Het Vimalakirti-Nirdesa Sutra (4)

Katrien Haemers

Blijven in de wervelstorm van samsara
en niet zich-goed-bevinden in de rust van nirvana:

 

De volgende scčne uit het Vimalakirti vervolgverhaal brengt een totaal ander onderwerp voor het voetlicht. Vimalakirti stelt een vraag aan Manjusri: “Manjusri, wat is de familie van de Tathagata?” (De Chinese versie van het sutra voegt er met een fijne grinnik aan toe: Ik zou willen dat ge me dat in het kort uitlegt!)

De familie van de Tathagata… een uitdrukking die ons wel even de oren doet spitsen. Krijgen we nu een kleine stamboom van de Shakyamuni op het toneel?

Hier moeten we even de voorstelling onderbreken voor een technische verrichting: het is nuttig om de betekenis van de gebruikte term te gaan bekijken, binnen deze context.

“Tathagata-gotra”: ras/familie; mentale geschiktheid/aanleg, verworven of niet, die uitmaakt dat een persoon Nirvana kan verwezenlijken.

Deze zakelijke woordverklaring geeft aan de volgende woorden wel een bijzondere glans, des te meer wanneer we de verwarrende term ‘familie’ blijven behouden. Manjusri antwoordt:”De familie van de Tathagata is de opeenstapeling van de vergankelijke dingen, de familie van de dwaasheid van de bestaanshonger, van de liefde en de haat, van de verdwazing van de vier misvattingen, de vijf belemmeringen, de zes bases waarop onze kennis gefundeerd is, de zeven verblijfplaatsen van de geest, de acht slechte paden, de familie van de negen oorzaken van ergernis, en de familie van de tien slechte gerichtheden van het handelen: zo is, Manjusri, de familie van de Tathagata.”

Onthutsend. Is dit niet onze familie? Zijn dat niet onze levensgezellen? Is dat niet onze vertrouwde leefwereld?

Maar laten we ons niet afleiden: het gaat om de term ‘mentale geschiktheid om Nirvana te verwezenlijken’.Maar ook in die zin krijgt deze tekst een bijzondere glans.

Dat wordt verklaard in het vervolg van het gesprek.

Ook Vimalakirti wil het graag expliciet uitgesproken horen: “Manjusri, met welke verborgen intentie zegt ge dat?” vraagt hij.

“Vriend, diegene die inzicht heeft in het niet-geconditioneerde, die is binnengetreden in de absolute bevestiging van het verwerven van het opperste goed, die is niet in staat (of heeft geen nood meer aan) de gedachte aan het realiseren van de opperste en volkomen verlichting. Maar integendeel, diegene die nog steeds steunt op geconditioneerde zaken - die uitwendige vormen van de passies - en die nog steeds niet de edele waarheden heeft doorzien, die is nu juist wel in staat om de gedachte aan de opperste en volmaakte verlichting op te roepen.”

“Vriend, het is niet in het oerwoud dat bloemen zoals de nymphea, de rode lotus en de waterlelie open bloeien; het is in de modder en in de moerassen dat deze bloemen ontspringen.”

Hebben we het ooit al eens gehoord? Het zijn niet de heiligen, de wijzen, de redelijken die nood hebben aan de boodschap van bevrijding: het zijn de dwazen, de wezens gekweld door dromen en verwachtingen en wrok, die dorsten naar de boodschap van verlichting.

Indien er geen lijden in deze wereld was, dan zou de boodschap van de Boeddha overbodig zijn, alleen de zieken hebben een geneesheer nodig, enkel de gevangenen smachten naar bevrijding.

“Het is bij de wezens die besmeurd zijn met modder en zand van de passies dat de leer van de Boeddha ontstaat.

Het is niet in de ruimte dat de zaden ontkiemen; maar als het in de aarde gezaaid wordt, dan groeit het pas.”

Wie kan er geholpen worden door de anatta-leer? Niet diegenen die reeds de eenvoud van het gemoed hebben bereikt, die zijn als de kinderen of die de ‘simpelen van geest’ genoemd worden, niet zij die de strijd hebben gestaakt en alle vragen hebben losgelaten. Maar de strevers, de herrieschoppers, de haantjes-de-voorste, de probleemkinderen, de dwarsliggers en diegenen die verteerd worden door ambitie, machtswellust en hartstocht, zij kunnen ooit wellicht de illusie in hun gedrevenheid onderkennen.

