Over De Vrees Van De Thuisloze

Katrien Haemers

Om de Leer van de Boeddha te leren kennen, moet men niet in dikke boeken zitten lezen: de Leer is te zien en te horen in alles wat zich afspeelt in de wereld rondom, en evengoed in de wereld binnenin.

Maar er zijn dagen in het menselijke bestaan, dat men in die werelden niet veel verder geraakt dan de Eerste en de Tweede Edele Waarheid. Het lijkt alsof er alleen maar oorlog en vernieling is, haat en bedrog, en oeverloze verdwazing. Sommige dagen lijkt het alsof binnenin enkel draken en demonen huishouden, en van enig licht of mededogen is er geen sprake…

Dàn precies is het goed nog eens een tekst vast te nemen, een van die oude teksten die al die jaren en al die verschillende mensen hebben overleefd. En nog steeds iets te vertellen hebben aan ons, mensen uit de 20ste eeuw. Dan kan zo een oude tekst plots helemaal nieuw en fris te voorschijn komen, alsof hij pas gisteren was geschreven.

Een van die teksten is de Leerrede over Vrees en Ontzetting (Majjhima-nikaya 4, in ‘Aldus heb ik gehoord’, p. 9-12):

“Aldus heb ik gehoord.

Toen de Verhevene te Savatthi in het Jeta-park verbleef, kwam tot hem de brahmaan Janussoni, en na hem eerbiedig gegroet te hebben, zette deze zich rechts van de Verhevene neer en sprak aldus:

‘Eerwaarde, de broeders die u volgen hebben hun huis verlaten om het leven als thuisloze op zich te nemen. Ze hebben de eerwaarde Gotama als meester en leidsman genomen en volgen zijn leer.’ ”

Daar staat al iets: iets wat gemakkelijk vergeten wordt, iets wat veilig in het hokje ‘onwetendheid’ weggepropt wordt… Als je de Leer wil volgen, dan moet je bereid zijn een ‘thuisloze’ te worden. Dat heeft voor de meesten onder ons niet meer dezelfde concrete betekenis als voor de volgelingen van de Boeddha. Wij hoeven ons huis niet meer letterlijk te verlaten. Maar we moeten wel bereid zijn ons ‘thuisloos’ te voelen: dat wil zeggen, geen gevoel van veiligheid meer zoeken, geen zekerheden om ons aan vast te klampen, geen prestaties of bezittingen aankweken om ons ‘ik’ te bevestigen. Bereid zijn een beetje verdwaasd rond te lopen in een wereld van prestige, geweld en onverzadigbare behoeften.

En wat te zeggen over het thuisloos-zijn bij zichzelf: het erkennen in zichzelf - en vooral het aanvaarden - van diezelfde menselijke - àl te menselijke - kenmerken die we in de wereld rondom zien. We ervaren pijn omdat de wereld rondom ons niet of verkeerd begrijpt… maar wie begrijpt zichzelf?

Het gesprek tussen Janussoni en de Boeddha gaat verder:

“O Gotama, is het dan niet hard te leven in de wilde diepte van het woud? Ver van de woningen van de mensen moet de eenzaamheid zwaar wegen en het gemoed van een broeder die de hoogste concentratie nog niet heeft bereikt, belasten.”

Verder het antwoord van de Boeddha:

“Zo is het. Ik dacht net hetzelfde vooraleer ik de volkomen verlichting verwezenlijkte. Eerst dacht ik hoe moeilijk het toch zou zijn in afzondering te leven en zich te verheugen in de eenzaamheid van het woud. Maar, na hierover nagedacht te hebben, zei ik bij mezelf: de zwerfmonniken die zich terugtrekken in de diepte van het woud zonder rein te zijn in daden, in woorden en in gedachten, wekken in zichzelf de vrees op precies omwille van hun onreinheid en hun verderf. Evenzo dienen diegenen die de eenzaamheid ingaan zonder bevrijd te zijn van begeertes en die vervuld zijn van lusten; evenzo diegenen die kwaadwillig van gemoed of die lui zijn, diegenen die onrustige of rusteloze gedachten koesteren; diegenen die onzeker zijn, die twijfelen of die beïnvloedbaar zijn, diegenen die zich terugtrekken uit zelfverheffing en anderen minachten; diegenen die hopen een grote roem te oogsten en eerbewijzen of offergaven te ontvangen; diegenen die zich terugtrekken uit vadsigheid of uit lusteloosheid, uit onbezorgdheid of onaandachtigheid; diegenen die het doen uit verlangen naar verandering of uit domheid of uit waanzin. Al dezen, die geen reinheid hebben, worden in de eenzaamheid van het woud door angst en ontzetting overvallen.”

