Het Vimalakirti-Nirdesa Sutra (6)

Katrien Haemers

Het aanzienlijke gezelschap van monniken, arahants en bodhisattva’s maakt zich klaar te antwoorden op de grote vraag van Vimalakirti: “Wat betekent het voor de bodhisattva’s binnen te treden in de leer van niet-tweeheid?” De jonge neofieten zitten al op het puntje van hun stoel, met blinkende ogen te popelen om hun antwoord naar voor te mogen brengen. Andere bezadigde ouderen, die de sporen van hun leeftijd dragen, zitten ingekeerd hun woorden te wegen, rustig hun beurt tot spreken afwachtend.

Zij hebben geleerd dat spitse snelle antwoorden misschien wel een vernuftige constructie kunnen vertonen, maar even snel als een kaartenhuisje in elkaar tuimelen bij de verwonderde blik van Vimalakirti.

Wat hebben ze ons te vertellen?

Srigandha slaat nagels met koppen:

“Ik” en “het mijne” zijn twee. Maar het is omdat men zich het “ik” verbeeldt dat men ook “het mijne” oproept. Als er geen nutteloze bevestiging is van het “ik”, ontstaat het idee van “het mijne” ook niet. Dŕt is het binnentreden in de niet-dualiteit.

Ik-en-mijn-beroep, ik-en-mijn-kind, ik-en-mijn-huis, ik-en-mijn-status, ik-en-mijn-vrijheid, ik-en-mijn-rechten, ik-en-wat-nog meer?

Zoveel barričres, zoveel onderscheid, zoveel hiërarchische ladders, zoveel prikkeldraad, zoveel veiligheidssystemen en alarmsignalen om “het mijne” af te schermen: want “het mijne” moet het “ik” bevestigen in zijn onomstootbaarheid.

Als ik “het mijne” niet zo krampachtig bij elkaar scharrel en ergens veilig in bewaring breng, dan hoef ik geen prikkeldraad noch gezag noch repressie van al het “niet-ik”.

Wat is het onderscheid tussen mijn recht en het recht van de ander? Wat het onderscheid tussen mijn vrijheid en die van de ander? Zo eenvoudig kan een ingewikkelde theorie vertaald worden: haal de dingen niet uit elkaar, dan is er nadien geen probleem ze weer met elkaar te verbinden.

“De bevlekking en de zuivering zijn twee dingen. Als men goed begrijpt wat ‘bevlekking’ betekent, dan kent men ook de inhoud van het begrip ‘zuivering’.
Het komt erop aan eens en voor altijd die verbeeldingen in te perken.” voegt Srikuta eraan toe.

Het opheffen van alle concepten, én de weg die daar naartoe leidt. Men kan in het leven zaken ervaren - of menen te ervaren - die ontluisterend zijn, die lelijk zijn, die niet zuiver zijn… Dat moet men niet ontkennen. Men kan zich enkel bewust blijven ven het feit dat dit ervaringen zijn, getekend en ingekleurd door een ik, dat zich o-zo-graag een maatstaf wil aanmeten om alle concepten mee uit te meten…

Er is niet zoiets als bevlekking of zuivering, niet zoiets als goed en kwaad, niet zoiets als zonde of verdienste, er is geen slavernij noch bevrijding, geen geluk of ongeluk…

“Dit is geluk en dat is ongeluk: als men zoiets zegt, creëert men dualiteit. Als men door de zuiverheid van het kennen elke berekening uitsluit, dan wordt het begrijpen verlicht als een ruimte.”

Dit is de vinger op de wonde: waarom schept men dualiteit?

Door het berekenend oog, het berekenend hart: dit is mij gunstig, dat is mij ongunstig… Maar zie hoe de beklemmingen plots hun greep verliezen en het verstand en hart en gemoed vrij kunnen ademen en helder kunnen zien in de opengespreide ruimte.

Zie hoe de muren wegvallen en de enge kamer zich ontvouwt tot een landschap met wolken en wind en water.

Daarvoor moet niets afgebroken of omver gegooid: enkel de ogen ontsluieren om het gemoed vrij te maken van elke afkeer of begeerte. Met die ogen kijken naar de wereld… Dan is er niets meer licht of donker, dan is er helderheid.

Aangewakkerd door die eerste uitspraken beginnen vele bodhisattva’s opgewonden door elkaar hun eigen verwoording van niet-tweeheid uit te spreken. Als grote kaatsballen botsen de uitspraken heen en weer.

Hoor Narayana, zijn uitspraak klinkt heel herkenbaar: “Zeggen: dit is van de wereld, en dat is boven de wereld uitstijgend, dat impliceert weer dualiteit. In deze wereld, die van nature uit leegheid is, is er geen binnen-gaan, door-gaan, geen voortgaan noch stilstaan. Men moet niet de wereld binnen of buiten gaan, erin blijven, of hem overstijgen. De wereld is leegheid, rust, er is geen versplintering, geen uiteen splijten, geen verloren lopen, geen lagere en hogere werkelijkheid.”

De bekommernis om het religieuze is dikwijls omgeven door een wolkje van een ‘hogere orde’, het zweeft lichtjes boven de begane grond, het is van een ietsje hogere kwaliteit dan de gewone dagelijksheid: we doen tenminste alsof, of achten ons verplicht zo te doen. Spiritualiteit lijkt zich ‘een trapje hoger’ af te spelen, boven de huis-tuin-en-andere bezigheden.

