Editoriaal - Sangha: Dat Is…?

In de nu schier onontwarbare papierrommel van mijn ‘kantoorruimte’ vond ik daarnet een brief van een Mevr. H. uit Nederland terug. Ze had deze brief geschreven na een bezoek aan Jikoji ter gelegenheid van een O-Bonviering. Hier komt een stuk uit de inhoud van deze (erg) lieve brief:

“Heel hartelijk bedankt voor uw gastvrij onthaal in uw tempel. Het heeft een diepe indruk op ons gemaakt. Op mij heeft vooral uw lering en de gezellige sfeer in de tuin indruk gemaakt. (…) We hopen dat steeds meer mensen uw tempel zullen bezoeken en van de sfeer die ervan uitgaat zullen genieten. (…)”

Mijn spontane vraag bij deze her-lectuur was uiteraard: waarvan­daan komt zo een ‘gezellige sfeer’? We zijn toch geen café, geen sociaal clubje, geen animatiegroep? Maar het is zó dat er inderdaad heel vaak onder ons een ‘gezellige sfeer’ heerst. En is die écht noodzakelijk en/of efficiënt? Van mezelf weet ik best dat ik meest al niet zo een leuke ouwebol ben, en beslist geen entertainer…

Toch: wat vaak heb ik de indruk dat de sangha van Jikoji best ‘gezellig’ kan zijn, met ‘leuke’ mensen. Je moest onze sangha eens zien bij de tempelschoonmaak of bij de tuinverzorging; je moest onze sangha eens horen bij de vaat in de keuken…

Want dàt is nu juist sangha: de gemeenschap, het kunnen-samen­zijn. Niet als enig ‘collectief lichaam’, niet als organisatie of institutie, niet als ‘kerkelijk verband’. In het Shinboeddhisme zijn we immers allen leken ‘noch monniken noch niet-monniken’, allen samen op dezelfde weg naar Verlichting. We zijn mensen die als gelijken eerbied hebben voor de anderen en die eerbied zowel in de ernst van de erediensten als in de vrolijkheid van het samenzijn kunnen beleven en uitstralen.

Shinran zei dat wij allen, omvat en niet-losgelaten door de Gelofte-Kracht, samen-mede-reizigers op het pad naar het Reine Land zijn. Zeker voor hem - na zijn 20-jarige ervaring van het kloosterleven (1) - kreeg het begrip ‘sangha’ die brede betekenis van ‘gemeenschap van alle wezens’ in hun onderlinge betrokkenheid.

Nu weet ik wel dat er heel wat boeddhistische stromingen zijn waarin aan ‘sangha’ een restrictieve, ietwat ook elitaire betekenis wordt gegeven: b.v. de verzameling monniken van een bepaald klooster, de goeroe te midden van zijn ‘discipelen’, soms zelfs alle boeddhistische monniken en lama’s en goeroes ter wereld. Of - iets meer uitgebreid - alle leden (monniken + leken) van een bepaalde tempel. Het is in deze zin dat men kan spreken b.v. van de ‘sangha in Jikoji’…

Maar:

1 - In de Jodo-Shinshu kennen we zulk onderscheid tussen monniken en leken niet. Shinran drukte dat inderdaad uit door te stellen dat hij “noch monnik noch niet-monnik” was (sō ni ara zu zoku ni ara zu), zoals men lezen kan in zijn naschrift van Kyogyo­shinsho én in Tannisho. En voelt u ook hierin het vierde tetralemma van de boeddhistische logica?

2 - Hij specificeerde dit door te stellen dat hij, “Shinran, niet één discipel had” (Tannisho vi). Ons begrip ‘volgeling van’ krijgt ook hiermee-weer-eens een flinke deuk. Een sangha is dus geen gemeenschap van ‘volgelingen’ (= zij die volgen… “au suivant”, zong Brel) geschaard rondom een ‘meester’ of rondom een ‘kerk’.

