Enkele Gedachten Bij O-Bon…

In zijn prachtige boek ‘ One Man’s Journey’, vertelt Dr. Kazuo Miyamoto hoe hij als 15-jarige jongen, opgegroeid in Hawaï en zo goed als onbekend met de Japanse traditie, sterk onder de indruk was van een passage uit een boek van Lafcadio Hearn. De dokter noemt Hearn “een Westerling die verliefd is op de Oosterse cultuur.”

In het boek wordt een gesprek beschreven tussen Hearn en zijn bediende Manyemon, op de avond dat jonge veteranen terugkomen in Nagoya, na de Sino-Japanse oorlog. Wanneer het avond-appèl wordt geblazen, ziet Hearn toevallig, en tot zijn verwondering, een ongewoon ernstige uitdrukking op het gelaat van zijn anders zo welgezinde en glimlachende bediende. Buiten deelt hij, zoals zo dikwijls, zijn indrukken met Manyemon:

“Vannacht zullen de jongens wel denken aan hun kameraden. Het geluid van de hoorn zal hen herinneren aan hen die niet teruggekomen zijn. Zij zullen niet gemakkelijk in slaap vallen, deze eerste nacht terug in Japan, denkend aan hun vrienden die omkwamen in de oorlog”.

Het antwoord van de bediende is echter zeer verrassend voor Hearn:

“Ik denk het niet”, zei Manyemon, “wij Japanners denken niet op deze wijze. Van de slagvelden van Liao Tung Peninsula en vanop de bodem van de Japanse Zee, zijn ze allen hier vanavond weer terug. Hun geesten zijn hier bij ons. Geen enkele is achtergelaten. Alle jongens zullen vast slapen, deze eerste nacht terug in Japan…”

Net als Dokter Myamoto was ik sterk ontroerd door deze passage. Want is dat niet dat wij allemaal verlangen wanneer iemand gestorven is?

Wat er ook verteld, geschreven of gelezen wordt over de dood van een geliefde: je moet het eerst hebben meegemaakt om de diepe, felle, soms bittere pijn van dat verlies te kunnen bevatten. De worsteling van het ontkennen naar het aanvaarden, de krachttoer van het met al je zinnen vastklampen naar het loslaten, het hard labeur van het rouwen. Dan wanneer er maar tijd genoeg over gaat, komt berusting en dankbaarheid. Maar de heimwee blijft.

En al weten we wel dat we de dode(n) fysiek, materieel, nooit meer kunnen ontmoeten, toch is het een zoete, troostende gedachte dat dit op het spirituele vlak wél mogelijk is.

Er bestaat, wat betreft het omgaan met de dood en de doden, een groot verschil tussen Oost en West.

Ieder van ons die met een sterfgeval werd geconfronteerd weet dat de dood of het langzame doodgaan in een ziekenhuis taboe is. Wij blijven er in slagen om ‘ouderdom, ziekte en dood’ uit ons dagelijks leven te bannen. Dat dit escapisme fundamenteel verkeerd is, word je gewaar wanneer je voor een langere tijd ziekenhuisbezoeker wordt omdat iemand van je familie terminaal is. Je bent ontzet al die honderden mensen dagelijks te zien in en uit lopen en daar het lijden in al zijn vormen onder ogen krijgen. En toch draait de buitenwereld aan haar waanzinnige ritme verder en doet men alsof de dood niet bestaat. En wanneer je met een overlijden wordt geconfronteerd, moet je het zo snel mogelijk proberen van je af te zetten en weer meedraaien in die fantastische, consumerende, blitse en springlevende maatschappij. Want “we leven maar één keer”, zegt de volksmond.

Waar de traditionele godsdienst vroeger nog een zeker ontzag voor de dood kon bijbrengen zie je dat, met het steeds verder afnemen van de religieuze beleving, meer en meer mensen vluchten in ontkenning en nog harder aan het Westers ideaal van ‘jong-gezond-fit’ gaan hangen.

We kunnen zo moeilijk met de dood om en ik weet het, het is een cliché, maar ik kan niets anders dan vaststellen dat hoe beter onze materiële situatie is, hoe geringer de middelen die ons op het spirituele vlak kunnen voeden.

Nochtans is de dood een realiteit en de enige zekerheid die we in het leven hebben.

Hoe anders gaat men daar in het Oosten niet mee om!

Los van de steeds verder oprukkende veramerikanisering, die eerder een verarming dan een verrijking is, leeft men in het Oosten nog steeds mét de dood. Ik denk hierbij aan India, waar je de dood gewoon op straat tegenkomt; ik denk aan een artikel dat ik onlangs las, over een ‘oefening’ in één of ander boeddhistisch klooster die er in bestaat een lichaam te aanschouwen in al zijn stadia van ontbinding en verval. Gruwelijk voor ons, maar met een diepe betekenis voor wie het meemaakt: het is een onvergetelijke ervaring in verband met de eigen veranderlijkheid en vergankelijkheid.

