Wachten op Godot… en andere hakarai…

Katrien Haemers

Wachten op Godot is een meedogenloos toneel. Niet zozeer omdat Godot niet komt. Maar omwille van het wachten, de obsessie van het wachten, het dwingende van het wachten, het verlammende wachten. Omwille van de verwachting die niet opgegeven wordt.

Men kan nauwelijks op zijn stoel blijven zitten toekijken. Men zou de spelers uit hun ellende willen bevrijden, het wachten afbreken, de verwachting…

Hakarai heet het in boeddhistische taal.

Hakarai zijn het die de grote verwachtingen van rechtvaardigheid en vrijheid, van leven en toekomst scheppen in beroezende illusie van binnenkort, straks, later…

Hakarai brengen vluchtelingen de weg naar vrijheid, hakarai vragen offers in naam van vrede en vooruitgang, hakarai maken mensen tot slaven in de dromen van succes, macht en geld.

Is de Leer van de Boeddha zo meedogenloos elke menselijke verwachting als onheilzame illusie te veroordelen?

Is die Leer zo meedogenloos om een politiek vluchteling te antwoorden dat hij zich wel illusies heeft gemaakt om op een andere plaats bescherming of solidariteit te zoeken?

Zal men ouders, die vernemen dat hun kind gaat sterven, troosten door hen te wijzen op de illusies die zij zich gemaakt hebben over dat kind?

Gautama kon vanuit zijn charisma - de moeder die geen afscheid kon nemen van haar dode kind - tot inzicht brengen. Zou men het nu nog kunnen zonder meedogenloos te lijken?

De illusie van hakarai zit niet in het object van de verwachting, naar in het subject: de ik-mens die het centrum is van de wereld.

Met welk een reusachtige zucht zou heel het geren en geraas van een hele wereld niet stilvallen als er geen hakarai meer waren?

Wie zou nog als een dolleman door de stad razen, wie zou nog achter de trein hollen, wie zou ‘s morgens nog uit bed komen? Welke student zou nog urenlang achter een bureau zitten, wie zou nog een huis bouwen, bomen of bloemen planten? Welke boer zou nog een veld inzaaien?

Waartoe zou men zich nog voeden, kleden, verplaatsen, praten, liefhebben, als daar niet het Grote Leven op ons wachtte?

Is er één menselijke handeling denkbaar die niet gepaard gaat met hakarai?

Hakarai is onze noodzakelijke drijfkracht, de motor die ons in stand houdt.

Maar het gaat nog verder.

Letterlijk betekent hakarai: zich zorgen maken om wat er nog niet is, om wat men nog niet heeft.

Dat behoeft geen tekeningetje, toch?

Een drijfkracht nodig om tot menselijk handelen te komen - en elke drijfkracht is gericht op iets - behoort tot de condition humaine.

Daar is niets goed of slecht aan (het bekende boeddhistische refrein…).

Maar dan komt de kat op de Boeddha-koord (die leegheid is): als ik mijn ik-berekening kan zien, kan doorprikken, kan relativeren en mijn verlangen naar resultaat (ik-resultaat natuurlijk) kan loslaten, als ik kan wei-wu-wei, handelen-niet-handelen, dan kan ik tenminste handelen vanuit wijsheid. Dan zal er mededogen zijn in mijn benadering van mensen en dingen.

Mijn ik-verlangen kan doorheen mededogen oprijzen in een vorm die bevrijd is van ik en kan samenvloeien met alle wezens. Mijn ik-handelen kan uitbreken uit de kooi van ik-bevrediging en overvloeien in het heil van alle wezens. De ik-schakel kan deel worden van een grote ketting waar voor alle schakels een plaats is.

Verlangen moet niet uitgeroeid worden omdat het ‘slecht’ is. Verlangen is de upaya die mij tot handelen brengt, waar ik anders zou blijven zitten in machteloos toekijken. Aan mij om het los te laten op het juiste moment: als ik de stroom ben overgestoken, kan ik het vlot aan de kant laten liggen.

Zoals alles zijn hakarai leegheid: het is veiliger zich vast te houden aan de takken van de bomen.

NB. Ik heb dit wél geschreven met de hakarai dat dit zal gelezen worden. Niets meer.

Ekō 66

jikōji - 慈光寺

© 2007

info-at-jikoji.com
          home