Het Vimalakirti-Nirdesa Sutra (3)

Katrien Haemers

Blijven in de wervelstorm van samsara
en niet zich-goed-bevinden in de rust van nirvana:

 

Alle aanwezigen hebben zich ‘hersteld’ van het ongewone tafereel dat zich heeft afgespeeld tussen de Devi en Sariputra. Vimalakirti ziet dat Mańjusri op weg is naar zijn huis, en wil zich op diens komst voorbereiden. Om plaats te kunnen bieden aan de eerbiedwaardige bodhisattva en zijn uitgebreid gevolg, wil hij zijn huis leeg maken: dat valt hem niet zo moeilijk, in zijn geest draagt hij stoelen, tafels en bedden uit huis, zelfs de knechten en de portier laat hij verdwijnen.

Waarom zou hij dit ‘mirakel’ niet kunnen verwezenlijken? Alles speelt zich toch af in de geest? En zoals vaak voorkomt in boeddhistische teksten is ook hier het beeld van het huis een voorstelling van de menselijke geest…

De ontmoeting met Mańjusri biedt aan Vimalakirti de gelegenheid om een beeld te schetsen van de bodhisattva: het is zelfs meer dan een schets, het is een eerder ongewoon geboetseerd beeld, gemaakt naar gelijkenis met de mens, maar dan in warm licht van Groot Mededogen.

Mańjusri maakt zich zorgen over de ziekte van Vimalakirti: Wat is de oorzaak van zijn ziekte? Hoelang zal ze duren? En hoe moet ze genezen worden?...

Vimalakirti windt er geen doekjes om: “Het ziek-zijn van de wezens, dat is de oorzaak van mijn ziekte. Mijn ziekte zal zolang duren als de onwetendheid van de wezens duurt en hun dwaze gehechtheid aan het bestaan. Zolang de wezens ziek zijn, zal ik het ook zijn, Mańjusri. Zoals ouders van een ziek kind lijden als hun kind ziek is, zo is ook de bodhisattva bekommerd om de wezens zolang ze ziek zijn. Vanwaar komt dan mijn ziek-zijn? Vanwege mijn Groot Mededogen (mahakaruna).”

“Maar hoe moet men de zieke bodhisattva troosten, zodat hij weer vreugdevol kan zijn?”

“Door hem eraan te herinneren dat het lichaam een bron van pijn is, maar hem niet te overtuigen in Nirvana weg te vluchten.” (1) “Het lichaam komt tot rust, maar dat moet geen verlangen naar een definitieve rust oproepen. Zo doorloopt de zieke bodhisattva zijn eigen lichaam en geest, wordt zich bewust van het onheilzame en heilzame dat zich daar manifesteert, maar zijn gedachten blijven onaangeroerd: hij houdt zich vrij van afkeer van het onheilzame en begeerte naar het heilzame.”

“Maar hoe slaagt een bodhisattva daar dan in?” verbaast Mańjusri zich.

“Aangezien de ziekte ontstaan is vanuit on-ware afkeer, is er eigenlijk geen enkel wezen waarvan men kan zeggen dat het ‘ziek’ is (…) Wanneer de gehechtheid aan een ik opgeheven wordt, is er niets meer dat zich ziek kan noemen.”

Is het vreemd dat me hier het beeld van de ‘malade imaginaire’ voor de geest opdoemt? De beklagenswaardige oude zieke man, die zo gebukt gaat onder zijn ziekte, maar die evenzeer zijn ik-bestaan dankt aan diezelfde ziekte. Het ergste wat hem zou kunnen overkomen is dat men hem zou genezen. Maar dat zal hij zelf wel weten te verhinderen!

En wat te zeggen van al onze geestelijke ziektes, onze angsten en kwellingen, onze twijfels en schuldgevoelens die we onmerkbaar koesteren; want hoe moeten we ons ‘ik’ manifesteren zonder de steun van al die stokpaardjes? Dan zou ons ‘niets resten’ dan naakt te staan tegenover het leven, tegenover onze eigen existentie, zonder klaagmuur, zonder borstwering, zonder versterkte wallen,… Zomaar, naakt, oog in oog met ‘leven’.

“Door het geloof en de gehechtheid aan het ik uit te schakelen, door een gemoedstoestand op te wekken waarin alles ‘tot rust’ is, zonder beweging, zonder schokken, zonder opwinding. Deze ‘volledige rimpelloosheid’ gaat van de rusttoestand van het ik, naar de rusttoestand van Nirvana. Zo moet men de ziekte genezen,” besluit Vimalakirti.

