Rennyo Shonins Twee Waarheden (2)

Eko’s bijdrage tot het Rennyo Shonin Big Festa-jaar 1998-1999 bestaat in het publiceren van de tekst van een lezing gehouden te Düsseldorf in het ‘Eko-Haus der Japanischen Kultur’, in augustus 1996. Een grotere bijdrage over dit onderwerp werd (in het Nederlands!) gepubliceerd in het boek ‘Rennyo Shonin Reader’, een internationale uitgave van het Hongwanji International Center te Kyoto, met bijdragen in het Engels, het Portugees, het Frans én het Nederlands, rondom de diverse boeiende thema’s waartoe de markante figuur van de 8ste Hoofdabt aanleiding heeft gegeven.

(Shitoku)

 

Het is blijkbaar gedurende de jaren van zijn verblijf te Yoshiyaki (1471-1475) dat Rennyo, nu aan het hoofd van een machtige en krachtige Honganji, geconfronteerd werd met de ambiguïteit van een religieus leven-en-beleven tegenover een administratie die stoelde op een keiharde wetgeving en op militaire slagvaardigheid.

Deze situatie zien we weerspiegeld in zijn ‘Brieven’ (o-fumi, in de Nishi-Honganji traditie ook Gobunsho betiteld). Het merendeel van deze brieven werden geschreven tussen Bunmei 3 (1471) en Bunmei 8 (1476); ze weerspiegelen de dagelijkse problemen, waarbij Rennyo de nadruk blijft leggen op het vermijden van discussies met andere boeddhistische stromingen; meer dan eens wijst hij op de noodzaak eerbied op te brengen voor de lokale kami’s en de ‘andere boeddha’s’, maar wél zonder erop te rekenen, want men kan enkel zijn vertrouwen stellen in Amida Boeddha (bv. Gobunsho II-3, 1474). In brief II-6 (1474) vermaant hij de volgelingen: “Spreek geen kwaad over de provinciale militaire gouverneurs of de plaatselijke grondbezitters, onder het voorwendsel dat gij het vertrouwen hebt verwezenlijkt; vervul ten volle uw openbare verplichtingen (…) Neem daarbij dit bijzonder in acht: beschouw de wetten van de staat als uw uitwendig aspect, bewaar het vertrouwen in de AnderKracht diep in uw gemoed en neem [de principes van] menselijkheid en rechtvaardigheid ernstig op. Denk eraan dat dit de gedragsregels zijn die in onze traditie gevestigd zijn geworden.”

Twee bemerkingen aangaande dit citaat: (1) ‘gedragsregels’ = okite is een term die feitelijk voorbehouden is aan de keizerlijke administratie, net zoals chokumei (‘keizerlijk bevel’) dat voorkomt in KGSS; (2) ‘menselijkheid’ is een typisch confuciaans begrip (Ch. rén, Jap. jin).

Rennyo expliciteert een uitwendig aspect in brief III-13 (1476): “Beschouw de wetten van de staat als fundamenteel (…), betaal de gevestigde jaarlijkse belastingen en ten volle de [financiële] verplichtingen tegenover de ambtenaren (…).” Wat verder in de tekst zegt hij: “Inwendig, vertrouw in eensgerichtheid van gemoed en standvastigheid op Amida Tathagata (…).”

Een gelijkaardige toon horen we in heel wat brieven: II-10 (1474), III-10 (1475), III-11 (1475), III-12 (1476), IV-1 (1477), IV-3 (1477), …

Een eerste besluit is duidelijk: Rennyo’s grootste probleem met de moeilijke staat/religie-verhouding situeert zich rondom de jaren 1474-1477, waarschijnlijk wel de moeilijkste jaren voor de Yoshiyaki Honganji. Later (in de niet-gedateerde brieven van deel V) blijkt deze storm wat geluwd te zijn…

Een tweede conclusie is dat Rennyo in zijn geest een tweeledige, dubbelsnijdende denkstructuur moet ontwikkeld hebben, waarmee het mogelijk was een overeenstemming te bereiken tussen (a) de shintai (vergelijkbaar maar beslist niet identiek met Nagarjuna’s ‘absolute waarheid’ paramartha-satya) als shusse, het ‘inwendige, geestelijke, transcendente’ aspect van de Leerbeleving, met (b) zokutai (Nagarjuna’s ‘relatieve waarheid’ loka-samvriti-satya) als sezoku, de betrekkelijke, wereldse waarheid.

Ofschoon gedurende eeuwen, tot op heden toe, diverse Shinshu geleerden gepoogd hebben deze dualiteiten ‘shusse = shintai’ t.o.v. ‘sezoku = zokutai’ op een of andere manier terug te brengen tot Shinran Shonin zelf, is het niettemin duidelijk dat Shinran deze termen nergens (uitgezonderd in één citaat uit Mappo Tomyoki, in KGSS vi) gebruikt heeft: ze zouden immers zijn nadruk op niet-tweeheid, d.i. het overstijgen van elke dualiteit, tegengesproken hebben.

De vroegste schriftuurlijke verwijzing naar deze dualiteit vindt men in Kakunyo’s (1270-1351) Gaijasho, waar we de mening aantreffen dat shusse/shintai zou verwijzen naar ‘innerlijk vertrouwen’ en seppo/sezoku/zokutai naar de ‘wereldse Dharma’.

Kakunyo’s zoon Zonkaku (1290-1373) maakt een duidelijk onderscheid tussen deze twee waarheidsniveaus (in Rokuyosho en meer expliciet in zijn Haja Kenshosho). In zijn lofprijzing van Prins Shotoku (Shotoku Taishi Koshiki) zegt Zonkaku: “De geestelijke waarheid en de wereldse waarheid zijn wederzijds afhankelijk en deze twee waarheden (‘ni-tai’) ontstaan tezamen.”

Zowat een eeuw later, wordt de volgende, consequente stap gezet door Rennyo’s interpretatie (shin-zoku ni-tai), die een richtlijn zou gaan vormen voor de politieke situatie van de beide Honganji’s. Hun bijwijlen dramatische geschiedenis onderlijnt deze bijzondere verhouding tussen Kerk en Staat: we kunnen hierin immers een poging tot verklaring vinden voor het Ishiyama-conflict en zijn uiteindelijke oplossing (1570-1580), voor de shogunale splitsing in Westelijke en Oostelijke Honganji (1602), het accepteren van het danka-systeem in de 17de eeuw, de problemen met keizer Meiji tijdens diens politiek van haibutsu-kinshaku: “Doodt de boeddhisten en vernietigt hun boeken” (1871), en zelfs de aanslepende problemen met het militaristisch regime in de jaren 1930 en ‘40 van deze ons eigen eeuw…

(wordt voortgezet)

Ekō 77
Rennyo Shonins Twee Waarheden

jikōji - 慈光寺

© 2007

info-at-jikoji.com
          home