Vroege Geschiedenis Van Het Boeddhisme In België (3)

Shitoku A. Peel

De periode 1956-‘70 betekent weliswaar een eclipsfase van het boeddhistisch beleven in België, maar toch zijn deze jaren van groot belang geweest voor de latere evolutie van de boeddhistische organisaties, zij het ook grotendeels door de politieke verwikkelingen in Azië, maar ook door o.a. de ontkerkelijking van de christelijke leerstellingen en door de opkomst van een ‘tegen-cultuur’ hoofdzakelijk bij de jongeren in Amerika en Europa.

Wat Zuidoost-Azië betreft, is er het eerste drama van de Franse pogingen opnieuw macht te verwerven in het vroegere Indochina. Met de nederlaag van het Franse leger bij Dien-Bien-Phu, zien we de verdeling van het land (vroeger Annam genaamd, het ‘Land van Vrede’) in Noord- en Zuid-Vietnam, met daarnaast het koninkrijk Cambodja en het afgelegen Laos. Deze militaire en politieke verwikkelingen geven aanleiding tot een eerste stroom vluchtelingen, in hoofdzaak naar Frankrijk en België. Voor de meeste van deze vluchtelingen behoort het (Theravada)-Boeddhisme tot hun etnische cultuur en wordt het een element van samenhorigheid in de situatie van ballingschap.

Rond diezelfde periode versterkt China zijn greep op Tibet, hoofdzakelijk om economische en militaire redenen. De harde politiek die deze ingreep structureert en de strakke Mao-tze-tung lijn (die zal leiden tot de ‘Culturele Revolutie’) verwekt bij de Tibetaanse bevolking een weerstand, die uiteindelijk zal leiden tot een gewapende opstand. Deze wordt bloedig neergeslagen. Heel wat Tibetanen zoeken hun toevlucht in India en Nepal. Men schat o.a. dat er bij deze vluchtelingen zowat 40 000 lama’s waren; van de meeste onder hen waren de kloosters met de grond gelijk gemaakt. Niet alleen heeft dit hardhandig optreden van de Chinese Volksrepubliek in het Westen een gevoel van afschuw gewekt (we zitten dan ook midden in de topfase van de ‘koude oorlog’!), maar parallel daarmee een sympathie voor het Tibetaanse volk en het Tibetaanse Boeddhisme, hoofdzakelijk in de persoon van de zowel wereldse leider als geestelijk voorman, de Dalai-Lama XIV. Maar met sympathie alleen lost men geen financieel-economische problemen op: het arme India kon immers de vluchtelingen, lama’s inbegrepen, niet blijven onderdak en voedsel geven.

Wat Vietnam betreft: de miserie was niet ten einde met het vertrek van de Fransen. Het Noorden erkende de verdeling van het land niet en met steun van buitenaf (hoofdzakelijk de Sovjet-Unie) verlangde het tot een hereniging te komen. Zuid-Vietnam was ondertussen een Amerikaans bijna-protectoraat geworden. De (katholieke) Diem-regering stelde zich agressief tegenover het Noorden op, vertrouwend op de Amerikaanse militaire aanwezigheid. Tegenover de vredespogingen van de boeddhistische meerderheid (denk aan de zelfverbranding van monniken) verhardde het conflict tussen het (kapitalistische) Zuiden en het (marxistisch-leninistische) Noorden. De Amerikaans-Zuid-Vietnamese nederlaag bracht een nieuwe vluchtelingenstroom op gang, net zoals de eerste grotendeels gevormd door de middenstand en de intelligentsia, waaronder heel wat monniken.

Een ander aspect van het beter bekend worden met het Boeddhisme, ligt, zoals supra gezegd, in een zekere vorm van ontkerkelijking en zelf ontkerstening in Europa en de VS. Het Concilie Vaticanum II had immers een poort opengezet naar kennismaking met andere religies en spiritualiteiten. Men kon vaststellen hoe de doorsneechristen meteen nieuwsgierig werd naar datgene wat hem lange tijd ontzegd was geworden. Maar naast deze oecumenische gedachtegang, ontstond er ook meer en meer twijfel: eerst aan de kerk, dan aan de lering zelf. Deze nieuwsgierigheid centreerde zich aanvankelijk rondom het Hindoeïsme en het Boeddhisme, later ook naar de religies van de niet-schriftelijke culturen. De immigratie van ‘gastarbeiders’ uit de Maghreb en Turkije verwekte zowel een wrevel als een belangstelling voor de Islam.

