Editoriaal - Aanpassen… aan-passen…

Met de noodzaak onze wat verouderde computersystemen te vernieuwen, las ik - noch met noch zonder verbazing - dat het mogelijk is ‘onze’ titel-/knop-/werk-/statusbalken én onze programma/beeld-/dialoogschermen enz. enz. aan te passen aan de behoeften en de wensen van ons dagelijks gebruik. Ofschoon wél de raad erbij gevoegd wordt zich als beginneling maar te houden aan de standaardinstellingen.

In diezelfde lijn las ik ook - want soms lees ik toch nog - dat sommige moderne westerse auteurs, telkens vanuit hun eigen vakgebied, ideeën en voorstellen formuleren om het Boeddhisme (met hoofdletter svp) aan te passen aan onze westerse mentaliteit.

In principe lijkt dat o.k. Niet dat zoiets ontzettend nieuw is: een 100 à 150 jaar geleden lag men reeds met die mogelijkheid in Europese magen (maag)zuur te verwerken. Sindsdien zijn wij niet blijven stilzitten. En een Euroboeddhisme blijft nog steeds pagina’s innemen in onze boeken en periodieken.

Ik denk hierbij in het bijzonder aan twee auteurs. Wat beide gemeen hebben is dat ze zeggen het Boeddhisme te beleven maar toch wensen aan te passen aan de westerse wereld en diens denk- en leefpatronen. H. F. de Wit, die van huize uit psycholoog is, wil het Boeddhisme (in zijn De lotus en de roos) verschuiven in de zin van een psychotherapie. Stephen Batchelor, van wie voor kort verschillende boeken in het Nederlands vertaald werden, wil het Boeddhisme zodanig gemoderniseerd zien dat het inpast in het westerse wereldbeeld.

Historisch-cultureel is het immers zó dat de kern van de Leer van de Boeddha zich inderdaad best laat inpassen in de diverse cultuurmilieus. Maar deze inpassing betreft uitsluitend periferische vormen en voorstellingen: het gaat niet om een revolutie, maar om een voorzichtige evolutie, een geleidelijk opnemen van inheemse cultuurelementen. Dergelijke opname is geen momentele of individuele beslissing, maar veronderstelt een eeuwenlange consensus. Denken we bv. aan de ‘ opname’ van het Indische Boeddhisme in het Chinese wereldbeeld: vooraleer de Dharma een echt Chinees ‘ gezicht’ kreeg, was er een vijf eeuwen lang samenwonen.

Projecteren we dit traditionele model naar het huidige Europa, dan zou een Europees Boeddhisme eerst mogelijk zijn rond het jaar 2400. Voor onze westers-haastige egotripperij is dat onaanvaardbaar. Tja, ik hoor al zeggen dat onze huidige communicatiemiddelen, onze elektronische snelwegen enz. die aanpassingstijd beslist zullen verkorten. De snellere middelen zijn er wel, maar werkt de menselijke geest daardoor sneller dan voorheen? En is die kwantitatieve overvloed aan infomateriaal écht zinvol voor het menselijke denken-en-voelen?

Er is bovendien méér en belangrijker dan een hypothetisch tijdsinterval. Bij de ‘aanpassingen’ zoals we die in China, Japan, Tibet, Korea enz. zagen gebeuren, ging het niet om een wijziging of een verdraaiing van de Leer, maar om een toevoegen aan de eigenlijke universele Leer-kern van autochtone cultuurvormen. Voorbeeld: in China heeft het ‘Indische’ Mahayana heel wat van het Taoïsme overgenomen en bij zijn originele rijkdom gevoegd.

Bekijken we nu hoe onze Europese aanpassers het Boeddhisme willen aanpassen. Ik twijfel overigens geenszins aan hun oprechtheid en hun goede bedoelingen. De Wit wil in het Boeddhisme een beantwoorden zien aan de psychotherapeutische nood die de westerse bevolking teistert. Batchelor wil het Boeddhisme ombuigen in de zin van de maatschappelijke structuur van het 20-eeuwse Europa.

Wanneer we evenwel proberen deze structuur te definiëren, dan moeten we wel vaststellen dat haar dominanten hoofdzakelijk utilitair ik-gericht zijn: wat succes aan de oppervlakte van het individuele bestaan (gezondheidscultus, jong dynamisme, materiële welvaart en welvaartssymbolen, een gevoel van beveiliging, ego-assertiviteit…) en daarbij zo mogelijk ook in de maatschappelijke functies (macht, eer, ego-erkenning…) Het betreft uiteindelijk en hoofdzakelijk een vervlakking van wat nog overblijft aan spirituele waarden zoals alle boeddhistische tradities die voorstaan.

De voorstellen tot europeanisering betekenen - misschien… - wel een mogelijkheid tot toename op het kwantitatieve niveau (méér ‘boeddhisten’, grotere tempels, ruimere tv-uitzendingen…), maar gaat dat niet ten koste van een kwalitatieve verwatering (het Boeddhisme als tranquillizer, de boeddhistische instituten als machtsorganen…)?

We kunnen nu reeds immers vaststellen hoe sommige boeddhistische of pseudo-boeddhistische bewegingen zich inspannen om op het kwantitatieve vlak aan belangrijkheid te winnen. Of deze houding op lange termijn ‘gunstig, voordelig’ is, zal de toekomst uitmaken. Bovendien leert de traditie ons dat we leven in de ‘periode van de ondergaande leer’… Daartegenover meen ik dat de Leer van de Boeddha in de allereerste plaats een kwalitatieve spiritualiteit is.

Voor Shinboeddhisten is deze zaak overigens duidelijk. Daarbij wordt hun gevraagd ten volle in de wereld te leven. Voor hen is het duidelijk dat er geen dualiteit samsara/nirvana bestaat noch een tegenstelling tussen de ‘mens van shinjin’ en het ‘Gemoed van Amida Buddha’. Voor Shinran zelf was het overduidelijk dat ‘Vertrouwen in de Ander-Kracht’ (tariki no shinjin) de grote religieuze gebeurtenis is, die alle ‘diverse meditatieve en niet-meditatieve praktijken’ overtreft, zelfs en ook het uitspreken van de Nembutsu, die louter een daad van dankbaarheid is. Shinran heeft geen tempels gesticht noch rituelen bepaald of voorgeschreven. Hij rekende uitsluitend op de persoonlijke beleving van shinjin door elk ‘mede-weg-bewandelaar’ (ondobyo).

Ook Rennyo Shonin, die we terecht of onterecht de ‘stichter’ van de Hongwanji noemen, heeft deze houding scherp omschreven: “In onze traditie is het niet van belang een groot aantal aanhangers te tellen, maar wél dal elk volgeling zijn ‘shinjin’ uitdiept.”

Dit houdt onmiskenbaar ook in dat elk afstappen van de Tariki-Nembutsu-Leer een aanfluiting is van Shinrans visie op het Mahayana.

Het spreekt vanzelf dat het Boeddhisme (en zeker het ‘open’ Shin-boeddhisme) zich mettertijd kan/zal inburgeren en aanpassen aan wat we met een groot woord ‘onze cultuur’ noemen. Hopen we maar dat dit toch zal gebeuren zonder waardeverlies van onze spirituele, religieuze ‘effecten en waardebons’.

Namu Amida Butsu.

Shitoku

Ekō 78

jikōji - 慈光寺

© 2007

info-at-jikoji.com
          home