Jodo-Wasan (7: 41-46)

Hymnen van het Reine Land

Shinran Shonin

Vertaling en nota’s: Rev. Yuho B. Van Parijs

[41] (R24)

Mensen die verlangen (1) naar het Land van Vrede en Zaligheid,
verblijven in de juist gevestigde toestand (2);
Mensen van de onjuist gevestigde (2) en de onbepaalde toestand (2), zijn er niet in dit Land;
Vandaar [de woorden]: alle boeddha’s prijzen Hem (3).

(1) Dit verlangen slaat uiteraard terug op het ‘verlangen naar geboorte’ als één van de drie aspecten van het gemoed van Vertrouwen (Shinjin).

(2) Shojōju: (Skr. samyaktva-niyata-rāsi), lett. ‘juist gevestigde groep’ verwijst in het traditionele Boeddhisme samen met Jajōju (Skr. mithyātvaniyata-rāsi), lett. ‘verkeerd gevestigde groep’; en Mujōju (Skr. aniyata-rāsi), lett. ‘niet-gevestigde groep’, naar de drie groepen of categorieën van mensen. Deze indeling in groepen is afhankelijk van de heilsstadia waarin de wezens zich [kunnen] bevinden. Zo is traditioneel gezien Shojoju de categorie van wezens die zich op het ‘juiste pad’ bevinden en die zodoende verzekerd zijn van de verwezenlijking van de Verlichting. De groep van wezens die behoren tot Jajoju bewandelen het ‘verkeerde pad’, hun bestemming is de hel. Daartussen bevindt zich de categorie van Mujoju, de ‘niet-gevestigde groep’, waartoe dan de rest van de wezens worden gerekend, hun lotsbestemming is onbepaald.

Shinran ziet de zaken enigszins anders. Voor hem staan de drie categorieën in directe relatie tot de 3 geloften (resp. 18de, 19de en 20ste Gelofte). Zo ziet hij in Shojoju de groep van het ‘juist gevestigde stadium’ of ‘het Stadium van de waarlijk gevestigden’, namelijk die mensen die in overeenstemming met de 18de gelofte Shinjin hebben verwezenlijkt en zodoende verzekerd zijn van geboorte in het Ware Beloningsland, m.a.w. de wezens die na hun geboorte in het Reine Land met zekerheid de Ultieme Verlichting verwezenlijken.

De andere 2 groepen behoren dan tot het bereik van resp. de 19de gelofte (Jajoju) en de 20ste gelofte (Mujoju). Hun geboorte is vanwege een gebrek aan Waar Vertrouwen een geboorte in een vervormd land.

In relatie tot Shojoju lezen we in Tannisho XIV: “… Vermits Amida’s Licht ons bestraalt, op het ogenblik dat het éne gedachte-moment van Shinjin in ons oprijst, wij diamanthard Shinjin ontvangen; vandaar dat reeds op dat ogenblik Amida ons opvangt op het Stadium van de waarlijk gevestigden.”

Zie in dit verband ook nog KGSS (vertaling Sh. A. Peel) appendix 6: de drie geloften (p.151).

(3) Verwijzing naar de vervulling van de 17de gelofte.

 

[42] (R27)

De twee soorten van Vervulling (1) van het Boeddhaland van Zaligheid (2)
werden vervolmaakt door Dharmakara’ s Gelofte- Kracht.
Noch in de hemelen, noch op aarde kennen zij hun gelijke.
Neem daarom toevlucht in de Kracht van het Grote Gemoed (3).

(1) Eshō: is een bijeenvoeging van de termen ‘ehō’ en ‘shōbō’, resp. bijkomstige of afhankelijke vervulling, en primaire of hoofdvervulling. Ik gebruik hier de term ‘vervulling’ waar in het Engels sprake is van ‘fruition’, ‘recompense’. ‘fulfillment’, ‘reward’, ‘retribution’, enz. Duidelijk is dat het hier gaat om de ‘karmische vrucht’ die resulteert uit Dharmakara’s Gelofte en Praktijk, of m.a.w. de Vervulling van Gelofte en Praktijk. ‘Eho’ refereert dan naar de ‘levenloze objecten’ zoals de bodem, de bomen, de vijvers, enz. terwijl shobo verwijst naar de ‘wezens’ in het Reine Land, m.n. de Boeddha, de bodhisattva’ s enz…

(2) Hōzō Ganriki: ‘Dharmakara’s Gelofte-Kracht’. Dharmakara verwijst naar Amida’s causale toestand, m.a.w. Amida in het stadium van een bodhisattva; Gelofte-Kracht verwijst naar de Kracht die de Gelofte tot vervulling brengt.