Ook in de filosofie en haar randgebieden zien we het openbreken van de traditionele begrenzingen. Het is blijkbaar vanuit de natuurwetenschappen en hun logische onderbouw dat er - soms betwistbare… maar bespreekbare - punten van overeenkomst gevonden worden. Zo stelt men een stijgende belangstelling vast voor Nagarjuna en andere vooraanstaande boeddhistische denkers. Figuren als Whitehead, Wittgenstein, Foucault, Derrida kan men dicht bij de boeddhistische denkwereld situeren.

Zelfs het New-Age-verschijnsel - wat men er ook van moge denken - is a.h.w. een opening naar het Oosten. Een werk als Fr. Capra’s Tao of Physics is tekenend in die zin.

Een ander aspect van opening naar en belangstelling voor het Boeddhisme zien we bv. bij de Beat Generation, waarvan de prominenten zich klakkeloos beroepen op Zen en dergelijke meer. De interne “reactie tegen” leidt naar een contracultuur via W. Burroughs en Marcuse, wat uitmondt in de Flower Power, met zijn twee strekkingen: enerzijds de ‘Mei ‘68’-opwelling, vanuit de VS, waar het begon als een anti-Vietnam-oorlog demonstratie, overgewaaid naar Europa (vooral Parijs), en anderzijds de ‘tocht naar Kathmandu’, hoofdzakelijk op zoek naar bewustzijnsverruiming en bewustzijnsverruimende middelen, maar waar meteen ook aanraking is met vreemde spiritualiteiten als Hindoeïsme en Boeddhisme.

Wanneer er vanaf 1970 een wereldwijd groeiende belangstelling is voor het Boeddhisme, niet enkel als studie materie maar ook als dagelijkse beleving, dan is dit niet aan één enkele oorzaak te wijten, maar aan een convergentie van omstandigheden op mondiaal niveau, plus de door vlottere communicatie betere bekendheid met ‘de andere’ en met ‘het andere’. Dat dit ook het geval is voor België spreekt vanzelf. Toch moet men vaststellen dat de Belgische situatie niet gemakkelijk is. Er zijn de taalgemeenschappen, er is het individualistisch denken, er zijn de politieke gespletenheden, er is een zekere geestelijke gemakzucht (zeker bij de Vlaming). Dat verklaart allicht de interne en externe problemen die heel wat boeddhistische gemeenschappen hebben meegemaakt. Of nog meemaken.

IV.

Het eigenlijke institutionele optreden van boeddhistische bewegingen in België is - net zoals voor vele andere landen en streken - een gevolg van politieke evoluties en revoluties in Aziatische landen.

De tragiek van de verschillende oorlogen en burgeroorlogen in ZO-Azië (hoofdzakelijk Cambodja, Laos en Vietnam, d.i. het vroegere Indochine Française) heeft jarenlang duizenden op de vlucht gedreven, hoofdzakelijk middenstanders en intellectuelen. Aanvankelijk zochten deze ‘eerste-golf boat-people’ toevlucht in Franstalige landen; later, met de Amerikaanse fatale inmengingen, werd ook de Engelstalige wereld (o.a. Australië, Canada en de VS) doel van de vluchtbeweging.

Deze ZO-Aziatische vluchtelingen vormden evenwel geen etnische noch religieuze eenheid. Bovendien bleken ze vanuit hun vaderland hun politieke onenigheden meegevoerd te hebben. Zo bv. kon men in de jaren 70 onder de Cambodjaanse boeddhisten in België een splitsing volgens drie politieke lijnen vaststellen. Gelijkaardige wrijvingen waren er ook onder de (weinige) Laotianen en (vele) Vietnamezen in ons land. Bovendien waren de meeste Vietnamezen volgelingen van het Mahayana, terwijl de grote meerderheid van de Cambodjanen en Laotianen aanhangers zijn van het Theravada-Boeddhisme.

In België werden deze vluchtelingenstromen hoofdzakelijk opgevangen door Caritas Catholica (niet zonder enige bekeringsdruk…) en door het Rode Kruis. Ikzelf mocht in het Rode-Kruis-opvangcentrum te Merksem een tijdje een zaaltje inrichten als boeddhistische tempel, wat door de vluchtelingen zeer gewaardeerd werd.

