Bonno…

Yuho B. Van Parijs

Toen ik laatst in Düsseldorf was, had ik een ontmoeting met professor Akira Omine. Een filosofie-professor verbonden aan de Ryukoku universiteit te Kyoto. Naar eigen zeggen was hij gespecialiseerd in Jodo-Shinshu-”theologie” en het gesprek ging dan ook over een probleem waarmee veel Shinboeddhisten geconfronteerd worden, nl. het probleem van bonno en hakarai, blinde driften en ego-berekeningen.

Men zegt weleens dat mensen die veel te vertellen hebben doorgaans weinig woorden nodig hebben. De professor was zo iemand. Op een gegeven moment vatte hij het hele probleem samen met de kernachtige woorden: “Bonno nicht schlecht, hakarai schlecht!” Die uitspraak - nu reeds enkele maanden geleden - was zo krachtig en to the point dat tot op heden er praktisch geen dag voorbij gaat zonder dat ik er aan terugdenk.

Men kan niet zeggen dat het probleem omtrent bonno en hakarai zich enkel beperkt tot de Jodo-Shinshu, neen, het handelt hier om een algemeen boeddhistisch probleem, nl. het probleem omtrent de werking van karma, de karmische werkzaamheid. Wat echter Jodo-Shinshu onderscheidt van andere boeddhistische scholen is de geboden oplossing.

Bonno, of blinde driften, zijn de mentale functies van begeerte en haat, van aantrekking en afkeer, die voortkomen uit blindheid of onwetendheid. Bonno maken dat we ons bestaan hier en nu ervaren als de lijdenswereld. In het Dhammapada lezen we:

“Evenals in een slecht afgedekt huis
de regen binnen lekt,
evenzo in een slecht afgedekt gemoed
lekken de driften binnen.”

Wanneer we ons gemoed bekijken merken we inderdaad dat bonno alomtegenwoordig zijn. We ervaren de wereld doorheen de bril van onze begeertes en aversies. Wanneer het regent verlangen we naar zonneschijn, wanneer we onze zin niet krijgen worden we kwaad. Ons verlangen kent geen maat, onze haat wordt niet gestild. En het is daar dat het probleem zich situeert. We spreken van ons verlangen, van onze haat alsof het hier om iets substantieels ging, alsof verlangen en haat uit zichzelf zouden bestaan.

Bonno zijn een probleem, omdat we er een probleem van gemaakt hebben. Het Mahayana-boeddhisme stelt dat de dharma’s of bestaansfactoren leegheid zijn, m.a.w. er is niets dat op zichzelf bestaat, ook begeerte en haat bestaan dus niet op zichzelf, maar zijn geconditioneerd vanuit ons ik-denken. Zolang we dit “ik” als absoluut middelpunt van deze wereld blijven beschouwen, houden we onze bonno en daarmee de lijdenservaring in stand, erger nog, creëren we vanuit onze ego-berekeningen (hakarai) voortdurend nieuwe bonno.

Saiichi zegt ons dat de scheidingslijn tussen het Reine Land en de lijdenswereld het oog is, m.a.w. de manier waarop we de dingen bekijken is van belang voor de manier waarop we ze ervaren. Vanuit het standpunt van ik bekeken, worden onze bonno belangrijk, we blazen ze op tot buitengewone proporties, maken van een mug een olifant. Vanuit de substantialiteit die we toekennen aan onze bonno maken we berekeningen, zoeken we naar manieren om aan onze begeerten te voldoen, naar manieren om af te rekenen met hetgeen we haten, zodoende raken we steeds dieper verstrikt in het web van onze bonno.

Wanneer we dit proces komen te aanschouwen, hetgeen we diep van binnen eigenlijk liever niet doen, worden we geconfronteerd met onze dwaasheid en het lijden dat er door veroorzaakt wordt. Dan groeit in ons het verlangen er iets aan te doen en gaan we op zoek naar een manier, naar middelen om onszelf te bevrijden uit deze kringloop van lijden. We gaan mediteren, slikken kalmeerpillen, sluiten ons aan bij bonno-zelfhulpgroepen. Al snel echter komen we erachter dat niets van dat alles daadwerkelijk helpt.

In Tannisho staat:

“Voor ons, die zo vol blinde passies zijn, welke ook onze praktijk moge zijn, er kan geen bevrijding uit geboorte-en-dood zijn. Hoe jammerlijk!”

Het probleem is dat we ons blijven concentreren op het uiterlijk uitroeien van onze bonno, niet echt beseffend hoe diep ze innerlijk geworteld zijn, hoe ontelbaar ze zijn. We zien in onze bonno de innerlijke vijand die onze Geboorte in het Reine Land verhindert. Hoe hard we ons ook verzetten, de stroom is onophoudelijk. Hoe we ook berekenen, er komt geen eind aan, of toch?

“Op het ogenblik dat men vertrouwd is met de gedachte dat men, gered door de onverwoordbare werkzaamheid van Amida’s Gelofte, de Geboorte in het Reine Land verwezenlijkt, dan rijst de op het uiten van de nembutsu gerichte geest op. Op dat ogenblik laat Amida ons deelachtig worden in de weldaad “omvat-en-nooit-meer-losgelaten” te worden” […] ”De reden hiervoor is dat de Gelofte werd afgelegd om de levende wezens te verlossen uit hun onmetelijk diep karmisch onheil van razend woedende blinde passies.”

(Tannisho i)

Waar we voordien de bonno als ons probleem zagen, een probleem dat we zelf dienden op te lossen, zien we nu dat Amida zich er mee bezig houdt. M.a.w. alle berekeningen die we ons voordien maakten omtrent onze bonno zijn nu overbodige ballast. Het enige wat nodig is, is Vertrouwen. Maar Vertrouwen is niet zo eenvoudig. Vertrouwen impliceert namelijk dat we onze bonno laten voor wat ze zijn, dat we ophouden te berekenen wat ons heil betreft, en dat is moeilijk. Wanneer professor Omine zegt dat bonno niet-slecht zijn, dan bedoelt hij, dat vanuit het Vertrouwen bonno geen hindernis meer vormen voor de verwezenlijking van de Geboorte. Wanneer hij zegt dat hakarai slecht zijn, dan doelt hij op het feit dat waar er berekeningen zijn, er twijfel is, en waar er twijfel is er geen Vertrouwen is. Zonder dit Vertrouwen wordt de Geboorte niet-verwezenlijkt.

Namu Amida Butsu

Ekō 68

jikōji - 慈光寺

© 2007

info-at-jikoji.com
          home