericht is op het samenleven van alle wezens, en zonder dat men er al te veel transcendentie in gaat zoeken.

Want het allerbelangrijkste, shinjin, het Ware Gemoed van Vertrouwen is niet verschillend van het Boeddha-Gemoed dat Oneindig Wijsheid/Mededogen is ongehinderd noch door sila noch door niet-sila,

Namu Amida Butsu.

Shitoku

(1) verschenen in Eko.

(2) in vertaling verschenen bij De Simpele Weg.

Ekō 65

jikōji - 慈光寺

© 2007

info-at-jikoji.com
          home