In elke samenleving bestaan er rituelen rond het afsterven en gedenken van de doden. In onze cultuur gedenken we de doden op Allerzielen, waarbij we bidden voor het zielenheil van de gestorvenen en noodgedwongen onze eigen sterfelijkheid overdenken.

En al kan ik mij geen Allerzielen zonder een gang naar het kerkhof indenken (maar dat is traditie, Westerse cultuur), toch ervaar ik die meestal grijze en weemoedige novemberdag nooit als een feest, en vind ik het spijtig dat er bij ons geen sprake van is dat een dode op een ‘geregelde’ manier nog eens naar huis komt.

Daarom spreekt het O-Bonfeest mij zo aan.

In Japan is de overtuiging dat de geest van de overledene naar huis terugkeert wijdverbreid in alle lagen van de bevolking. Daarop is het O-Bonfeest gebaseerd.

Het is een uitbundig, vreugdevol feest, met zang en dans. De doden worden er verwacht en verwelkomd. In dat volksgeloof en -devotie schuilt zoveel moois! Want dat merk je toch: de doden zijn niet dood. De levenden en de doden zijn met elkaar verbonden.

Van je voorouders kun je met zekerheid zeggen dat ze in je verder leven: ontelbare wezens zijn ons voorafgegaan en hebben hun sporen in ons nagelaten. In de eindeloze stroom van het Leven, leven zij in ons voort en leven wij dankzij hen.

Vrienden of geliefden leven anders in of met je voort: het contact of het samenleven met hen hebben je veranderd. En al kun je ze vergeten of verloochenen, toch kun je de invloed die ze op je hadden nooit ongedaan maken.

En dan heb je nog die ganse reeks wezens die je niet direct genetisch of emotioneel hebben beïnvloed, maar in wier aanwezigheid je hebt geleefd en die op om het even welke manier een indruk op je hebben gemaakt, een spoor hebben achtergelaten: klasvrienden of vriendinnen, ooms, tantes, buren en kennissen. Aan al die wezens die ons voorafgegaan zijn, die samen met ons hebben geleefd en ons ontvallen zijn, gaan wij met O-Bon onze dankbaarheid betonen.

Want de dood is geen breekpunt, geen eindpunt, geen afrekening.

Dood en Leven zijn één geheel; wij allen gaan mee in een oeverloze oceaan waarin alles en iedereen in steeds wisselende betrekkingen tot elkaar staan.

Shinran leert ons dat de mens van Shinjin bij zijn dood geboren wordt in het Reine Land. De mens van Shinjin wordt bij zijn dood deel van het Oneindige Mededogen. Hij wordt deelachtig aan Tariki.

Maar voor een gewone sterveling is dit moeilijk te begrijpen, het is nogal abstract, en het is zoveel gemakkelijker en menselijker om je voor te stellen dat een overleden geliefde nog steeds aanwezig en om je bekommerd is. Het is niet alleen makkelijker, het is ook concreter, en het is ook de manier waarop je het ervaart. Tariki spreekt niet zelden door een overleden geliefde. Zo dikwijls wordt er gezegd: “We zien elkaar weer in het Reine Land”, of: “Ik wacht op je in het Reine Land”. Dit is niet alleen maar een mooi, geloof of een zoete troost, meestal wordt de zekere mogelijkheid daarvan bij een overlijden ook heel direct en overtuigend ervaren.

Het is de verwoording van een zeer menselijk verlangen van degene die achterblijft, het is de ultieme belofte van trouw, de uitdrukking van een diep vertrouwen van degene die gaat…

En alhoewel het volgens de leer van de vijf aggregaten (pañcaskandha) en het niet-zelf (anatta) strikt gezien niet mogelijk is dat de geesten van de doden naar huis terugkeren, toch vraag ik me niet af of ik het O-Bonfeest nu als symbool, als metafoor of als wat dan ook moet beschouwen.

Ik ga op een heel traditionele en volksdevotionele manier O-Bon vieren: met veel plezier, met veel gastvrijheid, met veel dankbaarheid en een groot hart zal ik ons huisaltaar klaarmaken met wierook, kaarsen, bloemen, fruit en andere offergaven.

En ik zal, in de wetenschap dat de doden mét ons leven, een warm en hartelijk welkom bereiden voor mijn overleden man, vader, peter, tante, neefje, vriend, en alle andere afgestorvenen die ik nooit heb gekend of die misschien nergens anders terechtkunnen…

Namu Amida Butsu

Ekō 74

jikōji - 慈光寺

© 2007

info-at-jikoji.com
          home