Jodo-Wasan (10: 56-60)

Hymnen van het Reine Land

Shinran Shonin

Vertaling en nota’s: Rev. Yuho B. Van Parijs

De Inbreng van het Kleine Sutra (5 hymnen)

 

[56] (R82) (1)

Wakend over de volgelingen van de Nembutsu,
Doorheen de werelden in de tien richtingen, talrijk als de stofdeeltjes [in het Universum] (2);
Omvat Hij hen, hen nooit meer loslatend.
Vandaar dat men Hem Amida noemt.

(1) Deze hymne is gebaseerd op Shan-tao’s Ojo Raisan, waarin staat geschreven: “Vraag: Waarom wordt Amida zo genoemd? Antwoord: Zoals gesteld wordt in het Kleine Sutra en het Meditatie Sutra, is het Licht van de Boeddha onmeetbaar en ongehinderd, stralend doorheen de werelden in de 10 richtingen. Wakend over de volgelingen van de Nembutsu, omvat hij hen om hen nooit meer los te laten. Vandaar wordt hij Amida genoemd.”

In het Kleine Sutra (Buddha-Bhasita-Amitayuh-Sutra of Amida-kyo) lezen we: “En waarom, Sariputra, denkt gij dat deze Boeddha Amitabha wordt genoemd? Dat is, Sariputra, omdat het licht van deze Boeddha grenzeloos is, alle werelden in de 10 richtingen zonder hindernis doorstralend. Daarom wordt hij Amitabha genoemd. En voorts, Sariputra, is de tijdsduur van deze Boeddha en van zijn gemeenschap eindeloos en onbegrensd in ontelbare kalpa’s. Daarom wordt deze Boeddha dan ook Amitayus genoemd.”

(2) Mijin sekai: ‘Mijin’, Skr.: ‘rajas’ betekent ‘stofdeeltje’ of ‘partikel’, m.a.w. zoveel werelden als er moleculen in het Universum zijn of kort gezegd Ontelbaar vele werelden.

 

[57] (R83)

Tathagata’s, ontelbaar als de zandkorrels van de Ganges (1);
Verwerpen het ondergeschikte goede van de diverse praktijken (2);
Met eensluidende stem moedigen zij ons aan,
Uitsluitend te vertrouwen in de Onvoorstelbare Naam.

(1) In het Amida-kyo zie we geschreven hoe talrijke Boeddha’s uit de 6 richtingen ons aanmoedigen in Amida’s Dharma te vertrouwen: we lezen verschillende malen “… deze woorden van waarheid verkondigend: Gij allen, levende wezens, hebt vertrouwen in dit sutra dat de onvoorstelbare zegeningen en verdiensten van deze wereld verheerlijkt, wat door alle Boeddha’s bevestigd en verzekerd wordt.”

Op deze manier ontraden de Boeddha’s ons het beoefenen van de diverse praktijken maar ons uitsluitend toe te leggen op Amida’s Naam.

(2) Mangyo no shozen: lett. ‘Mindere goede van de tienduizend praktijken’. Verwijst naar de diverse goede praktijken (zoals deze worden beoefend in andere scholen binnen het Boeddhisme) andere dan het uiten van de Nembutsu. Daar de Naam alle verdiensten en deugden belichaamt, wordt het uiten van de Naam ook de ‘praktijk van veel goedheid en deugd’ genoemd. Men dient in deze context wel te verstaan dat het hier nog altijd gaat om de zgn. ‘zelfkracht-nembutsu’, de nembutsu van de 20ste Gelofte. We lezen in KGSS, III-28: “Daarom is het zo moeilijk de onovertroffen werkzaamheid te ontmoeten en [ook] zo moeilijk het verheven, reine vertrouwen te ontvangen. Alle doodgewone wezens bezoedelen [immers] voortdurend hun goedbedoelend gemoed met begeertes en gehechtheden, - en hun boosheid en haat verbranden voortdurend de schatkamers van de Leer. Zelfs wanneer ze ijveren en beoefenen, even naarstig als wanneer ze vuur van hun hoofd willen afschudden, worden toch hun praktijken ‘giftige en gemengde goede werken’ genoemd, begoochelende en bedrieglijke praktijken. Daarom zijn ze ook geen ware en werkelijke handelingen.”

 

[58] (R84)

De Boeddha’s uit de tien richtingen, talrijk als de zandkorrels van de Ganges;
Verkondigen de uiterst moeilijk te aanvaarden Dharma (1).
Voor het welzijn van deze kwade wereld van de vijf verdorvenheden (2),
Getuigen zij van Amida’s Dharma en beschermen zij ons (3).

