Maatschappelijke Betrokkenheid (1)

Vinciane Audain

Het ethische engagement van het Boeddhisme op het vlak van de maatschappij kan zeker niet utopisch zijn. Het Boeddhisme is zich terdege bewust van de lijdenservaring die inherent is in het menselijk levenproces: elke individuele geboorte wordt oorzaak van ouderdom, ziekte en dood.

De inzet voor een maatschappij die rechtvaardiger, meer solidair en meer vredelievend zou zijn is noch een doel in se noch het antwoord op een aanmaning die komt van een of andere godheid of van de Boeddha zelf. Een boeddhistisch engagement op sociaal vlak moet bijgevolg eerder gezien worden als een betrokkenheid bij het lijden van alle wezens, een analyse van de oorzaken ervan en een actieve wil te komen tot een vermindering van de karmische vormingen die lijdenservaringen begunstigen en een vermeerdering van de karmische vormingen die gelukservaringen begunstigen. De vermeerdering van positieve karmische wilsvormingen leidt tot toenadering van het nirvana, dan wanneer de opstapeling van negatieve karmische vormingen enkel kan leiden tot het beleven van lijdenservaringen eigen aan de ‘lagere levensbereiken’, waarbij de geest zich nog dieper vastankert in de samsarische illusie.

Dergelijke vermeerdering van positieve karmische volities is belangrijk zowel op het individuele vlak als op het vlak van maatschappelijke groeperingen, vermits iedereen afhankelijk is zowel van zijn eigen karmische neigingen als van de karmische neigingen van de omgeving waartoe hij behoort:

(1) door zijn genetische afstamming:

een menselijk wezen wordt geboren wanneer er overeenkomst en samenkomen is van drie factoren (de mannelijke gameet ♂, de vrouwelijke gameet ♀ en het karmisch continuüm). Het Boeddhisme loochent dus absoluut niet de erfelijkheid die door de genen wordt overgedragen en die elk later initiatief kan beperken of begunstigen.

(2) door zijn familiaal en sociaal milieu:

het feit geboren te worden in een minder of meer begunstigd milieu kan - dat wordt beklemtoond door sommige boeddhistische scholen - gezien worden als een karmisch gevolg, maar is tevens een conditionerend element voor toekomstige karmische ervaringen. Het is om deze reden dat de opvoeding binnen het gezin of ook daarbuiten zo belangrijk is voor de evolutie van een kind. Een opvoeding die gemotiveerd is door liefde, door begrip voor de andere kan de negatieve neigingen van een kind doen verminderen. Wordt het kind daarentegen geconfronteerd met zaken als egoďsme, woede, haat, alcoholisme, mishandeling, misbruik, dan zal het ernstig gestoord worden en ertoe gebracht worden juist diezelfde schema’s te herhalen en te vermenigvuldigen. Nochtans is er niets dat onherroepelijk is: een erg negatief milieu kan immers zo een afkeer inboezemen dat het kind naar een meer verantwoord positief leven zal streven. In het Boeddhisme is het lijden immers geen ‘noodzakelijk kwaad’, noch de ‘enige weg die naar deugd en volmaaktheid leidt’, dit in tegenstelling tot hetgeen door sommige andere geestelijke tradities verkondigd wordt.

(3) door zijn beroepsactiviteit:

sommige beroepen richten zich op het verhelpen van lijdenservaringen (geneeskunde, psychologie, technische bijstand…) of het voorkomen ervan (opvoeding, wederaanpassing…). Ze brengen aan het geheel van de maatschappij een meerwaarde en kunnen bijgevolg drager zijn van belangrijke karmische gevolgen. Daarbij hoort natuurlijk de noodzaak dat ze uitgeoefend worden in een waarlijk altruďstische geest. Anderzijds zijn er beroepen die een zwaar onheilzaam karma inhouden. Een militair is aansprakelijk voor de vijanden die hij doodt; een generaal, ook al doodt hij niet persoonlijk, is karmisch aansprakelijk voor de tegenstanders die hij bevolen heeft te doden. En wat te denken van de aandeelhouder van een wapenfabriek, die rustig aan zijn bureau gezeten, regeringen of revolutionaire fracties manipuleert om aldus zijn koopwaar te verkopen?

