De Drievoudige Wijsheid van Luisteren, Overwegen en Handelen (1)

Een discursieve variatie op het oude thema van ‘Horen, zien en zwijgen’

Myoukai R. Franck

Het gebeurt wel eens, als je dan tóch TV kijkt, dat je tot de vaststelling komt dat je er weer ‘zo maar zit te zien’ in plaats van op iets zinnigs af te stemmen.

Deze bedenking heb ik me al meer dan eens gemaakt.

En hoe vaak heb ik er dan bij mezelf niet aan toegevoegd: “Ik zou toch eens moeten beginnen met me een paar goede gewoonten aan te kweken en wat meer te kijken naar wat het bekijken waard is - in plaats van altijd maar te zien -… en (als je dan tóch bezig bent met het bedenken van goede voornemens!) wat meer te luisteren naar wat het beluisteren waard is - in plaats van altijd maar te horen - en misschien dan ook maar meteen ook wat meer te spreken - in plaats van altijd maar te praten…”.

Want is het niet zo dat we als (Shin-)boeddhist leren meer aandacht te schenken (in al zijn vormen) aan wat aandacht waard is en dat we trachten ons leven intenser, boeiender, bewuster trachten te be-leven in plaats van ons leven - misschien wel levenslang? - gewoon maar te… leven?

Maar er is meer dan louter kijken, spreken en beleven.

In het Shin-Boeddhisme staan horen en luisteren centraal. En in dat ‘horen’ en ‘luisteren’ zit heel wat stof ter overweging, of, als u me een literaire variatie op Kipling toestaat: “There’s more in hearing and listening than meats the… ear.”

 

De drievoudige wijsheid

Al sinds de vroege tijden van het boeddhisme was er sprake van de drievoudige prajńā, de drievoudige wijsheid, als essentieel boeddhistisch pad, een methode voor de volgelingen van de Boeddha om te komen tot meer inzicht in het toepassen, in het be-leven van de Leer maar die eveneens toepassing vindt in onze betrekkingen met onze medemensen. Later ga ik hier verder op in.

Traditioneel omvat het begrip ‘wijsheid’ de eerste twee spaken van het Edele Achtvoudige Pad (marga, Ch. tao) als methode om te komen tot meer inzicht.

Met ‘wijsheid’ wordt hier niet bedoeld het ‘loutere kennen volgens woorden’, noch het samenvloeien van verworven kennis plus het grondige begrip ervan, maar het ‘directe kennen’, het doordringen, om te komen tot een totaal-ervaring, de volkomenheid van wijsheid. Dusdanig is prajńā de opheffing van de onwetendheid (d.i. het mis-weten), van het lijden en is zij synoniem voor nirvāna, de uiteindelijke Verlichting.

 

Een praktijk?

De Leer van de Boeddha wordt uitgebeeld als een Pad (marga), een Weg (Ch. tao) en zoals wegen er zijn om begaan te worden is de Leer er ook om beoefend te worden. Naast theorie is er dus ook een praktijk.

De volgeling in het Kleine Voertuig zal deze praktijk uitoefenen door het naleven van het Edele Achtvoudige Pad, een methode die centreert rond de drie hoofdindelingen van het Achtvoudige Pad, nl. Wijsheid, Moraliteit en Geestesconcentratie.

Het Grote Voertuig, het Mahāyāna, met het ideaal van de bodhisattva (‘Verlichtingswezen’, ‘Wezen georiënteerd op Verlichting’) als leidraad, spoort zijn volgelingen aan tot het naleven van de zes pāramitā’s of Volkomenheden: vrijgevigheid, moraliteit (zelfdiscipline), geduld, energie (innerlijke kracht en aandrijving), meditatie (reflectie) en wijsheid.

 

Prajńā-pāramitā

Prajńā-pāramitā wordt vaak vertaald als de ‘Volkomenheid van Wijsheid’, soms zelfs als ‘Transcendentale Wijsheid’ wat correct is in letterlijke zin, maar tot verwarring kan leiden gelet op de inhoud van ons westers begrip ‘transcendent(aal)’.

De term ‘pāramitā’ betekent letterlijk ‘overgestoken zijnde’, wat kan geďnterpreteerd worden als het ‘zichzelf-overtreffende’, het ‘overstijgende’. Prajńa-pāramitā kan dus gezien worden als de wijsheid die zichzelf overtreft, die alle conceptualiseerbare vormen ervan omvat, m.a.w. de wijsheid zoals die door de bodhisattva wordt beoefend. Op déze wijsheid steunen ook de zes (of tien) Volkomenheden of Volmaaktheden, ook nog bodhisattva-’deugden’ genoemd.

