De Sangha

Toen de Boeddha het Parinirvana betrad, heeft hij geen opvolger aangeduid, noch heeft hij een kerk gesticht. De Boeddha heeft de Sangha in het leven geroepen en daarbinnen wordt de Leer bewaard en doorgegeven en de boeddhistische levenswijze beleefd.

Boeddha, Dharma en Sangha zijn een essentiële eenheid. Wanneer we ons tot het Boeddhisme bekennen, nemen we onze toevlucht tot deze ‘Drie Juwelen’.

Oorspronkelijk was de Sangha de orde van monniken en nonnen. Deze mensen stonden min of meer buiten het leven, hadden geen beroep, slechts een paar onontbeerlijke bezittingen (o.a. een bedelnap), en vertrouwden voor hun levensonderhoud op de lekenbevolking. Voedsel schenken aan de Sangha was een daad waarmee men heilzaam karma verwierf en waardoor men mocht hopen op een gunstige wedergeboorte waarin de Verlichting misschien mogelijk zou zijn. Als leek was je daar immers van uitgesloten: de orde der monniken werd min of meer beschouwd als een gemeenschap van heiligen en bezat het monopoly op de Verlichting.

Alhoewel de Boeddha veel waardering heeft betoond ten opzichte van de lekenbevolking, heeft men blijkbaar eeuwenlang gedacht dat het verwezenlijken van de Verlichting voorbehouden was aan een selecte groep die het kon opbrengen in afzondering en eenzaamheid te mediteren en hard te werken aan zijn ‘zieleheil’.

Door het ontbreken van een centraal gezag en door het feit dat het Boeddhisme niet aan één plaats of gemeenschap is gebonden, heeft de Leer zich altijd en overal aan de plaatselijke gebruiken kunnen aanpassen en de eigenheid van een volk kunnen integreren. Maar het is pas toen Shinran uit de Orde stapte en huwde, dat de aanzet tot een lekengemeenschap werd gegeven.

Het is natuurlijk zo dat grote leermeesters voor hem reeds bepaalde ideeën hadden uitgewerkt, maar Shinran kristalliseerde daaruit de essentie en trok als het ware de bestaande opvattingen over Amida’s Mededogen mijlenver open: iedereen kreeg toegang tot de Sangha en iedereen die het Ware Vertrouwen ‘bezat’ kreeg toegang tot het Reine Land.

Shinran brak uit de beperkte kloosterorde door zijn interpretatie van de Leer, hij draaide de heersende waarden radicaal om: in plaats van halve heiligen die door strenge ascese en meditatie uiteindelijk aan de Verlichting toekomen, houdt Shinran ons het beeld voor van Amida die, vanuit het Oneindige Mededogen, ons tegemoetkomt.

Shinran was overtuigd dat de Verlichting voor ieder van ons mogelijk is. Zijn leer is de Leer die naar de mensen toekomt. Zijn leer is een leer op onze maat. Mensen zoals wij, juist zoals we zijn, behoren ook tot de boeddhistische gemeenschap, in de volle zin van het woord.

Er zijn verschillende invullingen van het begrip Sangha mogelijk. In sommige richtingen wordt nog altijd de overtuiging aangehangen dat de Sangha de Orde van monniken en nonnen is.

En wanneer ik aan ‘Sangha’ denk, dan heb ik in de allereerste plaats die kleine groep dharma-vrienden voor ogen, waarmee je na elke tempeldienst kan zitten keuvelen, waarmee je af en toe diepgaande gesprekken voert, en aan wie je je vragen kunt voorleggen met de zekerheid dat er een antwoord komt. De Sangha, dat is de groep van medereizigers op de boottocht naar het Reine Land, de gezellen op het Achtvoudige Pad, de compagnons, de ‘broeders’ (m/v).

Als leek heb je het natuurlijk razend druk met het vervullen van je dagelijkse verplichtingen, het nakomen van je afspraken, het hoofd bieden aan je problemen, maar uiteindelijk zijn we zelfgenoegzaam genoeg om het normaal te vinden dat er ook nog zoiets als een lekengemeenschap bestaat waarbinnen wij onze spirituele behoeften kunnen realiseren.

‘Normaal’ is dat echter niet! Toen Shinran het klooster verliet en de Leer van de Nembutsu begon te prediken, werd dit als een zodanige bedreiging voor de Orde en de heersende opvattingen beschouwd, dat hij werd verbannen en zijn leer werd verboden. Toch deed hij verder, en vanuit die onbaatzuchtige en consequente houding én zijn interpretatie van Amida’s Mededogen, groeide uiteindelijk dàt wat wij nu als Jodo-Shinshu kennen en waarin wij onze thuishaven hebben gevonden. Wanneer je daar eens bij stilstaat, wanneer je dat eventjes tot je laat doordringen, besef je dat het bestaan van onze lekengemeenschap, onze Sangha, iets is om diepe dankbaarheid voor te voelen. Het is een Juweel dat je in de schoot krijgt geworpen.