3 - Kan men zich nog een gemeenschap voorstellen af-gekloos­terd van de ‘wereld’, ook al is die wereld een ‘lijdenswereld’, met zijn meer dan ontelbare wezens (2)? “Ik wél, de anderen niet!” Waar blijft in deze optiek Boeddha’s Oneindige, Onmeetbare, Onvoor­waardelijke Mededogen?

4 - Elkeen die wil (en die toch wat van de gebruikelijke Jikoji­-liturgie ervaring heeft…) kan in Jikoji bij de eredienst voorgaan, kan in zijn ‘dharma-talk’ zijn visie voorstellen. Het gebeurt wel eens dat er achteraf over kan gediscussieerd worden, maar tot nu toe heeft dat nog geen ruzie opgeleverd. Misschien verklaart deze procedure ook de nadruk die we in Jikoji leggen op ‘onderricht’, d.i. algemeen onderricht ook over het ‘algemeen’ Boeddhisme, daar waar de meeste andere instituten zich maar al te graag beperken tot de (ingebeelde…) veiligheid van de eigen overtuiging.

En toch heet het: “Sangham saranam gacchami” d.i.: “Ik ga naar de sangha als [mijn] toevlucht”.

Ik zou hier - mag ik? - toch even een andere interpretatie willen geven aan ‘gemeenschap’: liefst zoiets (semantisch) als in de ‘geslachtelijke gemeenschap’, nl. de intieme Gemeenschap met Amida Boeddha’s Gelofte-Kracht (gan-riki). Amida niet enkel zien, niet enkel ervaren als het universele Grote Mededogen-Wijsheid dat tijd-en-ruimte overstijgt, of als de onvoorstelbare Dharmakaya van de ware wezenheid der dingen (dharmakāya-dharmatā), maar gewoon als Moeder-Vader (Skr. mātā-pitri) of als Eerbiedwaardige Liefhebbende Ouder (J. Oya-sama), waarmee men hier-en-nu een

familierelatie heeft. Het voorbeeld van de myokonins is hiervan een roerende getuigenis.

Gemeenschap. Inderdaad, zo laat Shinran horen, daar waar we getweeën zijn (b.v. ik + Shinran), daar is ook de derde, Amida bij. Men kan zich dus geen echte Gemeenschap als sangha voorstellen zonder Amida.

Maar Amida is de Geboorte in het Reine Land (3). Amida’s nabije Gemeenschap betekent ‘behoren tot de niet-terugvallers’, betekent ‘gelijk zijn aan Maitreya, de Boeddha van de toekomst’. Betekent ook het wegvallen van alle berekeningen en verwachtingen en bekommernissen en illusies omtrent nirvana, verlichting etc.

Een Jodo-Shinshu sangha geniet immers van de spirituele vrijheid van het Volmaakte Vertrouwen (4). Is het misschien daarom dat het in Jikoji er meestal zo ongedwongen, zo ‘gezellig’ aan toe gaat, dat elkeen er zichzelf kan/mag zijn, Shinboeddhist of niet?

In de Jodo-Shinshu traditie - en dus in Jikoji - is de Drievoudige Toevlucht in feite de éne toevlucht in Amida, het Oneindige Boed­dhaschap - of beter nog: Namu Amida Butsu -, in zowel de Boed­dha in zijn aspect van onbegrensdheid, als de Leer in zijn vervulling (de 18de Gelofte!) en de Gemeenschap van Amida met/in/doorheen alle wezens.

En wat belet bijgevolg de Jikoji-sangha dan nog te genieten van een ‘gezellige sfeer’?

Namu Amida Butsu.

Shitoku

(1) Ons Nederlands ‘klooster’ komt van het Latijn claustrum dat ‘afscheiding’ betekent.

(2) Een ‘wetenschappelijke’ veronderstelling raamt het aantal levende wezens - enkel reeds op de planeet Aarde - op meer dan 10 tot de 10 156-de macht, d.i. het getal 10 gevolgd door 10 256 nullen.

(3) Deze uitspraak kan allicht wat onorthodox klinken.

(4) Daniëlle Girardin. “En er is toch Mededogen!”

Ekō 69

jikōji - 慈光寺

© 2007

info-at-jikoji.com
          home