Maatschappelijke Betrokkenheid (2)

Ethica en Economie - De Leidende Mechanismen

Vincianne Audain

We worden hedentendage geconfronteerd met problemen eigen aan de mondialisering van de economie; ze heeft haar inwerking zowel op de financiën, op de nijverheid, op de markten van verbruiksgoederen als op de diensten betrokken bij informatie en communicatie. Dit mondialiseringproces heeft iets van een slagveld en de door de strijders gebruikte wapens heten productiviteit, efficiency, vernieuwing. Deze wapens worden ingezet om een koortsachtige en onmeedogende concurrentie te ontwikkelen.

Productiviteit, efficiency, vernieuwing: deze woorden hebben op zich geen enkele negatieve bijbetekenis. De bronnen waarover we beschikken uitbaten en nieuwe middelen tot bevrediging van onze individuele en collectieve behoeftes aansnijden, dat zijn patronen die er ongetwijfeld toe hebben bijgedragen potentieel de levenskwaliteit van de mens te verbeteren, althans van diegene die beschikt over toegang tot de consumptie. De drijfkracht tot vernieuwing evenals al wat de opbloei van productiviteit en efficiency verzekert, is die niet onlosmakelijk gekoppeld aan concurrentie?

Om deze vraag te kunnen beantwoorden is het nodig de gevolgen van concurrentie te analyseren:

1. Ze heeft de grote meerderheid van de verbruiksgoederen geconcentreerd op een kleine minderheid van de aardbewoners. En binnen de ‘gegoede’ landen heeft ze een deel van de bevolking herleid tot slachtoffer van socio-economische ongelijkheden.

2. Ze heeft de uitbouw van multinationals, van internationale informatie- en communicatienetwerken mogelijk gemaakt. Deze zijn economische machten geworden die zich niet verantwoordelijk voelen tegenover de maatschappij.

3. Ze heeft een onbegrensde uitbuiting van de planeet en haar levensbronnen begunstigd waardoor de voor het leven noodzakelijke ecosystemen ernstig bedreigd worden. Ik denk o.a. aan woestijnvorming, aan bodemerosie, aan het uitsterven van dieren en planten, aan de vervuiling van zeeën en waterlopen, aan de vernietiging van wouden…

Men zou tevens kunnen vertrekken vanuit een concreet voorbeeld dat onlangs de krantenkoppen gehaald heeft: de gekke-koeienziekte. Deze zaak is een duidelijke beschuldiging tegen de vrijhandelmechanismen en de agro-business in het bijzonder. Deze zaak toont duidelijk de dramatische gevolgen van het winstbejag dat uit de concurrentie voortspruit. Deze woedt immers onbeperkt op de landbouwmarkt en begunstigt zodoende veeteelttechnieken en genetische selectie die beide tot doel hebben de levensduur van het dier in te korten en op deze wijze de rotatie van het kapitaal dat het dier vertegenwoordigt te versnellen.

Het gebrek aan commerciële ethica, de gebreken inzake kwaliteitscontrole, de afwezigheid van controle op de activiteiten van de agro-business multinationals, het luikende oog op de maffia’s die werkzaam zijn in landbouw- en diervoedingmiddens, het ontbreken van democratische doorzichtigheid door het achterhouden van objectieve informatie, hebben dit verschijnsel nog versterkt.

Een verschijnsel zoals de gekke-koeienziekte is niet enkel verontrustend voor de Britse economie, maar ook voor de openbare gezondheid. Ten eerste behoort de drager van deze besmetting tot een gloednieuwe ziektevorm: de prions. Deze veroorzaken ziektes die in niets gelijken op geen enkele van de gekende ziektebeelden in menselijke en dierlijke pathologie. Ten tweede is de prion van de gekke-koeienziekte blijkbaar aansprakelijk voor gelijkaardige ziektes bij katten, muizen en wilde runderen (Le Monde, 27/03/1996), maar ook bij de mens waar het verbruik van het vlees van aangetaste runderen een bepaalde vorm van de Creutzfeldt-Jacob-ziekte, een zeldzame en dodelijke ziekte die de hersenen aantast, zou veroorzaken. Ten derde zou deze prion op verrassende wijze weerstand bieden aan zelfs krachtige chemische of radioactieve behandelingen.

