Jodo-Wasan (5: 25-32)

Hymnen van het Reine Land

Shinran Shonin

Vertaling en nota’s: Rev. Yuho B. Van Parijs

Lofprijzingen ter ere van Mahāsthāmaprāpta Bodhisattva
Gebaseerd op het Sūrangama Sūtra (1) (8 hymnen)

(1) Shuryōgon Gyō: populaire Chinese benaming voor het Sūrangama Sūtra; de volledige titel luidt: ‘Daibutsuchō Nyorai Mitsui Shushō Ryōgi Shobosatsu Mangyō Shuryōgon Gyō’, in 10 chüan, vertaald door Pāramiti (Tangdynastie, 618-907). Het sutra zet uiteen hoe men in zichzelf het Gemoed ter Verlichting (bodhicitta) dient te ontwikkelen, en hoe men de Weg naar de Verlichting in praktijk omzet. Het sutra kende een grote populariteit in China en Japan. Shuryōgon (Skr. sūrangama) betekent ‘moedige praktijk’, het is de naam van een samādhi (Shuryōgonjō) waarin men moedig ten strijde trekt tegen de legers van kwade passies met het doel deze te overwinnen. De volgende acht hymnen zijn gebaseerd op het vijfde hoofdstuk van dit sutra.

[25] (R111)

Mahasthamaprapta (1), die door de Nembutsu
de Volkomen Ongehinderde Toestand (2) verwezenlijkte;
Stond op van zijn plaats;
Samen met tweeënvijftig bodhisattva’s,

Boog hij zich in eerbied ter aarde aan Boeddha’s voeten.

(1) Seishi of Daiseishi (Skr. Mahāsthāmaprāpta): is één van de twee bodhisattva’s (naast Avalokitesvara of Kannon) die Amida Buddha vergezellen. Seishi, die meestal gesitueerd is aan Amida’s rechterzijde, is de verzinnebeelding van de (Intuïtieve) Wijsheid.

(2) Emu: lett. ‘rond en doordringend’. En refereert hier naar de volkomen en universele natuur van de Zo-heid; en tsu of zu naar de ongehinderde activiteit van de Verlichting. Samen verwijzen ze naar Verlichting of Zo-heid. In het vijfde hoofdstuk van het Surangama Sutra verklaren 25 bodhisattva’s om beurt hoe zij deze volkomen ongehinderdheid verwezenlijkten.

[26] (R112)

Aan de Meester (1), de Wereld-Geëerde, verkondigde hij:
“In het verleden, zoveel kalpa’s geleden als er zandkorrels in de Ganges zijn;
Verscheen er een Boeddha in de wereld;
Zijn naam was ‘Onmeetbaar Licht” (2).

(1) Kyōshu: lett. ‘Dharma-Meester’. Verwijst hier naar Sakyamuni Buddha.

(2) Muryōkō: ‘Onmeetbaar Licht’. Het Surangama Sutra vermeldt twaalf verschillende Boeddha’s waarvan de eerste de ‘Boeddha Onmeetbaar Licht’ is. De namen van deze Boeddha’s komen overeen met de 12 benamingen die worden gegeven aan Amida’s Licht (zie hierover Ekō 66-67). In de Jodo-Shinshu worden deze twaalf Boeddha’s geïnterpreteerd als manifestaties van de oorspronkelijke Amida Buddha.

[27] (R113)

Twaalf Tathagata’s volgden hem, de één na de ander;
Zo verliepen er twaalf kalpa’s;
De laatste Tathagata werd
‘Licht dat Zon en Maan Overtreft’ (1) genoemd.

(1) Chōnichigakkō: ‘Licht dat Zon en Maan Overtreft’, zie hieromtrent ook JW (R15).

[28] (R114)

‘Licht dat Zon en Maan Overtreft’
Onderwees mij (1) Nembutsu Samadhi (2).
De Tathagata’ s uit de tien richtingen
Denken aan de wezens als betrof het hun enig kind (3).

(1) Kono mi: betekent letterlijk ‘dit lichaam’, vandaar ‘mij’.

(2) Nembutsu zammai: sammai of zammai, (Skr. samādhi) is concentratie/contemplatie, cfr. Edele Achtvoudige Pad. Nembutsu Samādhi verwijst dan naar de geconcentreerde praktijk van het reciteren van de Nembutsu; of naar de concentratie die resulteert uit het reciteren van de Nembutsu. Dit is de Nembutsu van de 20ste Gelofte, de jiriki- of zelfkracht-nembutsu, zoals die o.a. door Shinran’s Leraar Honen werd beoefend.

Lees hieromtrent o.a. Amida Samādhi and Nembutsu Samādhi van H. Inagaki in The Pure Land, new series No. 2; Sh. A. Peel, Filosofie en Mystiek…, p. 97-103.

(3) Denken we hierbij aan de wondermooie passage uit het Mettā Sutta: “Zoals een moeder haar eigen kind, haar enig kind levenslang beschermt,…”; of aan Shinrans onvergetelijke uitspraak in het postscriptum van Tannisho: “Wanneer ik aandachtig Amida’s Gelofte overweeg, die oprees uit vijf kalpa’s van meditatie, dan realiseer ik dat het allemaal voor mij, Shinran alleen was!”

