Maatschappelijke Betrokkenheid (3)

Ethica En Economie - De Vrouw

Vincianne Audain

Wanneer men ertoe overgaat de politieke, sociale en economische ‘rechten’ van de vrouw te beschouwen zowel op het wettelijk vlak als in de feitelijkheid, dan kan elkeen bevestigen dat het in de geïndustrialiseerde maatschappijen van West-Europa, van de Verenigde Staten of van Australië is dat de situatie van de vrouw het meest gunstig is en dat bijgevolg de vrouwen in die streken dan ook het gelukkigst zouden moeten zijn. Althans is het op deze wijze dat dit in het Westen wordt voorgesteld.

Inderdaad, in de westerse logica, opdat een vrouw zou kunnen genieten van haar ‘rechten’, is het noodzakelijk dat zij de studies die zij wenst te ondernemen ook kan ondernemen, dat ze een werkkring kan aantreffen die beantwoordt aan haar kwalificaties, en dat ze, dank zij een rechtvaardig loon, ook economisch onafhankelijk kan zijn. In haar partnerleven, eist ze eveneens het recht op van beheer op het gemeenschappelijk bezit, op de takenverdeling, op het recht van een eigen mening en op inspraak op de beslissingen die het partnership kan treffen met betrekking tot de diverse gezamenlijke belangen, en zelfs het recht op een vrijheid die haar zou toelaten zich persoonlijk te ontwikkelen enz. Is zij niet gelukkig binnen dit partnership, dan moet zij het recht hebben niet enkel tot een scheiding over te gaan, maar als maatschappelijk volwaardig en economisch onafhankelijk erkend te worden. Ik zou deze lijst tot in den treure kunnen verlengen, maar ik meen dat het belangrijkste vermeld is geworden.

Maar wat ziet men wanneer men die zaken in hun feitelijkheid beschouwt? Zelfs wanneer er feministische bewegingen zijn die blijven onderlijnen dat de gezochte gelijkheid nog niet bekomen werd, toch moet ik vaststellen dat het redelijk is te zeggen dat volgens de bovenvermelde criteria de situatie van de westerse vrouw benijdenswaardig is. Zo kan men b.v. het schoolbeloop van de meisjes, hun massieve intrede in de arbeidsmarkt en zelfs in tot nu erg mannelijk geziene beroepen (arts, advocaat, rechter, journalist, diplomaat…) in overweging nemen, of de strengere bestraffing van verkrachting en een ‘beter onthaal’ in de politiecommissariaten, de juridische aanvaarding van abortus, de erkenning als misdrijf van seksuele aandrang in bedrijven en kantoren enz.

Maar deze in de loop van de twintigste eeuw verworven situatie wordt nu wel ernstig bedreigd door de economische achteruitgang, die zeker voor de vrouwen dreigender en dreigender wordt.

De tijdsduur van de verplaatsingen naar en van het werk is dezelfde gebleven, tegenover een loon dat in vrije val neerstort, een minder interessante arbeid vermits de halftijdse arbeid hoofdzakelijk betrekking heeft op ondergeschikte werkzaamheden, dreigende verlaging van de vergoedingsdrempels, weinig aantrekkelijke uurroosters. Heel wat vrouwen komen terecht in de werkloosheid. En al die situaties monden uit op een grotere afhankelijkheid ten opzichte van de echtgenoot…

Hoe bekijkt het Boeddhisme dit verschijnsel?

Heel wat religies waren en soms zijn nog medeplichtig aan deze ondergeschiktheid van de vrouw. In het Westen hebben de marxistische theorieën in het begin van deze eeuw deze toestanden aan de kaak gesteld en - geven we aan de keizer wat de keizer toekomt… - men moet toegeven dat het marxisme een positieve evolutie van de vrouw in de hand heeft gewerkt en zelfs een weldadige vrijmaking ten opzichte van de dwangleringen van de Kerk. Neem b.v. de uitsluiting van de vrouw in het priesterschap van de Rooms-katholieke Kerk, om van de Islam nog niet te spreken…

In het Boeddhisme is er - althans in theorie… - in deze zin niets verboden aan de vrouwen. In India ten tijde van de historische Boeddha, was de geestelijke opening van de heilsweg voor de vrouwen zelfs uitzonderlijk. Soms wordt weliswaar beweerd dat ondanks het feit dat de Boeddha meende dat een vrouw zeer goed de Verlichting kon verwezenlijken, hij evenwel heel wat beperkingen hiervoor heeft ingevoerd en een groter aantal voorschriften bepaald heeft voor de nonnen dan voor de monniken. Persoonlijk kan ik daar niet op antwoorden aangezien geen enkel van de antwoorden die men mij daarover te kennen gegeven heeft mij logisch en verifieerbaar overkwam. Daarentegen, wanneer sommige het feit onderlijnen dat er minder vrouwen dan mannen zijn die het statuut van tempelpriester, Roshi, Lama enz. behalen binnen de diverse tradities, dan denk ik dat men de schuld hiervan niet aan de Leer van de Boeddha, maar aan de cultuurpatronen dient te wijten.