Deze volkomenheden staan rechtstreeks in verband met en resulteren uit het inzicht in de ‘leegheid’, d.i. de substantieloosheid der dingen (de dharma’s of bestaansfactoren) van onze fenomenale wereld, met inbegrip van onze concepten en ervaringen (sabbe dhammā an-attā: alle bestaanselementen zijn gekenmerkt door niet-zelf).

Het begrip prajńā-pāramitā is in het leven van de Shinboeddhist zo een beduidende factor dat hier een korte historische schets wel aangewezen is.

De prajńā-pāramitā speelde een belangrijke rol in de ontwikkeling van het vroege Mahāyāna-boeddhisme in India, vooral met de inbreng door Nāgārjuna omstreeks de 2de/3de eeuw van de Mādhyamaka-filosofie (de ‘Leer van het Midden’, de ‘Middenweg’).

Deze denkvormen werden nadien, vanaf ca. 380, in China geďntroduceerd door Kumārajīva en door toedoen van o.a. Candrakirti (6de en 7de eeuw) verder uitgewerkt tot de toen belangrijkste stroming in China. Deze ontwikkeling heeft gaandeweg de impuls gegeven tot het ontstaan van de Prajńā-pāramitā-cyclus’, de ‘Cyclus van de Volkomenheid van Wijsheid’ (de zgn. ‘Wijsheidsteksten’), een enorm omvangrijk corpus van sutra’s hoofdzakelijk gewijd aan de centraal staande Mahayana-thema’s van het verwezenlijken van het bodhisattva-ideaal en het inzicht in de ‘leegheid’, twee begrippen die mede aan de basis liggen van het Mahayana-denken. (Lees hierover meer in de hoofdstukken ‘Madhyamaka na Nagarjuna’ en ‘Het Boeddhisme in China’ in het ‘Overzicht van de Boeddhistische Filosofie’ van Shitoku A. Peel).

In het uitbouwen van de wijsheid zijn er drie stadia die alle stoelen op de handeling van het horen van de stem van het Boeddhaschap.

Het belang van het beleven van de drievoudige wijsheid in ons dagelijkse leven kan niet genoeg benadrukt worden. Zij geeft ons niet alleen een inzicht in de drie ‘bevlekkingen’ of ‘vergiften’ (Jap. bonnō) die aan de bron liggen van het lijden, maar draagt ook bij in het beleven naar buiten uit van de Leer.

 

1. horen en luisteren

Hiermee wordt in eerste instantie bedoeld ‘het luisteren naar de Leer zonder er eigen gedachten, meningen of overpeinzingen aan toe te voegen’.

Met ‘eerste stadium’ wordt niet zozeer bedoeld dat je enkel bij een eerste kennismaking met het boeddhisme en de Dharma, de Leer hoort. Ook - en vooral - nadien kom je ertoe meer en meer naar de stem van Amida Boeddha te luisteren.

Het eerste stadium bereik je dus vooral bij het zetten van de eerste stap in het daadwerkelijke luisteren, waardoor je geleidelijk kunt door-dringen in de Leer en het stadium bereikt van het directe kennen, het begrijpen, het aanvoelen, het in-zien.

Het begrip ‘horen’ heeft in de boeddhistische context een tweevoudig aspect:

Ik hoor bijvoorbeeld de biep van het uursignaal van mijn polshorloge of het verre gedruis van de stad en het verkeer door mijn openstaande raam. Maar er is ook een horen van een hogere, spirituele orde waar we op een wel bepaald moment in ons leven ontvankelijk voor worden. Alsdan komen we ertoe de stem van de Boeddha in de Naam ‘Namu Amida Butsu’ te horen.

In de oude teksten van het Mahayana-boeddhisme treffen we in de Mahāyāna-samgraha (‘Samenvatting van het Mahayana’) de term sruta (horen)-vāsanā (geurimpressie) aan, die kan omschreven worden als ‘de doordringende [geur-]indruk [als wierook] op iemands persoonlijkheid’.

Deze tekst betekent dat de indruk van het horen als wierook op de persoonlijkheid inwerkt als zaad, om een onderbewuste invloed in te planten, waardoor de persoon vanuit het stadium van de blinde driften (d.i. de klesa) kan overgaan tot het stadium van het bewust worden van het zuivere Boeddhaschap.

