Het Vimalakirti-Nirdesa Sutra (5)

Katrien Haemers

Blijven in de wervelstorm van samsara
en niet zich-goed-bevinden in de rust van nirvana:

De stamboom van de Tathagata is uitgetekend: de verwantschap van al wat leeft in de wereld van samsara, met al zijn dwaasheid en gehechtheid die hoe dan ook de enige voedingsbodem is van de groei naar het Licht.

De smetteloze witte lelie stijgt uit haar modderige wortels omhoog: de gekwelde mens zoekt een opening naar bevrijding.

Het verhaal klinkt als een vaderlijke geruststelling: wanneer een kind thuis is, in familieverband, kan het zichzelf herkennen in de verwantschap met zijn levensgezellen.

Maar Vimalakirti heeft al een volgende vraag klaar: en het is geen keitje dat hij in het water gooit, het lijkt eerder het ontketenen van een kernexplosie.

“Heren, wat betekent het binnentreden in de doctrine van niet-tweeheid?” “Gebruik gerust uw eigen woordenschat,” voegt hij eraan toe - en hij rekent erop dat die welsprekendheid zal vertonen “en spreek volgens uw genoegen.”

Wat een gratie in de taal van die man van de wereld! Maar vergis u niet: het gaat het niet om een elegant salonpraatje!

Advaya-dharma-mukhapravesa

Een mondvol lettertjes, maar vooral een gemoed vervuld van een reusachtig overkoepelend gewelf, en tegelijkertijd een fundament, een basis, een pijler als ondersteuning van het Grote Voertuig.

De Grote Weg voor het Grote Voertuig is a-dvaya.

A-dvaya: niet-twee

Betekent dat dan één? Helemaal niet: dààr ligt niet het verschil. Nog eens een moeilijk concept uit het Boeddhisme (want dààr hebben we toch zo een onverzadigbare behoefte aan)!

Laat ons even Asañga erbij halen (1): “Ge moet weten dat het karakter van het werkelijke samengesteld is door niet-tweeheid. Door tweeheid verstaat men bestaan en niet-bestaan.”

Wat een grootse paradox: vele lezers-luisteraars haken hier af: dit is niet aan ons besteed… daar hebben wij geen boodschap aan… Het dagelijks leven is al moeilijk genoeg, zonder dat we er nog meer paradoxen moeten aan toevoegen.

Nee! Nu juist niet afhaken! Boeddhisme heeft alles met gewoon dagelijks leven - existentie-bestaan - te maken, géén theorie ‘waar ik niets aan heb’. Luister nog even wat er gezegd wordt, léés wat er staat! “In het bestaan (bhava) maakt men gebruik van conventionele alledaagse noties. En aangezien dat sinds eeuwen voorondersteld wordt door mensen, is ook dat de bron van alle concepten én van alle gesjouwel-praatjes (prapañca voor de Sanskrietliefhebbers…) die in de wereld gemeengoed zijn.”

(1) Aangehaald door E. Lamotte in ‘Bodhisattva Bhumi’.

Gesjouwel in boeddhistische context? Jawel, luister maar, het verschilt niet zoveel van bij ons.

Zo spreekt men over ‘materie’ (mijn huis), ‘waarneming’ (ik heb het zelf gezien met mijn eigen ogen), ‘begrip en besef’ (ik weet maar al te goed hoe dat in elkaar zit), van ‘wilsakt’ (dààr wil ik niets mee te maken hebben) en van ‘kennis’ (zo is dat en niet anders). Men spreekt van het oog, het oor, de neus, de tong, lichaam, geest… men spreekt over aarde, vuur, water en lucht; van kleur, toon, reuk, smaak en tastzin; men maakt onderverdelingen in goede, slechte en neutrale handelingen, men spreekt over ontstaan en vergaan, verleden, heden en toekomst, van geconditioneerd zijn of niet, van deze of gene wereld, vroeger, later, beter…

Men spreekt over dingen die men gehoord of gezien heeft (op radio en tv natuurlijk…), dingen die men bedacht heeft (terwijl men op de tram stond te wachten), die men gekend heeft (toen ik jong was…), die men verworven heeft (ik heb daar hard voor gewerkt…), dingen die men onderzoekt en beoordeelt (dàt loopt de spuigaten uit…); men gaat zelfs zover over Nirvana te praten (nee toch!).

“Al de elementen van het bestaande (dharma), waarover men in de wereld praat, en die voortkomen uit de gewone spreektaal, die noemt men ‘het bestaan’.”

