Jodo-Wasan (1: 1-6)

(Hymnen van het Reine Land)

De drie bundels wasans (“gedichten in het Japans”) werden door Shinran geschreven tussen 1247 (op 76-jarige leeftijd) en 1257 (op 85-jarige leeftijd). De bedoeling ervan was de Jodo-Shinshu leer toegankelijk te maken voor de ‘gewone’ Japanssprekende mensen in Japan, dit in tegenstelling tot de Chineessprekende ‘literaten’. Deze bedoeling van veralgemening uit zich ook in de keuze van Japanse volksmelodieën waarop de wasans konden gezongen worden. Dat betekent evenwel niet dat het om ‘gemakkelijke’ teksten gaat; ze vragen immers een intense inspanning.

De Jodo Wasan verzameling bestaat uit 116 strofen, waarin de Jodo-Shinshu leer uiteengezet wordt aan de hand van de drie Reine Landsutra’s.

Zowel de vertaling als de nota’s zijn van de hand van Rev. Yuho Bruno Van Parijs.

(n. Shitoku)

[1]
Reeds tien kalpa’s zijn er verstreken
sinds Amida het boeddhaschap verwezenlijkte;
het Lichtwiel (1) van het Dharma-Lichaam (2) straalt grenzeloos
doorheen de duisternis (3) in de wereld.

(1) kōrin: lett. “Lichtwiel”, verwijst naar de kring van licht of halo die Amida Buddha omringt. De term wordt, verwijzend naar het wiel van de Cakravartin (wereldheerser), ook geïnterpreteerd als het licht dat belemmeringen vernietigt.

(2) hosshin: Skr. Dharmākayā (‘Dharma-lichaam’); hier specifiek verwijzend naar het “Dharmalichaam van Geschikte Middelen” naar de classificatie volgens T’anluan. Zie voorts ook Tannisho pag. 60, noot b.

(3) mōmyō: lett. “blindheid en duisternis”, m.a.w. de fundamentele onwetendheid.

[2]
Onmeetbaar is het Licht van Wijsheid (1).
Van alle beperkte wezens is er niet één
dat niet gezegend wordt door dit Licht (2).
Neem daarom toevlucht tot de Ware Verlichting (3).

(1) verwijst naar één van de 12 benamingen voor Amida, nl. “Onmetelijk Licht: Muryōkō. Zie KGSS v, 4.

(2) kōgyō: lett. “Ochtendgloren”: wanneer Amida’s zon van Wijsheid oprijst en licht straalt over de duisternis van de onwetendheid, is dit als het ochtendgloren van onze spirituele horizon.

(3) shinjitsu-myō: lett. “Waar en Werkelijk Licht”, d.i. “Ware Verlichting”. Amida’s Licht dat de Wijsheid van de Ware Werkelijkheid belichaamt, doet ons ontwaken tot onze eigen onwetendheid en blinde passies.

[3]
Grenzeloos (1) is het Lichtwiel van Bevrijding (2).
Zij die verlicht worden door dit Licht, zo zegt de Boeddha,
worden bevrijd van “zijn” en “niet-zijn” (3).
Neem daarom toevlucht in de Verlichting van Gelijkheid (4).

(1) verwijst naar de 2de van de 12 benamingen voor Amida, nl. Muhen-kō, “Grenzeloos Licht”.

(2) gedatsu: “bevrijding’, nl. uit de kringloop van Geboorte-en-Dood, d.i. samsāra. Bevrijding slaat hier terug op bevrijding van alle wezens uit samsāra door toedoen van Amida’s Geloftekracht.

(3) u-mu: lett. “zijn-niet-zijn”. Vgl. Shoshinge 13. Betekent in deze context bevrijd worden van de gehechtheden aan de uitersten van “zijn” en “niet-zijn”. Zo lezen we in SN xxii, 90-12: “De wereld, Kaccāna, houdt het bij geloven aan een zijnde of bij geloven aan een niet-zijnde. Maar wie in het licht van het hogere weten ziet hoe de wereld oprijst, voor hem zinkt elk geloof aan een niet-zijnde weg. En wie in het licht van het hogere weten ziet hoe de wereld vergaat, voor hem zinkt elk geloof aan een zijnde weg.” Het gaat hier m.a.w. om het inzicht in het “Ontstaan in Afhankelijkheid” (Pratitya Samutpāda).