Volgens het commentaar hierop van Asvabhāva is het horen van de stem die uit de reine dharma-dhātu (de Absoluutheid) neerstroomt niet het horen met de eigen mogelijkheden. Zij komt spontaan in de oren (het gemoed) van de persoon wanneer die geneigd is die stem te ontvangen zonder er eigen ik-gerichte inzichten of dichotomische interpretaties in te lassen. Wanneer iemand aldus de stem van de dharma-zoals-het-is-heid hoort, dan worden, zo zegt deze commentator, zijn ‘boze, blinde driften’ (klesa) uitgezuiverd en verdwijnen ze stilaan en wordt zijn gemoed mettertijd tot reinheid gebracht’. (Lees hierover ‘Het Horen van de Naam’ door Esho Sasaki, verschenen in Ekō nr. 20.)

Anders uitgedrukt: Hetgeen gehoord is geworden, verandert degene die gehoord heeft.

Wat verstaat de Shin-boeddhist nu onder ‘horen’? Luisteren naar de Leer, de Buddha-dharma, is de centrale praktijk in het Shin-boeddhisme en een zeer belangrijk aspect voor de levenshouding van de Shinboeddhist. Er worden geen andere vereisten of voorwaarden gesteld, noch meditatieve praktijken, zedelijke voorschriften of intellectuele vorming.

In het begrip luisteren onderscheiden we verschillende gradaties: ze gaan van halfhartigheid tot totale vereenzelviging. Uiteindelijk overwint de kracht van hetgeen je gehoord hebt ook de blindste driften en wordt a.h.w. een nieuw wezen geboren dat de werkzaamheid van de Dharma incarneert. Zo een radicale vorm van luisteren doorbreekt de subject/object dichotomie om plaats te maken voor de directe ervaring van niet-dichotome werkelijkheid.

De Buddha-dharma, de Leer zoals verkondigd door de historische Boeddha Gautama, is geen voorwerp om bestudeerd, geanalyseerd of gebruikt te worden. De Leer dien je te begrijpen met geheel je wezen en wanneer zij waarlijk gehoord wordt bestaat er geen afscheiding meer tussen wie hoort en hetgeen gehoord wordt.

Het brandpunt van het ware mededogen is het dwaze wezen dat niet bij machte is zichzelf los te rukken uit de tirannie van zijn blinde driften. In het Postscriptum van Tannishō herhaalt Yuien-bō de woorden die Shinran herhaaldelijk pleegde te zeggen: ‘Wanneer ik aandachtig nadenk over Amida’s meedogende Gelofte die het resultaat is van vijf kalpa’s van meditatie, dan besef ik dat dit allemaal voor mij, Shinran, alleen gebeurd is. Ik ben dan ook vervuld van dankbaarheid voor die Gelofte, gedaan vóór alle tijden, waardoor Amida mijn verlichting heeft gerealiseerd, ook al is mijn leven een kluwen van onheilzaam karma’.

Amida’s Naam is de roep van de Gelofte-Kracht van Amida’s onvoorstelbare Voortijdelijke Gelofte en de weg naar het heil (Verlichting).

In de Naam Namu Amida Butsu ligt ook de niet-tweeheid van de volgeling en het Boeddhaschap:

- “namu” is de eerste noodzakelijke en essentiële component en verwijst naar diegene die geroepen en uitgenodigd wordt om zich totaal toe te vertrouwen aan Amida’s Voortijdelijke Gelofte;

- “Amida Butsu”, als tweede component, is de absolute natuur van Amida’s Mededogen.

- Het samenvloeien van Amida’s roep en het horen ervan is de vervulling van Amida’s Mededogen.

Anders gezegd, het horen van Amida’s Naam is het ontwaken tot het diepe besef van het Grote Mededogen. Dit horen welt gelijktijdig op met het besef van de eigen onvolkomenheid en machteloosheid. Dit betekent ook dat men zich voor het eerst nederig opstelt tegenover het Boeddhaschap én dat men Amida’s Grote Mededogen huldigt.

Deze religieuze ervaring van de twijfelloze onvoorwaardelijke overgave aan de natuurlijke loop van Amida’s Mededogen is shinjin, de grote praktijk van ware vestiging, de toestand van verzekering van Verlichting, het Boeddhaschap, de Geboorte in het Reine Land dat daarom gelijkgesteld wordt met nirvāna.

“Wanneer we de Naam horen”, zo zegt Zuiken Saizo Inagaki, “dan kunnen we ons te ruste leggen in Zijn Groot Mededogen.”

Maar ‘horen’ alleen kan leiden tot blind geloof. Daarom is het kritisch overwegen als tweede stadium in de drievoudige wijsheid van vitaal belang.

(wordt vervolgd…)

Ekō 72
De Drievoudige Wijsheid van Luisteren, Overwegen en Handelen

jikōji - 慈光寺

© 2007

info-at-jikoji.com
          home