[29] (R115)

Wanneer, gelijk het kind aan zijn moeder denkt,
de wezens aan de Boeddha zouden denken (1);

Dan zouden zij zonder twijfel de Tathagata zien;
In dit huidige leven, of in de nabije toekomst (2).

(1) Alhoewel de Japanse tekst het woord okusu (denken aan, her-inneren) gebruikt, gaat het m.i. hier om de oorspronkelijke betekenis van de term nien-fo (J. nembutsu): nl. het ‘denken aan de Boeddha’, ‘de Boeddha in gedachten houden’.

(2) Genzen tōrai: lett. ‘voor ogen hebben en in de toekomst’. Wanneer men aan Amida denkt, ‘ziet’ men hem nog in dit huidige leven, - of in de toekomst, m.a.w. na de Geboorte in het Reine Land, d.i. na onze fysische dood. In het Amida-kyo lezen we: “Is er, Sariputra, ergens een goed man of een goede vrouw die over deze Boeddha Amitayus heeft gehoord en die zijn Naam met een onvertroebeld gemoed in gedachten houdt, één dag, twee dagen, drie, vier, vijf, zes of zeven dagen, wel, die zal dan op het stervensmoment Boeddha Amitayus met zijn edel gevolg zien verschijnen”. In het Meditatie-sutra lezen we: “Hou deze leerrede in uw geest, vergeet ze niet. Zij die deze concentratie beoefenen zullen, nog in dit bestaan, in staat zijn de Boeddha van het Oneindige Leven en de twee Mahasattva’s [Avalokitesvara en Mahasthamaprapta] te aanschouwen” [… ] “Hou deze woorden steeds in uw gemoed. Vasthouden aan deze woorden betekent vasthouden aan de Naam van de Boeddha van het Oneindige Leven”.

[30] (R116)

Zoals de met wierook geparfumeerde mens(1)
doordrongen is van de geur van wierook;
Zo noemt men deze [mens]
‘Getooid met het Licht van Wierook’ (2).

(1) Zenkōnin: ‘met wierook geparfumeerde mens’: iemand die veel met wierook omgaat, m.a.w. iemand die veel tijd in de tempel of voor het huisaltaar doorbrengt, ruikt op de duur naar wierook, is ervan doordrongen. De vergelijking is hier met een mens die onafgebroken de Nembutsu reciteert.

(2) kōkōshōgon: ‘Getooid met het Licht van Wierook’. De mens van de Nembutsu is getooid met de wierook van Amida’s Deugd, en het Licht, of de gloed, van Amida’s Wijsheid.

[31] (R117)

In mijn causale toestand (1);
Was het enkel door te verblijven in het Gemoed van Nembutsu (2);
Dat ik inzicht verwierf in het Niet-Ontstaan (3) [der dingen].
NU, in deze wereld van verduren (4) …

(1) Inji: ‘Causale Toestand’. De toestand waarin een bodhisattva verblijft voor hij het Boeddhaschap verwezenlijkt. Zie o.a. Shoshinge vers 1.

(2) Nembutsu [no] shin: ‘Gemoed van Nembutsu’, d.i. het gemoed waarin de Nembutsu constant wordt gehoord.

(3) Mushōnin: samentrekking van mushōbōnin (Skt. anutpattika-dharma-ksānti), d. i. het inzicht of de directe perceptie van de waarheid dat dharma’s, of dingen, noch ontstaan, noch vergaan; m.a.w. het inzicht in de Leegheid (Sunyata) der dharma’s.

(4) Shabakai: ‘Sahā-wereld’ of de ‘Wereld van Verduren’. Deze wereld wordt zo genoemd omdat de wezens die erin leven veelvuldige vormen van lijden dienen te verduren.

[32] (R118)

Omvat (1) ik de mens van Nembutsu,
en breng ik hem ertoe het Reine Land te betreden.
Betuigen we onze diepe erkentelijkheid
voor Mahasthamaprapta’s Grote Weldadigheid.

(1) Sesshu: lett. ‘omarmen en aanvaarden’, is hier uiteraard bedoeld in de spirituele zin van het woord. De Boeddha, of in dit geval Mahasthamaprapta [wat is het verschil?] omvat ons, aanvaardt ons zoals we zijn!

De bovenstaande hymnen betreffen Mahasthamaprapta Bodhisattva, het oorspronkelijke lichaam van Genkū Shōnin (1).

(1) Genkū Shōnin gohonji: ‘De oorspronkelijke toestand, of het oorspronkelijke lichaam van Hōnen Shōnin’. Net zoals Shinran zijn vrouw Eshinni altijd als een manifestatie van Avalokitesvara [Mededogen] heeft gezien, zo heeft hij ook levenslang zijn meester Hōnen als manifestatie van Mahasthamaprapta [Wijsheid] beschouwd.

Ekō 70
Jodo-Wasan

jikōji - 慈光寺

© 2007

info-at-jikoji.com
          home