Jodo-Wasan (8: 47-51)

Hymnen van het Reine Land

Shinran Shonin

Vertaling en nota’s: Rev. Yuho B. Van Parijs

 

[47] (R34)

Ontelbare bodhisattva’s uit de tien richtingen
- met het oog op het planten van de wortels van deugd (1) -
huldigen en prijzen Hem met hymnen.
Mensen, neem toevlucht in de Bhagavat (2).

(1) Tokuhon: lett. ‘Wortel(s) van Deugd’, m.n. de ‘goede’ (d.i. heilzame) daden en deugdzame handelingen die leiden tot de verwezenlijking van de Verlichting. In KGSS, VI, 38 lezen we: “De term ‘wortels van deugd’ verwijst naar Tathagata’s deugdvolle Naam. Wie deze Deugdvolle Naam ook maar éénmaal uit, vervult de deugdzame daden die alle kwaad omzetten in verdienste. Dit is de wortel van alle deugdzame namen [van alle boeddha’s] in de drie tijdperken en in de tien richtingen. Vandaar ‘wortels van deugd’.”
Vanuit de Ander-Kracht optiek wordt ‘tokuhon’ (e.v.) dan ook gebruikt als naam voor Amida.

(2) Bagaba: lett. ‘Verhevene’, Japanse transliteratie van het Skr. ‘Bhagavat’, één van de betitelingen van de Boeddha. Deze Sanskrietterm wordt in het Chinees meestal vertaald als ‘Seson’ of ‘Wereld-Geëerde’.

 

[48] (R35)

De Hal en de Bodhi-boom (1) gemaakt uit de zeven juwelen (2)
behoren tot het Reine Land als Vervormingslichaam van Geschikte Middelen.
Vanuit de tien richtingen worden ontelbaren daar geboren.
Hulde aan de Hal en de Bodhi-boom.

(1) Dōjōju: ‘Bodhi-boom’. De boom waaronder de Boeddha de Verlichting verwezenlijkte.

(2) Shippō: ‘Zeven Juwelen of Kostbaarheden’. De lijst van deze zeven juwelen wordt op verschillende manieren ingevuld. In de Sanskrietversie van het Grote Sutra lezen we dat het gaat om goud, zilver, beril, kristal, koraal, rode parels en diamant. Uiteraard gaat het hier om beeldspraak en verwijzen deze zeven ‘concrete’ juwelen naar de zeven ‘spirituele’ ‘componenten ter verlichting’ (sambodhyangani) of eigenschappen die bijdragen tot de verlichting, nl.: aandacht, studie van de Leer, energie, blijmoedigheid, innerlijke rust en vertrouwen, concentratie en gelijkmoedigheid.

(3) Hōben Keshin no Jōdo: lett. ‘Reine Land (Jōdo) als Vervormingslichaam (keshin) van Geschikte Middelen (hōben)’. Alhoewel hier sprake is van Reine Land is dit toch nog niet het Ware Reine Land. Het gaat hier om een zgn. ‘grensland’ m.a.w. een soort tijdelijk spiritueel ‘tussenstadium’ van waaruit men de Volkomen Verlichting (Ware Reine Land) kan verwezenlijken. Andere benamingen hiervoor zijn o.a. ‘Rijk Van Inertie en Trots’, de ‘Burcht van Twijfel’ en het ‘Baarmoederpaleis’. In KGSS, V, 39 lezen we hieromtrent: “Zowel de Ware als de Tijdelijke Landen zijn vervullingen van de oceaangrote Gelofte van Groot Mededogen; daarom zijn ze gekend als de ‘Vervulde Boeddha-landen’. Aangezien er duizenden verschillen zijn tussen de karmische oorzaken voor geboorte in de tijdelijke boeddha-landen, zijn er ook duizenden verschillen tussen die landen. Ze worden [dan ook] ‘Vervormingslichamen van Geschikte Middelen’ en ‘Vervormingslanden van Geschikte Middelen’ genoemd.” Lees hieromtrent ook nog Shitoku A. Peel: ‘Filosofie en Mystiek van de Jodo-Shinshu’ p. 47-55.

 

[49] (R36)

Het Voortreffelijke Land (1), ruim en grenzeloos,
is ontstaan uit de schittering van de Voortijdelijke Gelofte.
Nederig u zelf (2) en neem toevlucht in
de Reine, Edelmoedige Omhelzer (3).