“Het is waneer men een geloof aan de eigen persoon heeft opgebouwd, reusachtig als de berg Sumeru, dat de idee van bevrijding kan ontstaan, en nadien ontplooit zich de leer van de Boeddha. Het is op basis van deze beschouwingen dat ge moet begrijpen dat alle passies ‘familie’ zijn van Tathagata.

Zonder in de grote zee onder te duiken, kan men de kostbare parels niet vinden. Zo ook, zonder in de zee van passies te zwalpen, is het niet mogelijk de gedachte van wijsheid te ontwikkelen.”

Het gebeurt niet zelden dat toehoorders zich storen aan het feit dat de leer van de Boeddha zich zoveel met de ‘lijdenssituatie’ bezig houdt. Men hoort dat niet zo graag. Het leven is toch zo slecht niet. Er bestaat toch ook wel geluk en vreugde en voorspoed en… Passioneel leven is boeiend, wie wil leven als een lauwe mossel? Wie is jong en wie wil wat… en de middelbare leeftijd heeft heel wat te bieden, en het is pas de derde leeftijd die vol verwachtingen zit… Onze samenleving leidt ons bij de neus van de verblinding en de onafgebroken keten van illusies. Laat het niet aan u voorbijgaan, geniet met volle teugen, en waag de sprong, altijd opnieuw.

Welja! Maar wanneer de sprong mislukt, wanneer de hartstocht pijn doet, wanneer het mooie kaartenhuis in elkaar zakt, dan kan men in stilte terugkeren naar een paar waarheden, enkele eenvoudige tekstfragmenten. Ze dienen niet om de wonden te helen, niet om een troostillusie op te bouwen, maar om te leren zien met open oog, om zelf de keten te doorbreken die we enkel voor onszelf hebben gesmeed. De Leer van de Boeddha is een vlot om een rivier over te steken: als men niet naar de overkant wil, heeft men het vlot niet nodig; als men aan de overkant is kan men het laten liggen. Maar wanneer men de woeste stroom moet oversteken, dan kan men het vlot gebruiken.

Een bodhisattva met de welluidende naam van Sarvarupasamdarsana, die ook in het gezelschap aanwezig is, heeft nog een vraag voor Vimalakirti:

“Gastheer, waar zijn uw vader en uw moeder, uw zonen en uw echtgenote, uw dienaars en dienaressen, uw werklieden en knechten? Waar zijn uw vrienden, uw familieleden en bloedverwanten? Waar is uw lijfwacht, uw paarden en olifanten, uw wagens, uw voetvolk en jongelingen?”

En Vimalakirti dient hem van antwoord:

“Van de zuiveren, Bodhisattva, is de moeder de volmaaktheid van wijsheid, de vader is de kunst van de heilzame middelen: uit zo een ouders worden de Heersers van de wereld geboren.

De vreugde van de Leer is hun echtgenote, de welwillendheid en het mededogen zijn hun dochters, de Leer en de waarheid zijn hun zonen; het beschouwen van de leegheid is hun huis.

Al de hartstochten zijn hun leerlingen: ze buigen zich naar hun wil.

Hun vrienden zijn de leden van verlichting: het is door hen dat ze het ontwaken verwezenlijken.

Hun metgezellen, die altijd aanwezig zijn, zijn de zes paramita’s. Hun vrouwen zijn hun hulp bij hun inspanningen: hun liederen zijn de voorspellingen van de leer.”…

Vimalakirti wordt aangegrepen door een hevige vervoering en in een lyrische ontboezeming schildert hij opnieuw kleurrijk een beeld van de bodhisattva: niets menselijks is hem vreemd. Maar het huis dat hij bewoont is bevolkt met ongewone gasten, en hun gedragingen hebben naast de menselijke kenmerken ook nog een heel bijzondere eigenaardigheid.

De meubelen en de huisraad, de bloemen en de huisdieren: we kennen ze allemaal. De menselijke gedragingen van eten en drinken, zingen en dansen en minnekozen: we hebben ze allemaal beoefend. Behalve misschien telkens dat laatste detail: in volledige overgave en eenvoud bewerkstelligt de bodhisattva een ommekeer, verwezenlijkt hij het heilzame waar enkel onheilzame elementen aanwezig zijn, gooit hij het raam open naar het licht in de donkere kamer.

Zo eenvoudig is dat. Als men maar in de goede familie geboren is.

Ekō 72
Het Vimalakirti-Nirdesa Sutra

jikōji - 慈光寺

© 2007

info-at-jikoji.com
          home