En dat is mogelijk omdat beide - ik en Nirvana - leegheid zijn, ze zijn beide niets meer dan benamingen.

Sariputra was er een tijdje in geslaagd zijn mond te houden, maar dit duurt hem iets te lang. Hij schommelt van het ene been op het andere: hij maakt zich zorgen over de afwezigheid van stoelen. Laat die twee heren maar mooie theorieën verkopen, maar denkt er iemand wel aan hoe die bodhisattva’s en al die toehoorders een plaatsje kunnen vinden om te zitten?

Vimalakirti zal hem eens te meer van antwoord dienen: “Als ge de Leer volgt, moet ge u niet om het lichaam bekommeren. Het leegheid-lichaam zal wel een leegheid-stoel niet-vinden!”

Dat is de paradoxale wijsheid van Vimalakirti: bekommer u toch niet om nutteloze problemen…

Mańjusri van zijn kant heeft nog vele vragen over de bodhisattva: zo geeft hij aan Vimalakirti de gelegenheid om dat mooie beeld van een bodhisattva verder vorm te geven.

“Welke weg volgt de bodhisattva in de leer van de Boeddha?” vraagt hij zich af. (Ondertussen bijt Sariputra zijn nagels: hij had toch die vraag willen stellen!)

Het antwoord is eenvoudig, maar houdt een hele denkwereld in zich: “Mańjusri, het is door een omweg te volgen dat de bodhisattva zijn weg in de Leer volgt!” - “Hoe kan dat nu?!” roept Mańjusri verwonderd uit.

“De bodhisattva begaat de ‘vijf zware vergrijpen’ (2), maar hij is vrij van kwaadaardigheid, van giftigheid en haat. Hij gaat de weg van de veroordeelden, maar hij is vrij van de bevlekking van de passies. Hij gaat de weg van de dieren, maar ontsnapt aan duisternis en onwetendheid. Hij volgt de bestemming van de Asura’s [demonen], maar hij is vrij van hoogmoed, van vooringenomenheid of onverschilligheid. Hij treedt binnen in de wereld van de god van de dood, maar verwerft daar alle verdiensten en kennis. (…) Hij volgt de weg van de liefde, maar is onthecht tegenover de genietingen van liefde. Hij volgt de weg van de haat, maar voelt geen haat noch afkeer tegen iemand. Hij volgt de weg van de vergissing, de illusie, maar hij behoudt altijd de helderziendheid van de wijsheid.”

Vimalakirti schetst een wezen waaraan niets menselijks vreemd is, een wezen dat we kennen uit onze dagelijksheid. Alle dwaasheden en mistoestanden, alle vergissingen en kwaadaardigheid, de goede bedoelingen, de strevingen en de angsten, er is niets dat de bodhisattva niet kent uit eigen ervaring.

Zijn weg is de weg van het dwaze wezen dat leeft in de wereld van de begoochelingen: maar hij laat zich niets meer op de mouw spelden, hij laat zich niet meer meesleuren in de stroom van het streven, noch de ontgoocheling.

Eindelijk is Sariputra sprakeloos: zou ook hij aangegrepen zijn door deze ontroerende bewoordingen?

“De bodhisattva volgt de weg van de gierigaard, maar maakt zich geen zorgen om zijn lichaam of zijn bezittingen: hij laat zijn innerlijke en zijn uitwendige goederen voor wat ze zijn. Hij gaat de weg van de immoraliteit, maar aangezien hij de gevaren ziet die de kleinste misstap met zich meebrengt, neemt hij een uiterste waakzaamheid in acht, en een diepe gestrengheid. Hij gaat de weg van de kwaadaardigheid, van de afkeer en de walging, maar zijn geest is vrij van kwaadaardigheid, en vindt juist zijn houvast in welwillendheid. Hij slentert voort langs de weg van luiheid, maar hij staat open voor daadkracht, en spant zich in de wortels van het goede te gaan opzoeken. Hij volgt de weg van de verstrooiing en versplintering, maar hijzelf blijft rustig, op een natuurlijke wijze in zichzelf geconcentreerd, onwrikbaar in een toestand van meditatie en concentratie, …”

“Hij volgt de weg van valse waarheden, maar hij heeft zelf de vervolmaking van de wijsheid verwezenlijkt, en hij blijft betrokken in alle wereldse en bovenwereldse zaken. Hij volgt de weg van de hypocrisie en de opschepperij, maar zelf munt hij uit in nadenken en beschouwen, en hij zoekt heilzame hulpmiddelen. Hij kan de weg van de hoogmoed onderrichten, maar hij is voor de hele wereld een brug en een doorgang. Hij volgt de weg van de passies, maar hij is zonder bevlekking, zuiver op een natuurlijke wijze. Hij volgt de weg van Mara [de ‘Verleider’] maar kent de leringen van de Boeddha door en door.”

