Mededogen van Arahant tot Demon… Of Omgekeerd?

Katrien Haemers

Het mooiste stukje uit de tentoonstelling “Geneeskunde uit het Oosten” (Etnografisch Museum, Antwerpen) is een netsuke, een klein onooglijk beeldje uit ivoor. Kunsthistorisch of antiquarisch? Geen idee van. Daarover weet ik niets.

Maar over het beeld van het beeldje heb ik het wél. Het stelt voor: een arahant die de nek van een demon masseert. De arahant ziet er super-heilig uit: de ribben zijn zichtbaar in zijn magere borstkas, en zijn gelaatstrekken verraden een strenge ascese.

De demon daarentegen heeft niets tekort gehad; zijn dubbele kinnen, de dikke huidplooien onder de buik laten duidelijk zien dat hij alles heeft gehad. Dat is ook af te lezen van de grijns op zijn gezicht.

Maar de inhoud van het beeld is zo sprekend: de arahant masseert de demon.

Het voerde me terug naar de vraag die iemand me stelde in een lezing over het verband tussen anattā en mededogen.

Een netsuke als antwoord op een ingewikkelde vraag.

Als de arahant zijn anattā niet zou erkennen, dan kon hij zich toch niet vernederen een demon te masseren? Dan kon hij misschien hoogstens de demon beleren, moraliseren, bekeren tot het heilzame of iets in die aard.

Maar een arahant weet dat hij geen arahant is, - dat hij anattā is, dat de ervaring van zichzelf als arahant hem in niets kan beletten zich te begeven in de wereld van de demon. Hij weet dat zijn ware aard het Boeddhaschap is.

En ook de demon is anattā; hij manifesteert zich als demon, maar is hij dat? Hij is anattā, zijn ware aard is potentieel het Boeddhaschap.

Wel, het is juist op dat ogenblik dat mededogen mogelijk wordt, zowel voor de arahant als voor de demon.

Mededogen is niet het neerbuigen van de éne, die goed, heilzaam, gelukkig en welstellend is naar de andere die slecht…

Mededogen is juist niet een onderscheid maken of zien, geen moreel of ethisch oordeel vellen. Maar ervaren, weten dat de wezens in deze lijdenswereld hun karmische gegevenheid te assumeren krijgen, en dat geen enkel wezen te goed of te slecht is om mee om te gaan, te verzorgen, zelfs te vertroetelen.

Wanneer een demon een helse dag achter de rug heeft, moet het hemels zijn een arahant in de buurt te hebben die goed een nek kan masseren. Dàt is puur mededogen.

Ekō 67

jikōji - 慈光寺

© 2007

info-at-jikoji.com
          home