(3) Daishinriki: lett. ’Grote Gemoed Kracht’, is de Kracht van Amida’s Grote Gelofte-Gemoed. Groot omdat het alle wezens omvat. Hier wordt de term gebruikt als benaming voor Amida.

 

[43] (R28)

De tooiselen in het Land van Vrede en Zaligheid;
Zelfs de Wijze (1) der Shakya’s, met diens ongehinderde welsprekendheid,
is niet in staat ze ten volle te beschrijven. Zo zegt de Boeddha (2).
Neem toevlucht in de Onuitspreekbare Boeddha (3).

(1) Muge no mikoto: lett. ‘Ongehinderde Welsprekendheid’. Van boeddha’s en bodhisattva’s wordt gezegd dat zij een ongehinderde welsprekendheid bezitten wat het verkondigen van de Leer betreft. Deze welsprekendheid heeft vier aspecten, nl. zij is ongehinderd in de kennis van de doctrines; ongehinderd in de kennis van de implicaties van de doctrines; ongehinderd in het gebruik van verschillende talen; en ongehinderd in de kunst van het verkondigen, d.i. in het verkondigen van de doctrine in overeenstemming met de verlangens en capaciteiten van de toehoorders.

(2) Nobe tamō: ‘Zegt’. In Nyorai-E, zegt Shakyamuni Buddha: “Zelfs wanneer mijn lichaam gedurende honderdduizend koti’s van nayuta’s van kalpa’s zou bestaan, en ik gedurende deze tijd zou trachten, met ongehinderde welsprekendheid, de ware verdienste van deze Bodhisattva’s, Mahasattva’s, enz. ten volle te prijzen, dan noch zou ik er niet in slagen hen ten volle te prijzen.”

(3) Mushō Butsu: ‘Onuitspreekbare Boeddha’: Amida wordt hier zo genoemd omdat zijn Deugd het verwoordbare/voorstelbare overtreft.

 

[44] (R29)

Zij die reeds Geboren zijn, nu Geboren worden, of in de toekomst de Geboorte zullen verwezenlijken (1),
zijn niet enkel de wezens van deze wereld (2),
maar de wezens uit de Boeddhalanden doorheen de tien richtingen.
Hun aantal is ontelbaar, onmeetbaar groot.

(1) Ikontō: lett. ‘reeds, nu, nog ‘(komende)’, verwijst uiteraard naar de drie tijden, d.i. verleden, heden en toekomst. Uiteindelijk verwezenlijken alle wezens de Geboorte.

(2) Kono do: ‘Deze Wereld’, slaat terug op deze Sahā-wereld, de ‘Wereld van Verduren’ of ‘de Lijdenswereld’. Het is m.a.w. Sakyamuni’s Boeddhaland. Bedoeling van deze wasan is m.i. aan te tonen dat Geboorte in het Reine Land alle tijd/ruimtelijke begrenzingen overtreft.

 

[45] (R32)

Amida van onbegrensde goddelijke Kracht
ontelbare Boeddha’s loven en prijzen Hem.
Talloze bodhisattva’s vanuit de Oostelijke Boeddhalanden,
talrijk als de zandkorrels van de Ganges (1), bezoeken Hem.

(1) Gōja: Samentrekking van ‘Gōgasha’, de ‘zandkorrels van de rivier Ganges’. Dit is een in boeddhistische teksten veelvuldig gebruikte gelijkenis die de ontelbaarheid van een aantal wil weergeven.

 

[46] (R33)

Vanuit de Boeddhalanden uit de negen andere richtingen,
Bezoeken (1) bodhisattva’s hem op gelijkaardige manier.
De Wijze der Shakya’s, Tathāgata,
prijst Amida’s onmetelijke Deugd, met een hymne (2).

(1) Ōgon: lett. ‘het gaan en zien’. Vanuit de verschillende Boeddhalanden komen bodhisattva’s naar Amida’s Reine Land om Hem te huldigen en te luisteren naar Zijn onderricht.

(2) Ge: Skr. ‘Gāthā’, lett. ‘Vers’ of ‘Hymne’, verwijst hier naar ‘Ōgon Ge’ of ‘Hymne van het gaan en zien’. Naast Sambutsuge (Lofprijzing van de Buddha) en Juseige (Herhaling van de belangrijkste Geloften) die in het eerste chüan (boekdeel) van het Grote Sutra voorkomen, is er ook Ogonge (soms ook Tōbō Ge genoemd) in het tweede chüan. Deze ‘hymne’ bestaat uit 30 verzen van elk 4 regels en beschrijft het bezoek van de talrijke bodhisattva’s aan het Reine Land. Voor de volledige tekst zie H. Inagaki’s “The Three Pure Land Sutras” p. 270-5.

Ekō 72
Jodo-Wasan

jikōji - 慈光寺

© 2007

info-at-jikoji.com
          home