Vragen Staat Vrij

Twee vragen van FOReL-studenten (Charleroi):

Voor de boeddhist is er geen God-Schepper van mens en wereld. Mag men daaruit besluiten dat het Boeddhisme kan vereenzelvigd worden met het wetenschappelijk denken van diegenen die, wat betreft het ontstaan van het leven, eerder aan de evolutietheorie geloven, aan het toeval eerder dan aan de noodzaak?

Op een zo complexe vraag kan enkel een even complex zij het ook onvolledig antwoord worden gegeven. De Leer van de Boeddha - in al zijn vele aspecten trouwens - vertoont inderdaad lijnen die blijkbaar gelijklopend zijn met wat men doorgaans het wetenschappelijke denken noemt.

En toch bekijkt men de recente ontwikkelingen in b.v. de theoretische fysica of de polyvalente logica’s, dan kan men zich terecht afvragen of het werkelijk gaat over het “wetenschappelijk denken” zoals dat in de 19de eeuw gehuldigd werd, of over “wetenschappelijke paradigma’s” van vandaag (Schrödinger, Dirac, Hawking, Kaku…)?

Bovendien leert het Boeddhisme ons niets of zo goed als niets over de oorsprong van het leven als biologisch verschijnsel. Moet men écht tot in den treure blijven herhalen dat het gaat over de Vier Edele Waarheden van het Lijden, van de Oorsprong van het Lijden, van de Opheffing van het Lijden en van het (pragmatisch-methodologische) Pad dat voert naar de Opheffing van het Lijden? En hiermee kan men al heel wat bestaansvormen in beslag nemen…

De evolutietheorie, zowel naar Ch. Darwin en diens navolgers, als naar de moderne genetici, betreft een zeer materieel biologisch evenement, - geen spiritualiteit. Wel mag - ook in dit verband - onderlijnd worden dat die “evolutie” (die niet noodzakelijkerwijze optimistisch naar verbetering leidt) karmisch, d.i. vanuit verleden wilsdaden plus tegenwoordige keuze-beslissingen, getekend wordt, niet in een strikt-mechanistische, determinerende zin (‘fatum’, Grieks ‘anagkê’= noodzaak) van Skr. hetu, - maar als Skr. pratyaya, een voorwaarden/omstandigheden-vormende ingesteldheid, een convergentie van bedoelingen en wilsbeslissingen. Het wit/zwart-ja/neen conflict “noodlot vs. vrije wil” zoals het Westen dat kent, bestaat immers niet in de boeddhistische denkwereld, die niet-exclusivistisch is.

 

Gezien het feit dat het Boeddhisme totaal a-dogmatisch is, bestaat er voor de aanhanger van deze wijsheid volgens diens eigen intuïtie de mogelijkheid een deïst, een pantheïst, een agnosticus of een atheïst te zijn? En zo men én boeddhist én deïst is, wat stelt het Godsbegrip dan voor, vermits er geen Scheppende God is?

Laten we eerst de term ‘a-dogmatisch’ bekijken. Weliswaar stelt het Boeddhisme uiteraard geen dogma’s voorop, in de zin die de R.K.-kerk aan dit woord geeft, nl. als vastomlijnde onbespreekbare geloofsverplichting, maar toch zijn er criteria die uitmaken wat boeddhistisch en wat niet boeddhistisch is (b.v. de ‘bestaanscriteria’ dukkha - anicca - anatta).

Vanaf het moment dat een deïst of pantheïst of agnosticus of atheïst deze boeddhistische criteria tot de zijne gemaakt heeft (na, zoals de schrifturen het benadrukken, “gehoord en overwogen te hebben”), situeert hij zich in de boeddhistische stroming. In hoeverre hij dan zichzelf echter als ‘boeddhist’ beschouwt, - dat is zijn goede recht maar vooral zijn persoonlijke zaak.

Shitoku

Ekō 68
Vragen Staat Vrij

jikōji - 慈光寺

© 2007

info-at-jikoji.com
          home