In het antwoord van de Boeddha staan weer die bevrijdende woorden, kunnen we weer die ont-bindende gedachtegang volgen die de ketting van onze gebondenheid doorbreekt, die een opening maakt in ons duister hok, die een uitweg biedt naar het licht.

Wij zitten niet gevangen, wij klinken onszelf vast. We zijn niet gebonden, we binden onszelf onafgebroken. We laten onze verlangens niet los, en begrijpen niet waarom ze loodzwaar wegen. We wentelen ons in het kluwen van ons denken, en zien niet waarin we verstrikt zitten. We trekken ons terug en begrijpen onze vereenzaming niet. We lopen steeds achter ‘iets anders’ aan en klagen over de veranderlijkheid van de dingen.

We begrijpen de wereld niet, we herkennen onszelf niet. We kennen de vrees van de thuisloze, we zijn vergeten waarom.

Ook tweeduizend jaar nadat deze tekst is geschreven is het goed hem te herlezen: hij houdt ons een spiegel voor, en als we de moed hebben erin te kijken, dan laat hij ons dingen zien die ons kunnen leiden naar de weg van de bevrijding.

Dan herinneren we ons weer waarom we ons bedreigd hebben gevoeld in de toestand van thuisloze, in plaats van ons juist bevrijd te hebben gevoeld. Dan kunnen we weer de rijkdom zien van ‘niets te bezitten’, die onbetaalbare rijkdom ‘vrij’ te zijn.

Het vervolg van de woorden van de Boeddha vertellen ons iets over de wijze waarop we ons kunnen oefenen in dat ‘thuisloos-zijn’, hoe we kunnen leren onze onzekerheid en vrees te overwinnen.

“Ik ben de eenzaamheid ingegaan na al die gebreken achtergelaten te hebben, rein in daden, in woorden en in gedachten, vervuld van welwillendheid, met een rustig en ingetogen gemoed, want ik mocht me beschouwen als een van de wezens die gekomen zijn tot dàt punt van reinheid en levend ver van elke mensenwoonst. Dan, beseffend dat ik aldus was, ontluikte zich voor mij de vreugde van het leven in eenzaamheid. Dan dacht ik: waarom zou ik niet, in de nachten van volle en nieuwe maan, van eerste en van laatste kwartier voor die nacht niet in het woud gaan vertoeven om de vrees en de ontzetting te beproeven en te weten wat ze zijn.

En in de nacht van volle maan vestigde me in het eenzame woud. Onder een boom gezeten, hoorde ik een gazel die voorbijkwam, een twijgje dat van een boom viel, het geluid van de wind in het gebladerte. Ik dacht: nu gaat de angst komen, maar ik zal hem niet onbeweeglijk afwachten. Zodra hij komt, zal ik hem vlak in de ogen zien en hem beheersen.”

De Leer van de Boeddha vraagt dat je de moed kunt opbrengen de ‘dingen des levens’ onder ogen te zien, de ogen niet af te wenden voor wat zich in de wereld afspeelt, maar vooral niet voor wat zich binnenin afspeelt.

Dan kan het licht worden rondom en ín ons: dan is het vertrouwen in Wijsheid-en-Mededogen geen blind vertrouwen meer.

Er gebeurt geen mirakel van Bovenhand: er is geen Bovennatuurlijke Macht die ons plots het Grote Geluk komt schenken.

Onze pijn geneest niet wonderbaarlijk: de Leer is géén medicijn die ons geneest van ziek-zijn; de Leer toont ons hoe we kunnen genezen, welke de hulpmiddelen zijn.

De hulpmiddelen zijn Wijsheid-en-Mededogen: ook al kunnen we die geneesmiddelen niet zelf bereiden, we weten dat ze er zijn, en dat we ze kunnen bekomen, zomaar. Zomaar? We moeten het wel willen weten, en aanvaarden in dankbaarheid. Dàn keren we ons naar het Licht en is er geen duisternis meer.

Dan is er geen vrees meer een thuisloze te zijn in het donkere woud.

Ekō 77

jikōji - 慈光寺

© 2007

info-at-jikoji.com
          home