Het Vimalakirti-Nirdesa Sutra (1)

Katrien Haemers

Blijven in de wervelstorm van samsara
en zich-niet-goed bevinden in de rust van nirvana:

“De grote welwillendheid die voortkomt uit Verlich­ting, het Grote Mededogen dat oprijst uit het bevatten van de ware Leer, de grote vreugde die zich open­baart uit het in-vrede-zijn van alle wezens, het grote niet-bewogen-zijn dat volgt op het bevatten van het Weten.” (1)

Dat zijn de huldewoorden die Vimalakirti gebruikt voor het om­schrijven van de Leer van de Boeddha.

De tekst heeft - zelfs in vertaling van vertaling - een warme geladenheid, iets van een muzikaal eindakkoord, met orgelpunt, dat eindeloos kan blijven doorklinken.

Die sprankelende vreugde, die warme welwillendheid, dat rustige niet-meer-bewogen-zijn: het zijn alle elementen die het hele Vimalakirti-nirdesa Sutra doorstralen, en er een heel ‘menselijke’, d.i. herkenbare toon aan geven.

Toch is de inhoud ervan niet minder ‘moeilijk’ dan vele andere teksten uit de boeddhistische literatuur.

Wanneer men weet dat de belangrijkste behandelde onder­werpen zijn: niet-tweeheid, leegheid, de bodhisattva… dan ver­wacht men niet onmiddellijk een eenvoudige tekst.

Toch is deze tekst niet vulgariserend, maar de verwoording, het gebruik van de aangrijpende beelden, spreekt een menselijke eigenschap aan die in andere teksten vaak verwaarloosd wordt.

Vimalakirti spreekt de mogelijkheid tot emotie aan: mis­schien wat vreemd voor iemand die spreekt over het ‘grote niet-­bewogen-zijn’. Hij roept echter geen emotionaliteit op. Is dat een paradox? Misschien wel. Vimalakirti is een meester in het para­doxale. Maar wel op een totaal andere manier dan de Zen-meesters die hanteren.

Zijn ‘techniek’ brengt de toehoorders niet in de verwarring van de paradox, maar onderstreept juist de kracht van de uitspraak. De paradox is hier geen vlijmscherp mes waaraan men zich pijnlijk verwondt, maar eerder een raam dat opengestoten wordt en het licht laat binnenstromen, een masker dat afgerukt wordt, de brandende lont die vuurwerk ontketent.

De toehoorder wordt niet afgestoten door Vimalakirti’s paradoxale uitspraken: hij smakt hem juist binnenin de tastbare werkelijkheid van het conceptueel-zo-moeilijk-tastbare.

De eerbiedwaardige E. Lamotte s.j. heeft in zijn werk aangaande het Vimalakirti-nirdesa Sutra zijn enthousiasme nauwelijks kunnen verbergen: hij ziet in dit werk een beeldrijke illustratie van de Mulamadhyamika-karika van Nagarjuna, en daardoorheen van het hele Mahayana-boeddhisme.

Mulamadhyamika-karika geeft bijvoorbeeld een omschrijving van ‘wijsheid als inzicht van leegheid’: “De glorierijken hebben de leegheid van alle verkeerde inzichten uitgesproken, maar zij hebben diegenen ongeneeslijk verklaard die aan leegheid geloven.”

Een prachtig gebalde tekst waarin ellenlange bladzijden uiteenzettingen worden uitgekristalliseerd. Vimalakirti behandelt hetzelfde gegeven door tafereeltjes te schilderen, waarin de eerbiedwaardige monniken in hun doctrinaal hemdje worden gezet, tot groot genoegen van de lezer - uiteraard!

Grote geleerden, allerheiligste asceten en geobsedeerde moraalridders krijgen geen genade in de ogen van Vimalakirti: zij zijn die ongeneeslijken die doctrinaal ‘geloven-aan’ leegheid.

Maar in de degelijkheid van het huis van Vimalakirti, in confrontatie met zijn ziek-zijn, met zijn gastvrijheid, met zijn levensvreugde, zelfs met de manifestatie van de godin, kunnen zij die leegheid niet herkennen noch hanteren.