Heb je als boeddhist de Sangha nodig? Ik denk van wel. Binnen het Mahayana en binnen de Jodo-Shinshu speelt de Sangha een zeer belangrijke rol. We zijn geen boeddhist op ons eentje, we kunnen ons niet van de buitenwereld afsluiten en de Leer bestuderen en verwezenlijken voor onszelf alleen. Niemand van ons kan het allemaal uitzoeken en overwegen zonder hulp. Ieder mens heeft nood aan anderen, om van gedachten te wisselen, om opvattingen te vergelijken, om gecorrigeerd of bevestigd te worden. Kunnen aanleunen bij een groep gelijkgezinden is een groot voorrecht. Het geeft je de zekerheid dat je in essentie hetzelfde nastreeft en je interpretatie van bepaalde punten kan worden bijgestuurd.

De gezamenlijke diensten kunnen je kracht en inspiratie geven voor je gewone, dagelijkse leven. In die zin bewaart de Sangha de Leer en geeft zij deze ook door.

Daarnaast is de Sangha ook de gemeenschap waarbinnen de Leer van de Boeddha wordt be- en ge-leefd. En ook dat kunnen we niet alleen. In theorie lopen we allemaal wel warm wanneer we over het Bodhisattva-ideaal lezen, maar in de praktijk is het soms al moeilijk om gewoon vriendelijk, beleefd en verdraagzaam te blijven. Nochtans is het Shin-boeddhisme zeer sociaal geladen. Denk maar aan Ekō, dat we bij iedere eredienst reciteren: “Mochten we al verdiensten verwerven, dan is het de bedoeling die aan alle wezens gelijkelijk over te dragen…” ook aan die vervelende collega, ook aan die soms enerverende partner, ook zelfs aan die irritante huisbaas… Het Grote Mededogen van Amida omvat àlle wezens.

Dan is het toch ook logisch dat je, binnen de Sangha, elkaar helpt eenzelfde lijn te trekken, in je lekenleven eenzelfde houding aan te nemen, om met welwillendheid en mededogen de anderen tegemoet te treden en je egoïsme en zelfzucht aan de kant te zetten.

We weten allemaal wat het Achtvoudige Pad inhoudt.

Het is een hele opgave om dat elk moment van elke dag weer te beleven. Maar daar houdt het niet bij op. Ik denk dat je pas echt boeddhistisch leeft, wanneer je het Achtvoudige Pad niet enkel voor jezelf realiseert, maar wanneer je daar telkens opnieuw alle levende wezens in betrekt: die hele ruime oneindige Sangha, die onbeperkte gemeenschap van boeddha’s, bodhisattva’s, van alle boeddhisten over de ganse wereld, alle mensen, alle dieren, de planten, de ganse kosmos en alles wat daarbuiten is… Op die manier wordt niets of niemand uitgesloten, en dàt zal ook wel de bedoeling zijn. Op die manier wordt de Sangha de enkeling die je ontmoet, de dierbare vriend met wie je op een zonnige avond een ernstig gesprek over de Leer hebt, de lieve vriend die gestorven is, maar die je indertijd zoveel over de Leer heeft bijgebracht, de jonge vriend die nog zoekend is en die met zijn vragen bij je komt, de Wisteria in je tuin die door de harde regen zijn blauwe bloemen verloor, de neurotische kat die je meestal nooit maar dan toch eindelijk een kopje geeft, de vele boeken over de Leer die je uit je slaap houden, de komeet Hale-Bob (sic) die boven het dak van je overbuur in volle pracht zijn licht naar de aarde zendt…

Al die manifestaties van leven, van lijden én per definitie dus ook van mogelijkheid tot Verlichting. Het leven zit er vol van. Je moet het alleen maar kunnen en willen zien. Het leven zit vol verwijzingen naar de Leer, naar de Boeddha en maakt ons duidelijk dat we met alles en allen één Gemeenschap vormen. Dat we deel uitmaken van een groter geheel dan ons eigen bekrompen, moeizame leven.

En dat het onze taak is ons gemoed te richten op de verwezenlijking van de Verlichting en een weldadigheid zonder grenzen voor alle levende wezens.

Namu Amida Butsu

Ekō 73

jikōji - 慈光寺

© 2007

info-at-jikoji.com
          home