Editoriaal: Boeddhisme, een Folklore?

Steeds wanneer ik gevraagd word een sluitende omschrijving van de Leer van de Boeddha te geven, dan antwoord ik onveranderlijk: “De Vier Edele Waarheden, en dat zijn het Lijden, de Oorsprong van het Lijden, de Opheffing van het Lijden en het Pad dat voert naar de Opheffing van het Lijden”. Immers, dàt - en niets anders - vormt m.i. de ware en enige kern van het Boeddhisme. Dàt - en niets anders - IS de Leer van de Boeddha. Al het overige zijn culturele, esthetische, historische, geografische, periferische toevoegselen die de ‘kern’ in de steeds wisselende omstandigheden meer aanvaardbaar, beter verteerbaar moeten maken. Daar waar de Vier Edele Waarheden niet voorkomen, daar heeft men niet met de Buddha-Dharma te doen!

Al wat er verder bijkomt, behoort inderdaad tot een ‘mantel’: de zovele elementen eigen aan de zo diverse culturen waarin het Boeddhisme zich ooit heeft kunnen waarmaken. En of het nu gaat om Thai-dansen, Tibetaanse geneeskunde, Chinese kalligrafie, Japans bloemenschikken: dat zijn uiteindelijk neven-aspecten van de kernboodschap.

Het is jammer dat er zo veel verwarring op dit gebied verwekt wordt. Dat soms een tentoonstelling gewijd aan boeddhistische kunst, hoe mooi ook, meer kunsthistorische belangstelling wekt voor technieken en chronologische determinering dan een degelijke uiteenzetting van de Leer (waarin toch die kunst haar bronnen heeft…). Erger nog: dat een tafellamp in Boeddha-vorm gezien, verkocht en gekocht wordt als een exotisch ‘kunst’-voorwerp, dat een Tibetaanse puja fungeert als achtergrondmuziek bij een fuif, dat een Zendmeditatie aangeprezen wordt als tranquillizer.

Ach, ik weet het zo stilletjesaan wel: al deze periferische cultuurelementen kunnen vaak dienen als incentives, goedgepraat worden als een stadium van aansporingen of kennismakingen. En de boeddhist kan dan spreken over upāya’s, de zg. ‘geschikte middelen’… Men vergeet daarbij al te licht dat hetgeen we doorgaans vertalen als geschikte middelen (Skr. kausalya upāya, J. hōben) in werkelijkheid ‘doeltreffende middelen’ betekent, wat toch reeds een heel andere connotatie inhoudt: het ‘middel’ moet ‘doeltreffend’ zijn, zoniet is het niet-geschikt!

Mijn toch lange ervaring met het verkondigen van de Leer heeft me ertoe gebracht vast te stellen dat héél wat van die ‘geschikte middelen’ die we ooit in ons land ingeschakeld hebben, uiteindelijk heel weinig ‘doeltreffend’ gebleken zijn…

En uit deze conclusie moet ik me wel de vraag stellen of inderdaad onze culturele exposities in werkelijkheid doeltreffend zijn geweest: d.i. in hoeverre ze ooit geleid hebben tot een efficiënte communicatie en overdracht van de Leer.

Hetzelfde kan overigens gezegd worden van heel wat manifestaties van zg. academische aard, waar ontzettend hooggeleerd gepraat wordt door academici over wat uit de Dharma losgerukte motieven en fragmentarische uitspraken. Zo bijvoorbeeld: in een recent Duits artikel werd uiteengezet hoe de logica van Nagarjuna kan ingepast worden in hedendaagse logische parameters: weliswaar niet zonder intellectualistische interesse, academisch beslist ‘geschikt’, maar absoluut niet ‘doeltreffend’ in de zin van Boeddha’s Leerverkondiging. In zo een zelfde aspect kreeg ik onlangs twee (dikke…) werken over boeddhistische mystiek ter recensie; tot mijn grote verbazing kwamen er nauwelijks citaten in voor van boeddhistische sutra- of sastra-teksten, maar wél brede uittreksels en conclusies geput bij westerse auteurs van duidelijk christelijken huize…

Zoiets noem ik dan maar academische folklore…

Hiermee wens ik me toch veilig te stellen tegen een eventuele beschuldiging dat ik het zou hebben tegen al die gebruikte periferische cultuurelementen zelf. Daar gaat het niet om! Toen de eerste boeddhistische monniken in China aankwamen, kenden ze een nogal onmiddellijk succes bij de plaatselijke bevolking met de door hen meegebrachte Indische geneeskunde: dat was hun waar-maken van het Grote Mededogen. Ook nu nog op Sri Lanka werken heel wat bhikkhu’s mee aan projecten en initiatieven om de landbouwproductie weer op gang te krijgen. In Thailand nemen enkele kloostergemeenschappen de moeilijke strijd tegen druggebruik en drugverslaving op zich. In Japan nemen diverse tempels van de Honganji het op tegen de kansarmoede van de eta. Maar in al die gevallen was/is die werking zo doeltreffend mogelijk ingesteld op de beleving van de Leer via Wijsheid/Mededogen.

Zo dient dan ook onze instelling te zijn wanneer we Tibetaanse tempeldansen organiseren of een cursus over Chinese iconografie plannen: gerichtheid op de Dharma.

Laten we vooral aandachtig zijn niet te vervallen in een gemakkelijk mode-succes, in kitscherig show-exotisme of alternatieve geleerddoenerij. Laten we voorzichtig zijn bij culturele uitdagingen of jacht naar kwantitatieve, d.i. vooral financiële bijval.

Sammadana dhammadana: de gave van de Leer is de hoogste gave!

Daarbij is alleszins een degelijke volharding (Skr. virya) nodig, een niet-aflatende energie die ongevoelig blijft voor nijd of tegenslagen.

Het Shinboeddhisme is daarbij een stroming die nadruk legt op eerlijke, diepe beleving en doordachte kennis. Misschien kan men ons in Jikoji wel verwijten dat we soms wat te veel de intellectuele toer opgaan met onze nadruk op kennis van het Boeddhisme: onvermijdelijk allicht… Maar ik geloof niet dat we ooit aan een kitsch-boeddhisme gedaan hebben, noch aan enige japanologische folklore…

Namu Amida Butsu.

Shitoku

Ekō 67

jikōji - 慈光寺

© 2007

info-at-jikoji.com
          home