Men dient bijgevolg die zaken te onderzoeken zoals ze zich voordoen binnen de oosterse maatschappij zelf: weinig vrouwen bekleden er hoogverantwoordelijke of hooggewaardeerde posities. Het is dus op het vlak van de maatschappelijke mentaliteiten dat de vrouwen aldaar geen (of weinig) toegang hebben tot dergelijke betrekkingen, of het nu gaat over hun persoonlijke keuze gebaseerd op de ontvangen opvoeding of uit oorzake van een zeker machisme. Maar in geen enkele school van Theravada of Mahayana kan men een duidelijke regel aantreffen die aan vrouwen de toegang tot een hoger geestelijk niveau en de erkenning ervan zou verbieden.

Zelfs in Tibet, waar de vrouw vaak een vrijere, meer open situatie kon bekleden, blijft er volgens de Dalai-Lama nog heel wat in deze zin te verwezenlijken. Maar ik ben er niet van overtuigd dat deze vooruitgang kan verwezenlijkt worden op voorwaarde dat er een vooruitgang van de kennis van de boeddhistische leer en van de boeddhistische denkwijze zou plaats hebben, dan wél op voorwaarde dat het Boeddhisme mannen en vrouwen meer mogelijkheid zou bieden zich te ontplooien en zich te bevrijden van vooroordelen, van gewoontes en reflexen die het gevolg zijn van opvoeding, van maatschappelijk milieu of van andere oorzaken.

Opmerkelijk is ook dat in de landen van het Oosten waar het Boeddhisme samenleeft met andere religieuze stromingen, zoals Hindoeïsme, Islam of Shinto, het precies in de boeddhistische lekenmiddens is dat een groter aantal vrouwen na hun studies belangrijkere posities kunnen verwerven doordat het familiale en culturele milieu aldaar minder hindernissen opwerpt. Toch wordt door heel wat oosterse vrouwen het werk ervaren als een noodzaak om te overleven, zonder dat ze hierin een waarde van persoonlijke ontplooiing, zoals wij dat aan de arbeid toeschrijven, ervaren.

Deze waardering van de arbeid als persoonlijke ontplooiing is trouwens een probleem waarover het niet zo gemakkelijk is te praten, want ze werpt heel wat geconditioneerde reacties op, die te wijten zijn aan een denkpatroon dat vooral in het Westen gedurende de economische opbloei na de oorlog ontwikkeld is geworden. Men zou eventueel objectief analyserend moeten nagaan in welke gevallen vrouwenarbeid inderdaad het resultaat is van haar vrije beslissing en in hoeverre haar arbeid bijgedragen heeft tot een opbloei van haar persoonlijke werkzaamheid en van haar gezinssituatie.

Wat er ook van zij: werken als ‘juist middel van bestaan’ kan geen enkele ontplooiing bieden zolang het opgevat wordt als een voortdurend streven naar promotie of naar financieel voordeel.

“Is de westerse vrouw in staat een onderscheid te maken tussen maatschappelijke gelijkheid en gelijkberechtiging met de man? Is zij in staat de verantwoordelijkheden van haar keuze te dragen of wil ze enkel de schijn wekken dat ze heel wat verantwoordelijkheden aankan?” Deze en dergelijke vragen werden me meer dan eens gesteld door Aziaten die een beslist kritisch oog hadden voor het verworden van de gezinscellen in het Westen en zich vragen stelden over de sociale rol van de vrouwen en de toekomst van kinderen uit ‘opengebarsten gezinnen’. Deze en dergelijke vragen, wat men er ook van moge denken, kunnen onze traditionele denkschema’s overhoopwerpen en ons verplichten op die zaken een andere blik te werpen. Ik ben dan ook de mening toegedaan dat het noodzakelijk is hierover grondig na te denken en openlijk te praten, zodat doorheen de confrontatie van de verschillende opvattingen, het mogelijk wordt geconditioneerde opvattingen te ontzenuwen, wat enkel bevruchtend kan werken.

Ekō 73
Maatschappelijke Betrokkenheid

jikōji - 慈光寺

© 2007

info-at-jikoji.com
          home