Deze ‘boat-people’ werden aanvankelijk, na hun verblijf in de opvangcentra, zowat over het hele land verspreid. Hierbij werden families uiteengerukt; werkwilligen werden door inheemse arbeiders miszien. Daarbij maakte de taalbarrière contacten moeilijk en conflicten onvermijdelijk, ook al waren ze vaak onopzettelijk.

Spontaan ontstond er onder deze verspreide vluchtelingen een neiging tot lokale hergroepering. Vermits ze meestal, als ex-inwoners van l’Indochine Française, het Frans als tweede taal hadden, trokken de meesten naar Brussel, Luik of Verviers, om zich daar bij hun lotgenoten te vestigen. Dat verklaart de lokalisatie van deze etnische groepen.

Een gevolg van deze hergroepering was dat het vormen van religieuze gemeenschappen mogelijk werd. De geestelijke overheden hadden zich hoofdzakelijk rondom Parijs gevestigd. Het is dan ook vanuit Frankrijk dat zij het boeddhistisch beleven in België poogden te organiseren. Als eerste Cambodjaanse monnik kregen we de merkwaardige, maar innemende figuur van Ven. Meas Yang. Na diens overlijden, werd de Cambodjaans-Boeddhistische beweging directer vanuit de Parijse Vatt Khemararam geleid en aangevuurd door Ven. Bourkry (nu ‘Patriarch’ van Cambodja). Hij hergroepeerde de diverse stromingen binnen één gemeenschap en maakte er een werkzame en redelijk efficiënte instelling van (nu Vatt Khmer, te Brussel).

Ook de verbreiding van het Tibetaanse Boeddhisme staat in functie van de tragische historisch-politieke gebeurtenissen in Tibet. We zullen in de huidige context niet ingaan op het feitenmateriaal: dit is al vaak en vanuit verschillende gezichtshoeken, in filmen en in boeken, al dan niet met succes en/of historische betrouwbaarheid, beschreven geworden.

Een grote hoeveelheid (men spreekt van 40 000…) geestelijken (lama’s) waren gevlucht naar Nepal, Bhutan en hoofdzakelijk India, voor de gewelddadige inval van het Chinese leger, later die van de milities van de Culturele Revolutie.

Het onderhoud en de verzorging van deze vluchtelingenmassa’s (men dient immers bij het aantal lama’s nog een vier- à vijfvoudig aantal leken te voegen) stelden de toch arme onthaallanden voor zware economische problemen. Daarom besloot een van de grote stromingen van het Tibetaans Boeddhisme, de Kagyupa, zijn lama’s de wereld in te sturen: ten eerste weliswaar om de Leer van de Boeddha te verkondigen, maar ten tweede tevens om de economische en financiële druk van hun aanwezigheid in arme derde-wereldlanden te verlichten.

Wie het wou, wie de aansprakelijkheid voor verzorging en verblijf van lama’s op zich wou nemen en daarbij voldeed aan bepaalde voorwaarden, kon ‘zijn’ lama meenemen. Het is beslist wat simplistisch uitgedrukt, maar toch is het zo dat op deze basis heel wat Tibetaanse centra in Amerika en in West-Europa werden opgericht. Voor ons land was het Carlo Luyckx die in Berchem-Antwerpen, onder de geestelijke leiding van Lama Urgiän, het eerste Kagyupa-centrum opende. Het nam redelijk snel uitbreiding en moest verschillende keren naar steeds ruimere lokalen verhuizen.

Nog steeds in die vroege jaren 70, en misschien wel via het voorbeeld van de boeddhistische vluchtelingen, gaat het tot dan wat dormante Zenboeddhisme zich organiseren. Onder de aansporing en het enthousiasme van Rev. Genmyo Dotai (Eug. Buelens), sluiten de meeste Zen-dojo’s aan bij de Association Zen Internationale, opgericht en geleid door Rev. Deshimaru Roshi, aanvankelijk te Londen, later voor heel wat jaren te Parijs.

