Rennyo Shonins Twee Waarheden (1)

1998 is het jaar van gedachtenis van Rennyo Shonin, Hongwanji’s 8ste Hoofdabt (1414-1499). De feestelijkheden zullen voortduren van maart 1998 tot en met maart 1999. Het is dan ook vanzelfsprekend dat ook Ekō hieraan deelneemt, zij het ook met de tekst van een lezing gehouden te Düsseldorf in augustus 1996.

Shitoku

I.

Ondanks het feit dat de historische Boeddha geen afgetekende politieke boodschap heeft nagelaten, was het zo goed als onvermijdelijk dat in de loop van de volgende eeuwen het Boeddhisme willens-nillens zou betrokken worden in het risicovolle bereik van de wereldse politiek. Net zoals het originele Christendom ten tijde van keizer Constantinus verwikkeld geraakt is in de politieke situaties van het Romeinse Rijk, zo kunnen we ook zien hoe het Boeddhisme, vanaf de tijd van keizer Ashoka, op positieve of op negatieve wijze gerecupereerd werd in het Indische politieke leven. Volgens prof. Joshi is het zelfs zo dat het ontbreken van politieke richtlijnen in de Buddha-Dharma mede een van de oorzaken zou geweest zijn van verdwijnen van het Boeddhisme uit het Indische subcontinent.

Een bijna identieke vermengeling van spanningen, drukkingen, beschermingen en conflicten kunnen we vaststellen in het keizerlijke China, uitmondend in de noodlottige vervolgingen van de 9de eeuw.

In Japan kreeg deze omstandigheid nog scherpere hoeken. Het Boeddhisme werd immers door Prins-Regent Shotoku voornamelijk ingevoerd als een politiek instrument. In de daarop volgende tijd zien we hoe de keizerlijke beslissing de zg. ‘provinciale tempels’ op te richten, in feite neerkwam op het instellen van controle-organen die een weerspiegeling waren van de centraliserende politieke wil, die zich o.a. uitte in de oprichting van de Todaiji te Nara. Met als gevolg dat de aristocratie (zeker na de afzwakking van de keizerlijke macht) haar machtsgreep op de belangrijkste tempels en kloosters kon versterken. Heel deze complexe situatie leidde naar de intense liefde/haat-verhouding tussen de keizerlijke/shogunale autoriteiten en de boeddhistische instellingen.

Een zowat gelijkaardige situatie is zichtbaar tijdens de Kamakura-periode. Toch zullen we hier niet ingaan op de problematische rol van de staatspolitiek tegenover Eisai, Honen, Dogen of Nichiren, om hoofdzakelijk ons op Shinran te concentreren.

Maar nog vóór Shinrans prediking van de Tariki-Nembutsu, worden we geconfronteerd met een pak antinomische ‘afwijkingen’. Onder de druk van de gevestigde religieuze structuren, moest Honen er rekening mee houden, o.a. in zijn Zeven Artikelen Document (1204), waarin hij a.h.w. verplicht was zich op te stellen tegen ‘ketterse inzichten’, zoals “… het naleven van de [wettelijke] voorschriften moet afgewezen worden als een diverse zelfkracht-praktijk, en volgelingen van de Voortijdelijke Gelofte zouden geen angst moeten hebben om het kwade te begaan…”

In een brief uit Goshosokushu, gericht aan Shoshinbo, kunnen we aanvoelen hoe ernstig de conflictsituatie wel was tussen de jonge Shinshu-gemeenschappen in Kanto en de Kamakura-administratie. Deze spanning ontsprong hoofdzakelijk uit een antinomische attitude en foutief begrijpen van de Ander-Kracht-lering: “Vermits onze Geboorte in het Reine Land gevestigd is geworden door Amida Buddha, waarom zouden we dan nog maatschappelijke normen zoals eerbied of gehoorzaamheid en het betalen van belastingen in acht nemen?”

Waarschijnlijk kortelings nadat Shinran de Kanto-streek had verlaten, begonnen sommige van de jonge Shinshu-groepen tekenen van deze verwarring te vertonen: de ‘ketterij van het toegelaten kwaad’, een ‘ketterij’ waarvan de sporen kunnen teruggevonden worden tot laat in de 15de eeuw en nadien van tijd tot tijd terug opdoken. De socio-politieke gevolgen ervan brachten de Kamakura bakufu (regering), die zich aansprakelijk voelde voor het maatschappelijke en religieuze gedrag van de bevolking, tot wettelijke ingrepen. Vanaf 1234 werd dan ook de Nembutsu-lering (in de praktijk eerder lokaal en vaak afgezwakt…) buiten de wet gesteld en zelfs vervolgd.

