Het Vimalakirti-Nirdesa Sutra (2)

Katrien Haemers

Blijven in de wervelstorm van samsara
en niet zich-goed-bevinden (1) in de rust van nirvana:

Nadat alle monniken en eerbiedwaardige wijzen door Vimalakirti ten tonele gevoerd werden, met de bedoeling hun fundamenteel verkeerd-begrijpen van de Leer duidelijk te maken, wil Vimalakirti - zichzelf getrouw - toch ook de zaken in hun juiste verhouding herstellen. Het is duidelijk niet zijn bedoeling om een bepaalde groep volgelingen (de sravakayana: de monniken) terecht te wijzen: hij wil veeleer een bepaalde zienswijze, bepaalde praktijken, maar vooral een bepaalde gemoedsgesteldheid laten zien waarin weinig Wijsheid of Mededogen te bespeuren valt.

Daartoe laat hij niemand minder dan een godin (devi) optreden in een dialoog met de wijze Sariputra: “Devi, behoort gij tot het Voertuig van de Toehoorders (sravakayanika), of tot het Voertuig van de Voor-Zichzelf-Boeddha’s (pratyekabuddhanika), of tot het Grote Voertuig?” Enigszins tegen de verwachting in antwoordt deze: “Aangezien ik spreek over het Voertuig van de Toehoorders. ben ik sravakayanika, aangezien ik doorheen de Poort van het Ontstaan in Afhankelijkheid gegaan ben, ben ik pratyekabuddhanika; omdat ik nooit het Grote Mededogen verloochen, ben ik Mahayanika.”

Een godin die een dergelijke wijsheid en dergelijke welsprekendheid heeft verworven - zelfs in de ogen van Sariputra – bevestigt uitdrukkelijk dat er geen voorkeur bestaat voor welk Voertuig dan ook: elk heeft zijn eigen typische kenmerken en kan leiden tot verwezenlijking van de Verlichting.

De Trikaya-leer kan filosofisch ondersteund uiteengezet worden; evengoed kan deze leerstelling in een tafereeltje zichtbaar gemaakt worden: “Omdat ik niets heb verworven, omdat ik niets heb gerealiseerd, zijn Wijsheid en Welsprekendheid mijn deel geworden. Zij die denken dat ze iets verworven of gerealiseerd hebben, zijn verdwaald (abhimanika: ‘zichzelf bedriegend’).”

Geen enkel Pad is verkeerd op zich: enkel diegene die het Pad volgt kan verblind zijn door zijn streven, ook al is dat een streven naar Wijsheid.

Het niet-meer-streven is een geestesgesteldheid die men kan aannemen, tot welke groep volgelingen men ook behoort, welk Pad men ook volgt. Maar Sariputra heeft het nog steeds zo niet bekeken. Hij blijft fladderen, gevangen in het web van zijn denk-constructies:

“Maar Devi, is het niet juist het uitroeien van het begeren, van de afkeer en van de verdwazing die tot bevrijding leiden?”

- “Het is voor diegenen die verstrikt zitten in woorden en voorschriften dat de Boeddha dat heeft gezegd. Maar voor hen die niet op die denk-paden verdwaald zijn heeft hij gezegd dat zelfs streven en afkeer en verdwazing bevrijding kunnen betekenen door zichzelf.”

Sariputra doet er het zwijgen toe - voor een ogenblik althans. Stilzwijgend lijkt hij toe te geven dat geen enkele menselijke handeling goed of slecht is op zichzelf, maar alles kan worden naargelang ze gestuurd wordt door een gemoedsgesteldheid, door menselijk oog en menselijk hart dat de handeling kleurt. Een wapen is niet gevaarlijk op zichzelf: dat wordt het pas in handen van iemand die verblind is door haat. Afkeer kan een heilzame handeling zijn tegenover b.v. bedwelmende middelen; een geneesmiddel kan gif worden. En ook een mooi geschenk kan vergiftigd zijn.

De Devi verheugt zich zodanig om alles wat gebeurt in het huis van Vimalakirti dat haar vreugde zichtbaar wordt in een hemelse bloemenregen. De bloemen die neerdwarrelen over de Bodhisattva’s, vallen zachtjes neer op de grond. Maar zo vergaat het niet met de ‘Grote Toehoorders’: ze maken gebruik van al hun krachten, maar slagen er niet in de bloemen af te schudden (2).

Verbaasd vraagt de godin aan Sariputra waarom hij zo lelijk tekeer gaat tegen de bloemen. Gewetensvol antwoordt deze: “Godin, bloemen zijn ongepast voor religieuzen; daarom verwerpen wij ze.” De godin is scherp in haar antwoord: “Eerwaarde Sariputra, zeg dat niet! Waarom zou dat zijn? Met die bloemen is niets aan de hand, maar wél met u allen, eerbiedwaardigen, scheelt er iets! En hoe komt dat? Die bloemen zijn enkel bloemen, zonder bijgedachten noch fantasieën. Gij zijt het, de Ouderen, die gedachten en verbeeldingen construeert. Waarde Sariputra, dergelijke gedachten en verbeeldingen zijn ongepast voor hen die zich uit de wereld hebben teruggetrokken en leven volgens de voorschriften van de Leer. Zij die geen denk-constructies opzetten en niet wegglijden in hun verbeelding gedragen zich ‘gepast’. Waarde Sariputra, kijk naar de Bodhisattva’s Mahasattva’s: bij hen blijven de bloemen niet kleven, want zij hebben alle fantasieën en denken losgelaten.”