Maar niet alle Zen-groepen en -groepjes, met hun meestal nogal wisselende aanhang, waren het eens met deze centraliserende politiek. Bovendien mag gezegd worden dat interne onenigheden en persoonlijke ambities dikwijls (en dit vanaf de 8ste eeuw in China!) een gezonde ontwikkeling van de Zenstromingen hebben dwarsgezeten en oorzaak waren van versplintering. Zo bv. in Antwerpen waren er op een gegeven moment vier Zen-, half-Zen- of pseudo-Zengroepjes… die alle weigerden rond éénzelfde tafel plaats te nemen.

In 1974 word ikzelf benaderd door Engelse en Japanse vrienden om in het Nederlandse taalgebied en omstreken bekendheid te geven aan de Jodo-Shinshu-stroming. Aanzet hiertoe waren hoofdzakelijk mijn oude vriend Jack Austin (Londen) en Z. Emin. Kosho Ohtani, toen nog Monshu (hoofdabt) van de Nishi-Hongwanji (Kyoto).

Jack Austin had in Groot-Brittannië de Shin Buddhist Association opgericht na de tamelijk pijnlijke ontbinding van de jaren vroeger mede door hem opgerichte Western Buddhist Order. Als ‘development offïcer’ van de World Conference of Faiths, woonde hij de stichting bij van een ‘Belgian branch’ ervan, de voorloper van de huidige Faculteit voor Vergelijkende Godsdienstwetenschappen. Deze ontmoeting was meteen de gelegenheid om ten eerste de religieuze en filosofische inhoud van de Jodo-Shinshu in westerse talen te definiëren, en ten tweede voorbereidingen op lange termijn te treffen voor een latere uitbouw.

In 1976 ontving ik van Monshu Kosho Ohtani kikyo-shiki (‘initiation rite’). Op 8 december van datzelfde jaar opende ik te Antwerpen de eerste Shin-‘kapel’; anderhalf jaar later verhuisde dit naar een bovenverdieping in de wijk Zurenborg. In mei 1979 werd deze vestiging door het bestuur van de Nishi-Hongwanji officieel erkend als ‘tempel’: Jikoji, Tempel van het Licht van Mededogen.

Zelf ontving ik dat jaar, na een studieverblijf te Kyoto, van toen pas Monshu Koshin Ohtani tokudo-shiki (het zg. ‘priesterschap’, in feite verantwoordelijke voor tempel en leerverkondiging).

Ondertussen was in maart 1978 het eerste nummer van ons tijdschrift Eko verschenen, waarvan U nu nr. 76 in handen hebt. Met het risico dat dit het laatste zou zijn…

In het kielzog van de ‘klassieke’ stromingen ontstonden er in de jaren 80 en 90 nog diverse andere boeddhistische stromingen, met min of meer geluk.

Noteren we in de eerste plaats het oprichten van de Soka Gakkai, een militante stroming die zich beroept op de traditie van Nichiren Shonin om haar exclusivistische en nationalistische visies aan de man te brengen. Dààrnààst werd een Hokke-ji tempel (te Moorslede, in West-Vlaanderen) erkend door de Nichiren-shu, maar door zijn afgelegen locatie is het twijfelachtig of deze vestiging écht werkzaam kan zijn.

In zeer bescheiden mate heeft in dezelfde periode zich in het Brusselse nog een vestiging van de Drugpa-Kagyugpa, een andere Tibetaanse stroming, geïnstalleerd, maar de vraag blijft of deze zetel enige uitstraling zal hebben.

Samenwerking?

Het merendeel van de hierboven geciteerde boeddhistische gemeenschappen heeft in de loop der jaren gepoogd een samenwerkingsverband op te bouwen.

Een eerste poging hiertoe was het gezamenlijk inrichten van een ‘Boeddha-dag’, te Mariemont: een eerste poging in 1978, dan een meer gerichte organisatie vanaf 1980. Het was meestal een zaterdag of een zondag van mei of juni. Deze traditie is echter doodgelopen door de afbraak van het grote Boeddhabeeld (ondermijnd door ‘bronsrot’ en blijkbaar onherstelbaar door de hoge kosten).

Een andere poging (maar dan vallen we buiten ons vooropgezet tijdsbestek) is de oprichting van een Federatie van Boeddhistische Gemeenschappen in België (23 februari 1986) om tot een betere formele samenwerking te komen. Dit blijft evenwel een open vraag.

(slot)

Ekō 76
Vroege Geschiedenis Van Het Boeddhisme In België

jikōji - 慈光寺

© 2007

info-at-jikoji.com
          home