Is de concurrentie dan écht De Duivel van onze westerse maatschappij?

Ik meen dat het ijdel is de concurrentie te willen vernietigen wegens haar misdaden. Eerst en vooral is de dynamiek van mededinging te diep gegrift in de westerse mentaliteit. Vervolgens is het toch ook zo dat bij matig gebruik de concurrentie ook positieve aspecten vertoont. Niet enkel is de concurrentie onder groepen en partijen een waarborg van democratie, waarbij tevens grenzen getrokken worden om conflicten eigen aan elke maatschappelijke vorm in te tomen, maar in haar verzachte vorm is competitie eveneens een bron van creativiteit en betrokkenheid in het culturele leven.

Welke blik kan men vanuit het Boeddhisme dan werpen op het verschijnsel ‘concurrentie’?

Net zoals op het vlak van sport, kunnen competitie en concurrentie bronnen van zelfbeheersing en zelfoverwinning zijn. Daarom geloof ik dat, boeddhistisch gezien, ze eveneens, althans in een eerste stadium, kunnen aangewend worden op het spirituele vlak als middelen van zelfbeheersing en zelfoverwinning, en in een later stadium voor de vervulling van de Verlichting. Men moet de bronnen waarover het individu beschikt niet vernietigen, maar ze kanaliseren met het oog op een meer verantwoordelijk en meer bewust beheer. Competitie en concurrentie kunnen bijgevolg beschouwd worden als middelen van vooruitgang, maar geenszins als doel op zich.

Zo b.v. weigert de Dalai-Lama aan het geld alle kwalen van de wereld toe te schrijven zoals men dat al te vaak in het Westen hoort. Hij wil het geld zijn juiste plaats teruggeven, waarbij hij in dalende gradatie de elementen onderlijnt die bijdragen tot het geluk van de mens: eerst een heldere, rustige geest, dan gezondheid, dan omringd te zijn door vrienden en dan eerst rijkdom. Dat betekent dat, wanneer men de twee uitersten van de reeks beschouwt, een arm, eenzaam en ziek mens toch gelukkiger kan zijn dan een rijk, omringd en gezond mens, wanneer hij de eigenschappen van zijn geest in de juiste zin ontwikkeld heeft, terwijl de andere ten prooi valt aan zijn emoties en impulsen, die hem voeren naar angst zijn geld te verliezen, naar twijfel aan zijn vrienden, naar het opbouwen van conflictuele situaties, om dan ten slotte toch zijn gezondheid te verknoeien.

Het feit rijk te willen worden en hiervoor competitie aan de dag te leggen is dus geen kwaad op zich, op voorwaarde dat dit niet gezien wordt als een einddoel en dat ook het mededogen niet uit het oog wordt verloren.

Mededogen wordt al te vaak begrepen in de betekenis van ‘medelijden’, d.w.z. het lijden van iemand anders te delen tot een vorm van ‘mede lijden’. Dit is inderdaad mogelijk in een beginstadium: het ‘mede-lijden’ kan werken als een rem op de concurrentie wanneer men haar uitwassen en het lijden dat ze veroorzaakt in beschouwing neemt. Maar het begrip ‘mededogen’ vertaalt het Sanskriet maha-karuna: ‘maha’ betekent ‘groot’ en ‘karuna’ benadrukt eerder de handeling dan de emotie. Wie mededogen beoefent, stelt zich niet tevreden met het kijken naar en het mede-lijden van andermans leed, maar reageert hierop met een dynamiek die erin bestaat de diepe wortels van dit lijden te willen uitroeien.

In een eerste tijd zal mededogen er bijgevolg in bestaan de rampen die voortkomen uit een wilde concurrentiedrang in te perken, bijvoorbeeld door het stemmen van wetten die de uitbuiting van werknemers beletten en de arbeidsvoorwaarden regelen; door het uitwerken van maatschappelijke systemen waarbij uitsluiting van bepaalde menselijke categorieën wordt tegengegaan; door het beschermen van de consument tegen leugenachtige publiciteit en bedenkelijke handelspraktijken; door wettelijke bescherming van het milieu, door de wil al wat leeft, en dus ook het dier, te eerbiedigen.

Ekō 72
Maatschappelijke Betrokkenheid

jikōji - 慈光寺

© 2007

info-at-jikoji.com
          home