Daar wandelt de bodhisattva, getooid en geschoeid naar het model van Vimalakirti. Geen enkele toehoorder waagt het maar deze lyrische beschrijving te onderbreken.

Of zijn de toehoorders geschokt door deze omschrijving vol tegenstrijdigheden waar Vimalakirti zo gemakkelijk mee omspringt? Is hij niet meesterlijk in het opschudden van de zalig-verzekerde wijsneuzen, is hij niet onklopbaar in het doorprikken van alle ballonnetjes van gelukzaligheid, en het wegblazen van de heilige huisjes van zelfverzekerdheid die we zo vernuftig hebben opgebouwd. Hij heeft alle huizenbouwers doorzien: hij spaart er geen enkele.

Hij doorbreekt onze vastgeankerde vooroordelen aangaande de heiligheid en de moraliteit-boven-alle-verdenking van de wijze. Hij verplicht ons de bodhisattva te leren zien in elk wezen, hoe dom en lelijk en slecht dat wezen ook mag lijken in onze verheven visies.

Hij duwt ons met de neus op deze realiteit: op de weg van de leer van de Boeddha is er geen verdienste aan heiligheid, aan onkreukbaarheid en verheven-zijn boven dit aardse gedoe. Waar het op aan komt is het ontwikkelen van die boeddhistische deugd die we ‘upeksa’ noemen: gelijkmoedigheid tegenover alles wat ons in dit aardse leven tegemoet komt. Die weg moeten we gaan, ook al is hij een omweg.

De toehoorders spitsen hun oren: Vimalakirti heeft nog meer te vertellen over de bodhisattva.

“Hij volgt de weg van de armen, maar hij houdt in zijn hand onuitputtelijke rijkdommen. Hij volgt de weg van zieken en kreupelen, maar hij blijft mooi van lijf en leden. Hij gaat tussen de mensen van de lage standen, maar wat hij verwerft zijn wijsheid en deugden. Hij gaat tussen de zwakkelingen, de lelijken, de ellendelingen, maar hij blijft mooi om te zien in zijn verschijning van volmaaktheid. Zelfs indien hij de aanblik heeft van een zieke, lijdende mens, dan nog heeft hij de angst voor de dood overstegen, en uitgebannen uit zijn geest.

Hij volgt de lotsbestemming van alles wat er op deze aarde leeft, maar hijzelf is er in geslaagd te ontsnappen aan om het even welke bestemming.”

“Hij gaat de weg van Nirvana, maar verlaat de weg van deze lijdenswereld niet.”

“Ziet ge, Mańjusri, het is doorheen al die dwaalwegen dat de bodhisattva rustig zijn gang gaat op het pad van de Leer van de Boeddha.”

Bodhisattva’s hebben alle tijd: Mańjusri en Vimalakirti zetten hun gesprek nog een hele poos verder. Maar naar onze normen mocht hier wel een moment - of een oneindigheid - van stilte ingelast worden. Of in onze zeer wereldse terminologie: een korte break voor een kop koffie en een sigaret.

Zo een intens geconcentreerd gesprek kunnen wij niet zo lang volhouden…

(wordt vervolgd)

(1) De niet-vloeiende vertaling is behouden omdat elk woord zijn volle betekenis moet kunnen dragen.

(2) omtrent ‘vijf zware vergrijpen’ bestaan er verschillende opsommingen, de meeste oudere teksten echter geven: (1) moedermoord; (2) vadermoord; (3) moord op een arhat; (4) onenigheid zaaien in de Sangha; (5) met kwade bedoelingen opzettelijk het bloed van een boeddha doen vloeien. Zit verder 0.a. KGSS, appendix 2.

Ekō 71
Het Vimalakirti-Nirdesa Sutra

jikōji - 慈光寺

© 2007

info-at-jikoji.com
          home