Jodo-Wasan (9: 52-55)

Hymnen van het Reine Land

Shinran Shonin

Vertaling en nota’s: Rev. Yuho B. Van Parijs

 

[52] (R73)

Sakya Tathāgata’s Grote Weldadigheid
Bracht Koningin Vaidehi (1) ertoe (2)
Van alle Landen die verschenen op het Licht-Voetstuk (3)
Het Land van Vrede en Zaligheid te kiezen.

(1) Idai: afkorting voor Idaike, Skr. Vaidehi, de gemalin van Koning Bimbisāra en moeder van Ajātasatru.

(2) Chokushi te: letterlijk ‘Bevelen’. Alhoewel hier het woord ‘bevelen’ wordt gebruikt, is het niet zo dat de Boeddha koningin Vaidehi het bevel gaf te kiezen tussen de verschillende Boeddhalanden, maar dat zijn overtuigingskracht haar ertoe bracht te kiezen. Het al dan niet aanvaarden van de Reine-Landlering [of de Leer tout court] blijft uiteindelijk de keuze van de volgeling. Zelfs de Boeddha kan niemand dwingen de Leer te aanvaarden of zoals het in Tannisho hfdst. II staat: “En verder, dat gij de Nembutsu opneemt en uzelve erop verlaat, of dat gij de Nembutsu verwerpt, dat is uw zaak”.

(3) Kōdai Gengoku: Letterlijk ‘Landen die verschijnen op het Licht-Voetstuk’. In het Meditatie-sutra wordt verteld dat wanneer Vaidehi de Boeddha verzoekt haar te onderrichten over de manier waarop zij de ‘plaats van zuivere handelingen’ [d.i. Boeddhaland] dient te contempleren, de Boeddha een lichtstraal van tussen zijn wenkbrauwen uitstraalde. Nadat deze gouden straal de ontelbare werelden in de 10 richtingen had gemanifesteerd, keerde ze terug naar het voorhoofd van de Boeddha waar ze zich transformeerde in een gouden Voetstuk van Licht in de vorm van de berg Sumeru. Op dit Licht-Voetstuk verschenen dan de ontelbare Boeddhalanden uit de 10 richtingen. Toen Vaidehi deze aanschouwde, verlangde zij met geheel haar hart naar geboorte in Amida’s Reine Land.

 

[53] (R74) (1)

Koning Bimbisāra (2) beval zijn onderdanen
De Kluizenaar te doden, nog voor diens verleden karma (3)
was vervuld. Als vergelding daarvoor
werd hij opgesloten in een kerker, zeven muren diep. (4)

(1) Deze hymne is gebaseerd op het verhaal van Koning Bimbisāra en zijn zoon Ajātasatru, zoals dit is weergegeven in het Nirvana-sutra.

Volgens het verhaal was de gevangenzetting van Bimbisāra een vergelding voor de kwade handelingen die hij had verricht in zijn vroegere jaren. Zo wordt verteld hoe de koning enige tijd na zijn huwelijk met Vaidehi nog steeds kinderloos was. Op een zekere dag raadpleegt hij hiervoor een waarzegger die hem voorspelt dat een kluizenaar in de bergen binnen drie jaar zal sterven en zal herboren worden als zijn zoon. Bimbisāra verheugt zich wanneer hij dit nieuws hoort, maar al snel wordt zijn vreugde omgezet in ongeduld. Hopend de dingen wat te bespoedigen laat hij de kluizenaar doden. En jawel, kort daarop wordt Vaidehi zwanger. Nog tijdens de zwangerschap ontbiedt de koning de waarzegger opnieuw. Deze voorspelt nu echter dat wanneer de prins zal opgroeien, hij zich op zijn vader zal wreken voor het hem aangedane onrecht. Uit angst voor deze voorspelling besluit de koning om het kind direct na de geboorte te vermoorden. Hij gooit het van een hoge vestingmuur, maar als bij wonder overleeft het kind de val, met als enige letsel een gebroken pinkje.