(4) byōdōgaku: “Verlichting van Gelijkheid”. Kenmerkend voor een Boeddha is dat hij ontwaakt is tot het inzicht in de ultieme gelijkheid, de niet-verschillendheid of niet-tweeheid van alle dingen, m.a.w. het inzicht in de ware natuur, d.i. de Leegheid, van alle dingen. Het is Amida die ons in staat stelt dezelfde verlichting te realiseren door Geboorte in het Reine Land.

[4]
Ongehinderd (1) als de ruimte is de Lichtwolk (2)
vrij van alle belemmeringen.
Geen enkel wezen is er dat niet gekoesterd (3) wordt door dit Licht.
Neem daarom toevlucht in de Onvoorstelbare (4).

(1) mugekō: “Ongehinderd Licht”, weer een verwijzing naar één van de namen voor Amida Buddha.

(2) kō-un: lett. “Lichtwolk”. In de Indische literatuur is de wolk een metafoor voor alles-doordringendheid”, “vruchtbaarheid” of “weldadigheid”.

(3) kōtaku: “Weldadigheid van Licht”. Amida’s Licht kan als weldadig worden beschouwd omdat het de wezens tot spirituele rijpheid brengt of omdat het de wezens beschermt tegen onheilzame hindernissen. Zie ook KGSS iii, 35.

(4) nanjigi: “de/het Onvoorstelbare’, slaat terug op de onvoorstelbare, want niet aan tijd en ruimte gebonden, werkzaamheid van Amida’s Licht.

[5]
Ongeëvenaard (1) is het Zuivere Licht.
Wanneer we dit Licht ontmoeten (2) [en erin vertrouwen],
vallen al onze karmische bindingen (3) weg.
Neem daarom toevlucht in de Ultieme Toevlucht (4).

(1) mutaikō: “Ongeëvenaard of Onvergelijkbaar Licht” is de vierde van de 12 benamingen voor Amida Buddha.

(2) Dit gebeurt volgens Shinran op het moment van Shinjin, het Volkomen Vertrouwen in de Gelofte-Kracht van Amida.

(3) gōke: “karmische bindingen of bevlekkingen”. Het zijn de karmische bindingen die ons gekluisterd houden aan de kringloop van samsāra. Op het moment van Shinjin, m.a.w. op het moment dat we ons volkomen toevertrouwen aan de werkzaamheid van de Ander-Kracht, vallen al onze eigen berekeningen of hakarai weg. Ons handelen wordt een niet-handelen waardoor geen nieuwe karmische vormingen meer ontstaan.

(4) hikkyō-e: “Laatste of Ultieme Toevlucht”. In een kantnota verklaart Shinran: “Dit betekent dat [Amida] de ultieme, d.i. de uiterst mogelijke Verlichting van Dharmalichaam (Dharmakāya als Leegheid) heeft verwezenlijkt. Daarom is ook Amida voor ons de Ultieme Toevlucht.

[6]
Boeddha’s Licht straalt met uiterste helderheid.
We noemen hem “Boeddha Majestueus Oplaaiend Licht” (1).
Hij verdrijft de duisternis van de drie verblijfstoestanden (2).
Neem daarom toevlucht in de Grote Eerbiedwaardige (3).

(1) kōennō-butsu: “Boeddha Majestueus Oplaaiend Licht”. Vijfde van de 12 benamingen voor Amida. Majestueus omdat Amida’s Licht het licht van alle andere Boeddha’s overtreft.

(2) sanzu: lett. “de drie moerassen”. Slaat hier terug op de drie lagere verblijfstoestanden of onheilzame wegen waarin de wezens voortdurend verzinken, d.w.z. die van de hellewezens (pad van vuur), die van de dieren (pad van bloed) die en van de demonen (pad van het zwaard).

(3) daiōgu: “Grote Arahant”. Verwijst naar de eerbiedwaardigheid, hij die eerbied waardig is. Deze term wordt gebruikt voor wijzen wier blinde passies (bonno) volkomen uitgedoofd zijn. Het is ook één van de benamingen voor Shakyamuni Buddha.

Ekō 66
Jodo-Wasan

jikōji - 慈光寺

© 2007

info-at-jikoji.com
          home