Men zou bij hierbij nog heel wat kunnen bijvoegen: de keuze van zijn vrienden, de vrijetijdsbesteding…

Een voor alle wezens vriendelijkere aarde, een gelukkiger bestaan voor het grootste aantal menselijke wezens: dat zijn onderdelen die de boeddhist zullen motiveren, maar die toch niet zijn uiteindelijk doel zullen uitmaken. Het uiteindelijke doel, dat trouwens het fundament vormt van de bodhisattva-geloften, dat is de bevrijding van alle wezens. Een maatschappij die rechtvaardiger, solidairder, vredevoller is kan dan beschouwd worden als een bevoorrecht milieu waarin de hevigste storende emoties zouden kunnen afzwakken, om aan steeds meer wezens de mogelijkheid te bieden hun weg naar eigen bevrijding te bewandelen.

Het uiteindelijke doel van de boeddhistische leer is aan elk wezen de mogelijkheid te bieden de wortel van begoocheling, die toe-eigenen-verwerpen inhoudt, te vernietigen. Alle wezens zijn immers de gevangenen van hun verwachtingen en van hun angsten. Maar alle betrekkelijkheden zijn slechts projecties van de geest: geen enkel schijnbeeld kan objectief ‘buiten’ bestaan, onafhankelijk van de waarnemende geest. Aangezien wij het mechanisme van de werking van deze projecties niet kennen, geloven we dat de verschijnselen werkelijk op zich bestaan in de buitenwereld.

Telkens wij geluk of lijden ervaren, denken we dat ze voortkomen uit uiterlijke betrekkelijkheden en we weigeren te aanvaarden dat ze in feite uit onszelf komen. We beelden ons in dat we moeten inwerken op de buitenwereld. Maar de objecten uit de buitenwereld zijn in zich noch goed noch slecht: het is de geest die ze als dusdanig bestempelt.

Bijgevolg, wanneer we wat ons als ‘slecht’ voorkomt verwerpen of wanneer we wat ons als ‘goed’ voorkomt toe-eigenen, dan versterken we de greep ervan op ons bestaan.

In hoeverre zijn dergelijke opvattingen verenigbaar met een maatschappelijk engagement? Is het niet voldoende anderman geen schade te berokkenen, geen pijn te doen? Indien, in overeenstemming met de leer van niet-zelf, die ‘anderman’ geen substantiële entiteit is, wat is dan de zin van een engagement, van een handeling naar de ‘andere’ toe?

Het antwoord op dergelijke vragen bevindt zich in de solidariteit temidden van de lijdenswereld. De ‘andere’ is weliswaar een veranderende combinatie van de vijf groeperingen (pańca-skandha), maar deze tijdelijke individualiteit bestaat in ruimte en tijd, is waarneembaar via de zintuigen. De eerbied voor deze zij het ook veranderlijke individualiteit impliceert een betrokkenheid bij zijn/haar lijden en de wil omstandigheden te scheppen waarin deze individualiteit zich kan bevrijden: zowel op het betrekkelijke vlak van het dagelijkse bestaan, als op het ultieme niveau van de Leer. Om dit te verwezenlijken dient men werkzaam mededogen te ontwikkelen waardoor het mogelijk wordt te handelen in de betrekkelijkheid van het bestaan en tevens de wijsheid te ontwikkelen waardoor men op het vlak van de Leer kan werken.

(wordt vervolgd)

(vertaling Shitoku)

Ekō 71
Maatschappelijke Betrokkenheid

jikōji - 慈光寺

© 2007

info-at-jikoji.com
          home