Devadatta - neef van de Boeddha - die met het oog op het verwerven van het leiderschap over de Sangha reeds enkele mislukte aanslagen op het leven van de Boeddha had gepleegd, kreeg deze geschiedenis te horen. Hij bedenkt dat met de steun van het koningshuis zijn plannen meer kans op slagen hebben, maar hiervoor moet hij er eerst echter voor zorgen dat Bimbisāra, een begunstiger van de Leer en vriend van Shakyamuni, van het toneel verdwijnt. Zo komt hij ertoe Ajātasatru te vertellen wat hem is overkomen in zijn jeugd en zet hij hem aan de troon op onrechtmatige wijze te bemachtigen. Wanneer Ajātasatru dit verhaal bevestigd hoort door één van de raadsheren van de koning laat hij de koning oppakken en in de kerker werpen, om daar de hongerdood te sterven.

(2) Bimbashara: Skr. Bimbisāra: 5de koning van de Saisnaga-dynastie, die heerste over Magadha ten tijde van Shakyamuni. Samen met koningin Vaidehi ‘bekeerde’ hij zich tot het Boeddhisme en werd hij een oprecht voorvechter van de Dharma. Hij werd afgezet door zijn zoon en stierf in gevangenschap.

(3) Shukuin: verwijst naar shukuse no gōin: ‘oorzakelijk karma uit een vorig leven’, m.a.w. karma’s of wilshandelingen die in het verleden gesteld zijn en die het huidige leven conditioneren.

(4) Zeven muren diep: prachtige beeldspraak voor onze condition humaine. Is het niet dikwijls zo dat we onszelf opgesloten vinden binnen de muren van verdwazing, begeerte en aversie, … muren van trots, twijfel, angst, … Hier lezen we hoe we daar zelf aansprakelijk voor zijn…

 

[54] (R75)

Koning Ajātasatru (1) ziedend van woede, riep:
“Mijn eigen moeder is mijn vijand!” (2)
Ondanks de wetten dreigde hij haar te doden (3)
Zijn zwaard getrokken richtte hij zich naar haar.

(1) Ajase: translit. van het Skr. Ajātasatru wat letterlijk ‘ongeboren’ (ajata) ‘vijand’ (satru) betekent. Ajātasatru nam onrechtmatig bezit van de troon door zijn vader op te sluiten en te laten sterven in gevangenschap. Later echter toonde hij oprecht berouw voor zijn daad en werd hij een trouw en oprecht volgeling van de Boeddha en begunstiger van de Leer. (Zie ook KGSS, III, 114-118.)

(2) Gamo zezoku: “Mijn eigen moeder is mijn vijand”. Deze zin komt uit het Meditatie-sutra. Wanneer Ajātasatru verneemt dat zijn vader na 3 weken nog steeds in leven is omdat zijn moeder deze heimelijk voedsel brengt [en hoe!] is hij zo razend van woede dat hij dreigt zijn moeder te vermoorden.

(3) Volgens de Veda’s is moedermoord (matricide) een ongehoorde daad en volkomen ondenkbaar, dit in tegenstelling met vadermoord (patricide). Ajātasatru is zeker niet de enige koning in de Indische geschiedenis geweest die door patricide aan de macht kwam.

 

[55] (R76)

Jiva (1) en Candraprabha (2) wezen hem beleefd terecht,
Zeggend: “Dit is [een handeling] van een Candāla (3)”;
“U kan hier niet blijven”, waarschuwden zij hem.
Hem zo weerhoudend van zijn waanzinnige plan.

(1) Giba: Skr. Jiva: Volgens de Nanyogiiki Innen Gyo werd hij beschouwd als een onwettige zoon van Koning Bimbisāra. Hij werd befaamd als heelmeester nadat hij de koning en de Boeddha van hun ziektes genas. Zelf een overtuigd volgeling van de Boeddha bracht hij Ajātasatru ertoe zich te bekeren tot de Leer.

(2) Gakkō: Skr. Candraprabha [Maanlicht]: Raadsheer aan het hof van koning Bimbisāra. Het Meditatie-sutra omschrijft hem als zeer intelligent en wijs man.

(3) Ze sendara: “Dit is [een handeling van] een Candāla”. Candāla’s zijn de zogenaamde ‘kastelozen’ of ‘outcasts’ in de Indische samenleving. Diegenen die niet tot de vier traditionele kasten behoren. Zij worden beschouwd als lager dan het allerlaagste. Wanneer we dit niet in de sociaal/maatschappelijke, maar in de religieuze zin gaan interpreteren, dan slaat Candāla terug op diegenen die spiritueel totaal onvermogend zijn. M.a.w. de bombu’s.

Ekō 74
Jodo-Wasan

jikōji - 慈光寺

© 2007

info-at-jikoji.com
          home