Bloemen zijn ‘maar’ wat ze zijn: noch goed noch ongepast. Maar de kronkels van de menselijke geest maken er begeerlijke of ongewenste dingen van. Waarom de bloemen wegslaan die zich op ons pad bevinden? Waarom de vreugde afwijzen die hun schoonheid, kleur en geur ons schenken?

Waarom het genot als ‘verboden’ afwijzen? Waarom bloemen als onkruid uit de tuin wegzuiveren?

Religies bieden aan hun volgelingen ethische regels als hulpmiddel om tot verlossing te komen. Maar dit hulpmiddel wordt vaak een doel op zich: het ultieme houvast dat een absolute wet wordt.

Zo kon ook het Boeddhisme ont-aarden tot een pseudo-ascetische levenswijze, waarin alles wat mooi, aangenaam of vreugdevol is zou verboden zijn. Hoe zou het heil erin kunnen bestaan alles wat tot het menselijk “leven” behoort te verwerpen?

Soberheid, onthechting, ascese kunnen enkel hulpmiddelen zijn die tot Wijsheid kunnen leiden als ze op de juiste tijd en plaats aangewend worden. En vooral: vanuit de juiste gemoedsgesteltenis!

In onze geprefabriceerde tuintjes - die er toch altijd mooi en proper moeten uitzien - kunnen de heerlijkste bloemen een kwelling worden.

In onze genetische manipulatiewoede hebben we de bloemen steeds ‘verbeterd’ tot ze verworden tot rozeknopjes die er niet meer in slagen zich te openen voor het licht. Hoe onweerstaanbaar veldbloemen te plukken om ze in huis te ‘hebben’, ook al zullen ze geen uur overleven in deze gevangenschap. Allemaal bloemen, vol kleur en geur en wilde schoonheid, tegenover mensen die ze willen vasthouden, verwijderen, veranderen…

Schoonheid, liefde, vreugde, genot zijn niet in se tegengesteld aan Wijsheid en Mededogen. Is schoonheid geen vorm van Mededogen? Maar het oog, het hart, de geest gedraagt zich soms tegengesteld aan Wijsheid en Mededogen. Het zicht wordt vertroebeld, verlangen kluistert ons hart, angst of afkeer jagen ons weg. Manipuleren wordt een obsessie. Want wij zullen ‘le meilleur des mondes’ maken.

Toch is er niets zo eenvoudig als vrij-blijven van dat alles.

Sariputra’s ijver is nog steeds niet uitgeput; integendeel, hij begeeft zich op steeds moeilijker terrein: “Godin, waarom verandert ge niet van geslacht?”

Een dergelijke vraag, in hedendaagse constellatie, is zo goed als ondenkbaar, maar klonk toen wel enigszins anders.

Lamotte wijst er in zijn commentaar op dat deze vraag niet zo ongewoon is in de boeddhistische traditie. In meerdere Mahayana-sutra’s komt het voor dat vrouwen ‘veranderen’ in mannelijke bodhisattva’s (b.v. de dochter van Sagara in Saddharmapundarika en de dochter van Mara in Mahasamnipata). Maar de godin wil aan Sariputra de leegheid van alle dharma’s (en dus ook van vrouwelijke verschijningsvorm) laten zien, en weigert hem daarom deze transformatie: “Sinds twaalf jaar woon ik in dit huis en heb ik gestreefd naar de vrouwelijke natuur zonder ze ooit te verwerven. Hoe zou ik nu kunnen veranderen? Eerbiedwaardige Sariputra, als een handige magiër door metamorfose een magische vrouw zou scheppen, zoudt gij haar dan kunnen vragen waarom ze haar natuur niet verandert?”

Sariputra heeft het woord ‘magie’ gehoord en begrepen: “Natuurlijk niet, godin, elke magische schepping is irreëel (illusie). Hoe zou ze dan kunnen veranderd worden?”

Maar de godin heeft niet zo een groot vertrouwen in het ‘begrijpen’ van Sariputra. Hij behoort tot diegenen die “eerst zien en dan geloven”. Daarom geeft ze hem een toemaatje van de verschijningswereld die vol ‘illusies’ van magische schepping zit: ze geeft hem haar eigen verschijningsvorm en wordt zelf Sariputra.

Deze verliest er zijn goed humeur niet bij: hij stelt nuchter vast dat hij niet weet hoe dat gebeurd kan zijn.

“Wel, Sariputra, zoals gij nu als vrouw verschijnt, zo verschijnen alle vrouwen onder de vorm van een vrouw, maar daarom zijn ze geen vrouwen.”

Het ‘vrouw-zijn’ behoort niet tot de essentie van de mens, maar tot de accidentele, uitwendige, materiële wereld. Dat die vele illusies schept - zowel bij mannen als bij vrouwen - hoeft niet bewezen te worden. Of?

Waarna de Devi haar spelletje beëindigt en Sariputra in zijn eerbiedwaardige mannelijkheid herstelt.

Eens te meer besluit Sariputra deemoedig dat hij het nu eindelijk begrepen heeft.

Zou een dergelijke tekst ook aan onze huidige vrouwenbewegingen nog iets kunnen duidelijk maken, om ook door “het lijden op te heffen?”

(wordt vervolgd)

(1) Deze voor-titel in gewijzigde toestand is geen drukfout: deze kleine nuance verlegt een accent met betekenis.

(2) Bloemenkransen en parfums rijn wereldse sieraden die de monnik niet passen.

Ekō 70
Het Vimalakirti-Nirdesa Sutra

jikōji - 慈光寺

© 2007

info-at-jikoji.com
          home