Zij kennen de doctrine perfect, zelfs de handleidingen en gebruiksaanwijzingen kunnen ze uit het hoofd reciteren, maar geen enkele gedachte, gevoel noch gebaar verraadt iets van hun kennis.

De leegheid van leegheid is voor Vimalakirti geen metafysi­ca, geen nihilisme noch subtiel intellectueel stoeipartijtje: het is een in-zicht. Logisch doortrekken van de inhoud van een concept in de werkelijkheid van een doordeweekse dag.

Leegheid is het vlot dat men achterlaat aan de oever wanneer men de rivier is overgestoken. Een vlot heeft geen ‘waarde, beteke­nis’ tenzij aan de oever van de rivier. Het vlot is geen ‘zelf’: het krijgt enkel inhoud in relatie tot een rivier, tot een mens die de rivier wil oversteken. In het centrum van een grootstad, op een berg, in een woestijn betekent een vlot niets (misschien toch om een vuurtje te stoken?); het kan niet in relatie treden met de andere omgevende objecten.

Alles is leegheid-in-zich: de dingen bestaan slechts wanneer ze in relatie met elkaar komen te staan. Dat is de relativiteit van de dingen: een heel andere connotatie dan wanneer wij het woord ‘relativiteit’ in het dagelijkse spraakgebruik hanteren!

De dingen zijn niet zin-loos buiten hun verband met andere dingen: ze zijn leegheid. Ze kunnen elk ogenblik betekenisvol worden wanneer ze in verband met elkaar worden gebracht: leeg­heid betekent potentialiteit.

Maar het is niet alleen de leegheid die een groot geheim blijft voor de monniken.

Elk aspect van de Leer en van de praktijk blijft buiten het bereik van deze nijvere sravaka’s: ze hebben het steeds weer verkeerd begrepen. Het Vimalakirti-nirdesa Sutra laat ze in een lange stoet aan ons oog voorbijtrekken: een voor een hebben ze een verhaal te vertellen waarin Vimalakirti hen op een vriendelijke - ­maar pijnlijke - manier heeft duidelijk gemaakt dat ze met hun allerbeste bedoelingen volkomen naast het juiste pad aan het dwalen zijn, en het zelfs niet eens beseffen…

De eerbiedwaardige Sariputra - boven alle twijfel verheven - ­is terechtgewezen omdat hij volgens het boekje wil mediteren: “Ge moet niet mediteren zoals gij dat doet” zegt Vimalakirti zonder blikken of blozen, “ge moet niet lichaam en geest manifesteren in de drievoudige wereld; maar neem een gewone houding aan. Ge moet geen afstand willen doen van al uw verworven spirituele eigenschappen, maar gedraag u steeds als een gewone leek. Ge moet geen ontkennende houding aannemen, maar een bevestigen­de.”

Sariputra blijft in woordeloze verbazing achter: hij weet niets in te brengen tegen zo een nuchtere vaststelling.

Kasyapa wordt er op zijn beurt op gewezen hoe hij moet bedelen: hij moet niet alleen bij de armen gaan, hij moet alle wezens de kans geven. Bovendien moet hij bedelen met de idee van niet-eten: “Voedsel aannemen door niet-te-nemen, zoals de blinde kleur ziet, zoals de echo de klank weergeeft, zoals de wind geuren draagt, alles wat aangeraakt kan worden zonder aan te raken…”

Subhuti haalt zich de bijtende kritiek van Vimalakirti op de nek omwille van zijn gehechtheid aan ascetische praktijken: ook ascese kan een teken van extreme gehechtheid zijn.

Purna, die een uitblinker is in het prediken van de Leer, wordt evenmin gespaard door Vimalakirti: “Onderzoek eerst de gedachten van de monniken alvorens hun de Leer te prediken,” waarschuwt Vimalakirti. En: “Giet geen bedorven voedsel in een waardevolle kom! Begrijp eerst wat de verwachtingen van de monniken zijn: verwar een beryl, die een edelsteen is, niet met een kwetsbare gewone glasparel. Breng geen verwondingen aan bij hen die niet verwond zijn. Wijs geen kronkelpaadjes aan hen die de grote weg zoeken. Giet de grote zee niet in de sporen van een os. Stop de berg Sumeru niet in een mosterdzaadje. Verwissel de zonneschijn niet met het lichtje van een glimworm. Stel het gebrul van de leeuw niet gelijk aan het blaf­fen van de jakhals.”