Niets van aan, beweert Narayana: niets in deze wereld is te min om bij de religiositeit te behoren. De aandacht en de eerbied die men aan de minste handeling besteedt, maakt elke handeling religieus. Elk ding in de wereld dat men met aandacht en eerbied benadert in deze wereld, elk wezen dat men met wijsheid en mededogen benadert: dat alles maakt deze wereld tot één sacrale gehele wereld. Men moet niet het ene opzoeken en het andere proberen te ontgaan: dan wordt men niet verstrooid, dan loopt men niet verloren.

Deze houding van goedkeuring of afkeer is zelfs misplaatst tegenover de wereld van samsara of nirvana.

“Verheugd zijn omwille van nirvana en misnoegd zijn omwille van samsara: dat is dualiteit scheppen. Maar ophouden met naar nirvana te streven, en de afkeer voor samsara overwinnen: dat is niet-dualiteit. Waarom? Het is slechts wanneer men gebonden is dat men over bevrijding spreekt. Maar als men niet gebonden is, waarom zou men over bevrijding spreken? Wanneer men zelf zijn eigen geest niet heeft opgesloten binnen de grenzen van een denkbeeldig samsara, waarom zou men dan moeten uitzien naar ‘het gans andere’ van nirvana?”

Dat is de conclusie van Ratnamudrahasta.

Nirvana: dat is het deurtje hiernaast: hop, ik ben er binnen en hop, ik ben er buiten, dat zegt de myokonin.

Satyarata durft het aan de gevoelige snaren te raken: waarheid en leugen als dualiteit.

“Wanneer iemand die de waarheid gezien heeft, maar niet de aard van de waarheid doorzien heeft, hoe zou hij dan de leugen kunnen ontdekken? Waarom? Deze aard wordt niet gezien met het zintuig van het lichaam, maar met het zintuig van de wijsheid.

Die ware aard openbaart zich slechts wanneer het kijken ophoudt, wanneer de visies stilgelegd worden. Dan wordt er geen dualiteit meer gecreëerd.”

Vanuit wijsheid bekeken valt de grens tussen waarheid en leugen weg: niet omdat ze zouden identiek zijn, maar omdat ze twee aspecten van één en hetzelfde zijn. Het hangt ervan af vanuit welke hoek men kijkt: dat zal een indruk van waarheid of van leugen laten zien. Maar beide hoeken zijn stellingnames, constructies die vallen of staan naargelang de omringende omstandigheden. Ze staan niet op zichzelf overeind.

Onze schijnwerpers zijn het die de zaken als waarheid laten schijnen, of als leugen laten schijnen.

Wanneer alle aanwezige bodhisattva’s, zonder één uitzondering, hun mening ten beste hebben gegeven, keren ze zich plots naar Manjusri, de erfprins, verwonderd om zijn stilzwijgen.

“Manjusri, wat is nu eindelijk de intrede van de bodhisattva in de niet-tweeheid?”

“Mijne Heren, antwoordt Manjusri met een kleine zucht, ge hebt allen zeer goed gesproken; nochtans, naar mijn bescheiden mening, zit de dualiteit nog altijd vervat in wat ge gezegd hebt. Alle woorden uitbannen, en niets meer zeggen, niets meer uitdrukken, niets meer beweren, niets meer onderwijzen, niets meer aanwijzen, dat is niet-tweeheid realiseren.”

Alle aanwezigen, die daarnet nog vol vuur hun meningen probeerden te formuleren, kijken beduusd na deze uitspraak.

Maar het is niet de bedoeling van Manjusri hun de les te gaan lezen: hij richt de aandacht van het gezelschap op Vimalakirti, en wil graag dat de vraagsteller nu ook eens uit de hoek komt en zijn antwoord ten beste geeft.

En de edelachtbare Vimalakirti spreekt geen woord.

Er is er maar één in het gezelschap die bij die hoogverheven heilige stilte de realiteit niet uit het oog verliest.

“Het is al middag, en die hoogverheven bodhisattva’s blijven maar prediken, denkt Sariputra, wanneer zullen wij nog aan eten geraken?”

De grootmoedige Vimalakirti heeft de bezorgdheid van Sariputra al opgemerkt. Vooraleer hij aan diens wensen voldoet, heeft hij nog een zachte terechtwijzing voor de monnik met het kleine hartje:

“Sariputra, de Boeddha heeft gesproken over bevrijding: daar moet ge u aan houden, en ge moet niet naar de gesprekken over de leer zitten luisteren met in uw achterhoofd bekommernissen om materiële zaken.” Sariputra slikt even.

“Nochtans, vervolgt Vimalakirti, als ge wilt eten, wacht een ogenblik en ge zult zaken eten die ge nog nooit tevoren hebt gesmaakt!”

Het gaat deze keer niet om geestelijk voedsel.

Het gastvrije hart van Vimalakirti tovert een banket waarvan zelfs een bodhisattva niet zou durven dromen…

(wordt vervolgd)

Ekō 75
Het Vimalakirti-Nirdesa Sutra

jikōji - 慈光寺

© 2007

info-at-jikoji.com
          home