(1) Gokunanshin no Nori: lett. ‘Dharma die uiterst moeilijk te geloven is’. Verwijst hier naar Amida’s Dharma, we lezen in Amida-kyo: “Sariputra, gij moet inzien dat ik deze moeilijke taak verwezenlijkt heb in deze periode van de vijf verdorvenheden. Ik heb na de uiteindelijke volkomen verlichting verwezenlijkt te hebben, deze taak verwezenlijkt voor het welzijn van alle wezens, namelijk het verkondigen van de Leer die zo moeilijk te aanvaarden is. Dit wordt inderdaad geacht een uiterst moeilijke taak te zijn.”

We kunnen ons de vraag stellen of deze Dharma werkelijk zo moeilijk te aanvaarden is, en waarom dat dan zo is… Is het trots en hoogmoed die ons ervan weerhouden deze Dharma te aanvaarden? Het zo moeilijk uit te roeien geloof in onze ‘eigen’ capaciteiten, misschien. Of speelt het feit van de Onvoorstelbaarheid van’ Amida’s Dharma, van de werkzaamheid van de Gelofte ons parten, kunnen we datgene wat we ons niet kunnen voorstellen ook niet aanvaarden? Of is het een combinatie van al deze dingen… we dienen ons oprecht deze vraag te stellen…

(2) Gojoku akuse: ‘de vijf verwordenheden of verdorvenheden’ die ons tijdperk kenmerken, nl. de (1) ‘verwordenheid van de tijd’ of het tijdperk dat gekenmerkt wordt door allerlei calamiteiten… oorlog, natuurrampen, epidemies, etc… (2) de ‘verwordenheid van de inzichten’, of de inzichten die door constante overlevering verwaterd zijn; (3) de ‘verwordenheid door kwade passies’; (4) de ‘verwordenheid van lichaam en geest’ of de degeneratie van het menselijke wezen; en (5) de ‘verwordenheid van het leven’ of het korten van de levensduur der wezens.

(3) Shojo gonen: ‘Shojo’ betekent ‘bewijzen met ware en oprechte woorden’; ‘Gonen’ betekent ‘beschermen met spirituele kracht’. Alle Boeddha’s getuigen omtrent de waarheid van Amida’s Dharma (zie hiervoor) en beschermen de Nembutsu-volgeling met hun spirituele krachten.

 

[59] (R85)

De bescherming en getuigenis van deze boeddha’s komt voort uit de voltooiing van de Mededogende Gelofte (1).
Zij die het diamantharde gemoed (2) hebben verwezenlijkt;
Dienen ernaar te streven Amida’s Grote Weldadigheid te beantwoorden.

(1) Higan: ‘Mededogende Gelofte of Gelofte van Mededogen’. Men kan uiteraard alle 48 geloften van Amida beschouwen als mededogende geloften, maar hier wordt specifiek naar de 17de gelofte gerefereerd. Deze gelofte stelt dat Amida’s Naam door alle boeddha’s zal worden geprezen en verheerlijkt (m.a.w. Universeel) zodat alle wezens in staat zijn deze te horen en zo bevrijdt kunnen worden uit de kringloop van Geboorte-en-Dood.

(2) Kongoshin: vrij vertaald is dit het ‘Diamantharde Gemoed’ of ‘Diamantharde Vertrouwen’, verwijzend naar het Vertrouwen ons geschonken door de Ander-Kracht… daar dit het Boeddha-Vertrouwen zelf is, is het onverwoestbaar als een diamant. M.a.w. een ander woord voor Shinjin. We lezen in KGSS, III-65: “Wie het Diamantharde Oprechte Gemoed verwezenlijkt, trekt dwars overheen de Vijf Kwade Bestemmingen en de Acht Hinderlijke Toestanden en verzekert zich in dit bestaan de 10 weldaden.”

 

[60] (R86)

Aan de bevlekte, verdorven en begoochelde wezens van deze kwade wereld;
In de duistere periode van de Vijf Verdorvenheden;
Geven de boeddha’s, talrijk als de zandkorrels van de Ganges;
Amida Buddha’s Naam (1), en manen [zij] ons [hierop te vertrouwen].

Het bovenstaande is de inbreng van het Kleine Sutra.

(1) Mida no Myogo: ‘Amida’s Naam’. Volgens Shinran is er voor de wezens in deze gedegenereerde wereld geen enkele andere mogelijkheid op bevrijding dan de Bevrijding door het Vertrouwen in de Naam.

Ekō 75
Jodo-Wasan

jikōji - 慈光寺

© 2007

info-at-jikoji.com
          home