Na deze woorden wil Purna niet zo graag een nieuwe con­frontatie met Vimalakirti aangaan.

Zelfs Rahula, zoon van de Boeddha en Yasodhara, ontkomt niet aan de vlijmscherpe taal van Vimalakirti: “Uit de wereld treden is niet zich de haren afsnijden, maar een grote kracht ontwikkelen om de passies op te heffen van alle wezens. Het is niet het gele kleed dragen, maar bij alle wezens die gedachten opheffen die beladen zijn met begeerte, haat en verdwazing. Het is niet zelf een moreel gedrag manifesteren, maar de moraliteit-op-zich loslaten.

Het is niet mediteren in de eenzaamheid van het woud, maar in de wervelstorm van samsara blijven en dààr wijsheid en heilzame middelen ontwikkelen om wezens tot bevrijding te brengen… Het is niet zozeer zelf een goede gesteldheid ontplooien, maar zorgen dat de wezens hun heilzame wortels ontwikke­len. Het is niet zelf in nirvana intreden, maar de wezens bijstaan om nirvana te verwezenlijken. Het is niet zichzelf-goed-bevinden in nirvana, maar zijn kracht ontplooien opdat de wezens het pad van de Leer zouden volgen…

De wereld-verlaten mag niet beladen zijn met voorde­len of kwaliteiten. De jongelingen hebben geen toe­stemming van hun ouders nodig om de wereld te verlaten: jongelieden, verwezenlijkt enkel de gedach­te aan de opperste en volmaakte verlichting, en ver­toon een goed gedrag, want dat is het uittreden uit de wereld en de zegening die de monnik uitmaken…”

De aanspreekwijze van dit fragment is zó direct dat de lezer zelf a.h.w. de aangesproken persoon wordt: het is tot mij persoon­lijk dat Vimalakirti zegt dat ik de Leer niet moet beleven doorheen uiterlijke tekenen die vooral bedoeld zijn om indruk te maken op anderen.

Als ik de Leer wil beleven, dan moet ik vooral ophouden met naar moraliteit, ascese of volmaaktheid te streven. Ik moet enkel mijn eigen streven loslaten en een gunstige leefwereld schep­pen waarin wijsheid en mededogen zich kunnen manifesteren, zichtbaar kunnen worden voor alle wezens; waardoor verlichting zich kan verwezenlijken, onafgezien van persoonlijke ambities.

De Leer van de Boeddha wordt het best gediend vrij van afkeer voor samsara. “Blijf in de wervelstorm van samsara!” roept Vimalakirti uit.

Tussen alle bedrukte, terechtgewezen monniken en wijzen, verschijnen plots twee frisse jonge neofieten die hun bewondering voor Vimalakirti niet onder stoelen of banken steken: “Het is toch buitengewoon dat een huisvader (griha­pati) begaafd is met zo een wijsheid en welsprekendheid…! Zelfs Upali, die door de Boeddha de ‘Behoe­der van de Vinaya-regels’ is genoemd, kan hem niet evenaren!”

Een verfrissend moment van ironie, een klein tafereeltje dat zich voor het oog afspeelt en op een ongewone wijze het gewicht van de uiteenzettingen doorprikt en licht maakt. Ironie en speelsheid zijn nooit ver weg in het Vimalakirti-nirdesa Sutra.

Ook wanneer Vimalakirti alle eerbiedwaardigheid van de hele monnikengroep platwalst, neemt hij zichzelf niet te erg au sérieux: er blijft altijd plaats voor al het menselijke, ook en vooral het lachen, de humor als menselijke vorm van mededogen.

(wordt vervolgd)

(1) De teksten zijn vrij vertaald uit E. Lamotte, L’Enseignement de Vimalakirti. Ook de enthousiaste inspiratie voor deze tekst is nog bevorderd door E. Lamotte.

Ekō 69
Het Vimalakirti-Nirdesa Sutra

jikōji - 慈光寺

© 2007

info-at-jikoji.com
          home