Dergelijke sociale implicaties werden zelfs nadrukkelijker vanaf het moment dat sommige Shinshu-volgelingen begonnen de plaatselijke kami’s te ‘minachten’.

In dezelfde, bovenvermelde brief, raadt Shinran zijn volgelingen aan de autoriteiten te eerbiedigen en zelfs de Nembutsu te reciteren voor het welzijn van het keizerlijke hof en voor de natie. Het is evenwel duidelijk dat deze aanbeveling eerder past bij een pragmatische reactie of bij een vroegere fase van Shinrans denken (zie bv. Mattosho v): “We zouden moeten streven naar vrede in de wereld en naar de verbreiding van de Buddha-Dharma.”

Shinrans opvolgers werden geconfronteerd met gelijkaardige problemen, maar de antinomische tendensen bleven te voorschijn komen, golf na golf, ten tijde van Kakunyo en Zonkaku, om een hoogtepunt te bereiken onder Rennyo Shonin.

II. Rennyo Shonin en de politieke wereld

In de politieke en religieuze warboel van de 15de eeuw, komt een nieuw element de situatie van de vorige eeuwen nog wat meer vertroebelen: niet enkel de antinomische tendensen of de verwerping van Ryobu-Shinto (waarbij de Shinto Kami’s werden geïdentificeerd met tijd-en-ruimtelijke manifestaties van boeddha’s of bodhisattva’s), maar ook de voortdurende en wederzijdse vernietiging van tempels (hoofdzakelijk Jodo-shu, Tendai-shu, Nichiren-shu, maar ook de Jodo-Shinshu gaat hierin niet vrijuit) maakten de maatschappelijk-religieuze spanningen voortdurend bitterder. Dit is overigens het tijdperk van de eerder zwakke Ashikaga-Muromachi administratie (1338-1573): met het graduele begin van de boerenopstanden (1364), de Onin-oorlogen (1467-1477) tussen de machtigste clans, en de daaropvolgende troebelen (dit is de zg. Sengoku-periode van de Strijdende Staten), die blijven duren tot de hardhandige pacificatie door Oda Nobunaga (rond 1580).

Het is juist in deze complexe atmosfeer dat Rennyo Shonin geconfronteerd werd met een doorslaggevende interne Hongwanji-situatie: de grote meerderheid van Shinshu-volgelingen bestond uit boeren. Om weerstand te bieden aan verarming en uithongering onder de druk van hoge belastingen en de voortdurende vernietiging van hun velden en oogsten door de talrijke clanlegers, waren ze in opstand gekomen, evenwel niet altijd met het verhoopte succes. Voor de Honganji-leiding betekende dit een socio-politiek dilemma: ofwel afzijdig staan tegenover zijn meest overtuigde aanhangers, ofwel ze bijstaan in hun economisch maar ook gewapend verzet tegenover de overheden.

Voor Rennyo was dit probleem jarenlang een onontkoombare moeilijkheid. Hij was geslaagd in zijn opzet om van de Honganji de belangrijkste Jodo-Shinshu organisatie te maken, door de andere Shin-denominaties te overtuigen of moreel te dwingen ‘zijn’ Honganji te vervoegen, maar anderzijds provoceerde hij een menigte opstandige volgelingen door een nieuwe machtsvorm te scheppen die niet enkel beperkt bleef tot een spiritueel niveau, maar die ook werkzaam kon en wou zijn op het socio-politieke niveau. Een groot gedeelte van zijn brieven getuigt van zijn bekommernis om dit pijnlijke dilemma.

Zijn jarenlange ervaring, zijn gevoel voor diplomatie, zijn bekommernis voor een vredevolle situatie tegen watvoor prijs ook, en zijn diep begrip van de Jodo-Shinshu-lering, brachten hem ertoe te formuleren wat wij nu zijn Twee Waarheden Theorie noemen. Men dient er evenwel van bewust te zijn dat, ondanks het wat gelijkluidend woordgebruik, deze term volkomen anders ligt dat wat in het algemene Mahayana-boeddhisme verstaan wordt als de twee waarheid-niveaus zoals ze b.v. bij Nagarjuna voorkomen: enerzijds een ‘relatieve waarheid’ samvriti-satya, en een absolute waarheid paramartha-satya. Rennyo’s ‘Twee Waarheden’ (ni-tai) behoren niet, zoals Nagarjuna’s formulering, tot een kentheoretische uitspraak, maar tot een ‘regel’ voor praktisch gebruik.

(wordt voortgezet)

Ekō 76
Rennyo Shonins Twee Waarheden

jikōji - 慈光寺

© 2007

info-at-jikoji.com
          home