Is dit een moeilijke uiteenzetting? Wanneer wij over het bestaan praten als lastig, zwaar, onzeker, ontgoochelend, absurd en nog veel meer, dan gebruiken we de woorden van zoveel menselijke ervaringen van lastig-zijn, ontgoocheld-zijn, wanhopig-zijn en nog veel meer. En dan geloven we ondertussen zonder twijfel dat er ‘een andere wereld’ bestaat die interessant, vrolijk, hoopvol en bevredigend is, waar wij niet kunnen aan deelnemen…

Is dit te moeilijk om te vatten? Of kost het enkel een beetje inspanning om het in onze eigentijdse spreektaal over te hevelen? Kan ‘elke mens’ zich daar niet een beetje in herkennen? Gaat dit niet over heel gewoon menselijk bestaan?

“Wat betreft het niet-bestaan, dat is de niet-realiteit, de afwezigheid van al die eigenschappen uit diezelfde conventionele spreektaal aangaande de materie en alle andere elementen uit het bestaan, tot en met Nirvana.

Het betreft het absolute niet-bestaan van datgene wat de gewone spreektaal uitmaakt, de totale afwezigheid van al die zaken waarop de gewone conversatie gebaseerd is om te kunnen functioneren: wel, dàt is het niet-bestaan.”

Die zaken die niet tot onze conventionele leefwereld behoren, die voor ons géén vanzelfsprekendheid zijn, die door onze cultuur niet erkend worden of door de sociale controle niet getolereerd worden, wel, die behoren voor ons tot de wereld van het niet-bestaande… Onbekend, onbemind, onbestaand…

“Maar dan is er ten slotte de niet-tweeheid: dat is datgene wat karakteristiek is voor de ‘wetmatigheid’ (dharma), absoluut gescheiden van bestaan of niet-bestaan, zoals we dat hierboven hebben beschreven. Die niet-tweeheid is de Weg van het Midden (madhyama pratipad), en aangezien die niet ontdaan is van de twee uitersten, is er niets dat boven haar kan gesteld worden.

Het is over die werkelijkheid dat de zuivere kennis van de Gelukzalige Boeddha’s handelt, en ook de kennis van de Bodhisattva, die nog in de fase van de voorbereiding is.”

De Weg van het Midden: gaan we de kant van de middelmatigheid op? Niet te warm of te koud, lauw en tam van hart, flets en zoutloos in de mond?

Nee! Lees wat er staat: de realiteit wordt niet gevat door extreme opvattingen en uitspraken; de ware toedracht van de dingen ligt niet in een idealistisch ophemelen of een afwijzend oordeel. Die extreme uitspraken dragen we allemaal klaar op de tong: dit is onvergeeflijk, dat is heilig, dat is het goede, dat is de leugen… Die uitspraken zeggen iets over onszelf, en niet veel over de werkelijkheid waarover we een uitspraak menen te doen. Die modaliteiten hebben wij gecreëerd in ons gemoed, van waaruit we denken, voelen en handelen.

Vertaal niet-tweeheid nu even naar het dagelijks bestaan in de 20e eeuw, in plaats van het te klasseren onder ‘de onbegrijpelijke concepten voor ingewikkelde geesten’.

De wereld die prachtig, schitterend, mooi, boeiend is verschilt niet van de wereld die afgrijselijk, hatelijk, verpest en giftig is. De mens die liefde, vriendschap, mededogen ervaart en zélf creëert, is niet verschillend van de mens die verraad pleegt, verloochent, moordt en oorlog voert. De natuur die mooi, vredig, lieflijk en rustgevend is, verschilt niet van de natuur die bedreigt en vernielt. Verdeel de wereld niet in goede en slechte zaken, in goede en slechte gebeurtenissen, in goede en slechte mensen.

Goed en slecht, waarheid en leugen: het zijn de geliefkoosde werktuigen waarmee we een wereld van tweeheid scheppen en bevestigen. Maar dit scheppen bedient zich van de conventionele wereldpraatjes waar de mens zich al duizenden jaren van bedient. Kunnen we dan niet eens de wereld bekijken, fris, met nieuwe ogen, alsof het de éérste keer was?

Die werkelijkheid die we dan zouden kunnen zien heeft alle mogelijke facetten in zich, alle kleuren en geuren, alle denkbare eigenschappen. De aloude ervaring van de mensheid kleurt onze eigen ervaring, suggereert een opsplitsing, die we met ons oordeel vonnissen en bevestigen, en waaronder we zelf lijden. Van daaruit gaan we dan extreme handelingen verrichten: wanhopen of illusies scheppen, oordelen of doofpotten aanmaken, extreme praktijken beoefenen of treurend wegzinken.

En dat alles op basis van de schepping van een gespletenheid die we zelf hebben teweeggebracht…

Asañga heeft zich nu al lang in stilte teruggetrokken in zijn Bodhisattva-Bhumi. Vimalakirti kijkt vragend de aanwezige wijze mannen aan. Wij hebben hun het woord ontnomen vóór ze iets konden zeggen… Zullen we nu ook even naar hen luisteren? …

(wordt vervolgd)

Ekō 74
Het Vimalakirti-Nirdesa Sutra

jikōji - 慈光寺

© 2007

info-at-jikoji.com
          home