(1) Myōdo: lett. ‘Voortreffelijke of Schitterende Land’. Verwijst naar het Ware Beloningsland (Ware Reine Land) als tegenstelling tot het Vervormingsland (zie hiervoor). Wederom in KGSS, V, 39: “Betreffende het Ware Land, spreekt het Grote Sutra over ‘het Land van het Oneindige Licht’ en ‘het Land van de Onmetelijke Wijsheid’. De Verhandeling zegt: ‘Het is oneindig zoals de ruimte, ruim en grenzeloos’.”

(2) Letterlijk wordt hier gesproken over ‘het zich neerbuigen’. Ik gebruik hier echter liever de vertaling ‘nederigen’ om zodoende de innerlijke intentie die gepaard gaat met dergelijke lichamelijke handeling aan te duiden. Het ‘nederigen’ is dan het achterwege laten van eigen berekeningen en beelden en het zich overgeven aan de Ander-Kracht.

(3) Shōjō Daishōju: lett. ‘Reine, Edelmoedige Omhelzer’. Amida wordt zo genoemd omdat hij alle wezens zonder onderscheid ‘omhelst’ (lees omvat) en naar Geboorte in het Reine Land leidt.

 

[50] (R37)

Reeds voltooid is de Weldaad-voor-zichzelf en het Anderen-weldadig-zijn (1).
De doeltreffende en meesterlijk ontworpen tooiselen waarop we vertrouwen (2);
Het gemoed is niet in staat ze te (be-)grijpen, woorden schieten te kort om ze te beschrijven.
Neem daarom toevlucht in de Onvoorstelbare Wijze.

(1) Jiri-rita emman: lett. ‘Weldaad-voor-zichzelf en Anderen-weldadig-zijn reeds voltooid’. Eén van de karakteristieke kenmerken van het Mahayana Boeddhisme is het feit dat de bodhisattva zowel de weldaad-voor-zichzelf (m.n. het verwezenlijken van de Verlichting) als het Anderen-weldadig-zijn (d.i. het ‘bevrijden’ van alle wezens) realiseert. We zien dit bijvoorbeeld in de formulering van de bodhisattva-geloften, bvb.: “Hoe ontelbaar ook de wezens zijn, ik neem mij voor ze alle uit de lijdenswereld te bevrijden.” Dat de bodhisattva het eigen heil onvoorwaardelijk koppelt aan het heil van alle wezens lezen we het duidelijkst in de formulering van Amida’s (Dharmakara’s) Geloften. Amida is dan ook de Boeddha die dit ideaal ten volste heeft verwezenlijkt, hij brengt de wezens ertoe dezelfde Verlichting te verwezenlijken als Hijzelf heeft verwezenlijkt. Het Reine Land is dan ook de volkomen belichaming van deze twee Weldaden.

(2) Kimyō hōben gyō shōgon: lett. ‘Neem toevlucht in de geschikte en meesterlijk ontworpen tooiselen’. De tooiselen die het [Tijdelijke] Reine Land sieren zijn van die aard dat ze de wezens aanzetten tot verlangen naar Geboorte in dat Reine Land.

 

[51] (R38)

De Goddelijke Kracht en de Voortijdelijke Gelofte (1).
De Volkomen, Heldere, Zekere en Vervullende Gelofte (2).
Onvoorstelbaar zijn de Meedogende Middelen.
Neem toevlucht in de Waarlijk Ondoorgrondelijke (3).

(1) Jinriki Hongan: lett. ‘Goddelijke Kracht en Voortijdelijke Gelofte’. De schitterende manifestaties van het Reine Land zijn het resultaat van Amida’s Kracht en de Voortijdelijke Gelofte.

(2) Manzoku, Myōryō, Kengo, Kukyō Gan: ‘Volkomen, Heldere, Zekere en Vervullende Gelofte’. Deze vier ‘bepalingen’ beschrijven algemeen gezien de 48 geloften en in het bijzonder de 18de Gelofte. Een andere interpretatie stelt dat het hier respectievelijk gaat om de 12de en 13de, de 17de, de 18de en de 11de Gelofte.

(3) Shimmuryō: ‘Waarlijk Onmeetbaar’. De Geschikte Middelen waarover Amida beschikt om de wezens te bevrijden zijn waarlijk onmeetbaar en ondoorgrondbaar, vandaar de benaming ‘Waarlijk Ondoorgrondbare’.

Ekō 73
Jodo-Wasan

jikōji - 慈光寺

© 2007

info-at-jikoji.com
          home