Het Vimalakirti-Nirdesa Sutra (7)

Katrien Haemers

Het is al enige tijd geleden dat Sariputra en het grote gezelschap van sravaka’s aan tafel zijn gegaan, om de heerlijke spijzen, voorgezet door Vimalakirti, te genieten.

Vermoedelijk is hun lichaam verzadigd, maar hun geest blijkbaar nog niet: ze zetten hun boeiende gesprekken onverminderd voort.

Enkele ‘dwaze’ sravaka’s kunnen niet nalaten toch nog een dubbelzinnige gedachte te koesteren aangaande de hoeveelheid voedsel: ze vrezen dat er niet voldoende zal zijn voor zo een uitgebreid gezelschap… Waarbij een aanwezige bodhisattva weer de kans krijgt hen scherp terecht te wijzen:

“Eerbiedwaardigen, meet uw beperkte wijsheid en uw luttele verdiensten toch niet aan de onmetelijke wijsheid en de onuitputtelijke verdiensten van de Tathagata.

Zelfs al zouden ontelbare wezens gedurende onmeetbare tijden van dit voedsel gebruiken, het zou toch nooit op geraken! Waarom niet? Omdat dit voedsel ontstaan is uit onuitputtelijke bestanddelen, zoals concentratie, wijsheid, moraliteit, bevrijding…”

Het hele gezelschap is voldaan van dit voedsel en er is nog heel veel over. Allen die gegeten hadden voelden een gelukzaligheid neerdalen, gelijk aan die van de bodhisattva’s die in de Sarvasukhamanita (de verblijfplaats getooid met alle geluk) verblijven.

Maar zelfs na deze grote voldoening, blijven de gemoederen der aanwezigen verder doorwerken: ze nemen de draad van de discussie weer op…

De bodhisattva’s stellen aan Vimalakirti de vraag op welke wijze Shakyamuni de Leer dan verkondigt in deze Sahawereld? Vimalakirti slaakt een diepe zucht: hij geeft toe dat dit niet de eenvoudigste opdracht geweest is… Shakyamuni heeft dan ook een discours ontwikkeld dat geschikt was voor ‘weerbarstige wezens die zo moeilijk te overtuigen zijn!’… En Vimalakirti geeft een staaltje van dat soort onderricht: erg schools, erg simplistisch, bijna op het kinderachtige af.

“Dit is de regel, en dàt is tegen de regel… Dit is wat gedaan moet worden en dàt is wat niet gedaan moet worden… Dit is een belemmering en dàt is geen belemmering,… Dit is zuiver en dàt is onzuiver… Dit is bevlekking, en dàt is zuiverend… Dit is Samsara, en dàt is Nirvana… En al deze onderrichtingen zijn ontelbaar. Maar het is op die wijze dat Shakyamuni een poging doet om die geesten, die zo weerspannig zijn als ontembare paarden, toch enigszins te vormen… En zoals de paarden en olifanten getemd worden door een schok die tot het bot wordt gevoeld, zo worden de gemoederen van de weerbarstige wezens van de Sahawereld bekeerd door de uiteenzetting over lijden en pijn: dàt is de handigste manier om ze tot inkeer te brengen…”

Het is moeilijk - zoniet onmogelijk - menselijke wezens te overtuigen gelijkmoedigheid te ontwikkelen, vanuit wijsheid de wereld en de mensen te beschouwen, mededogend te spreken over anderen, en met vreugde en dankbaarheid het bestaan te doorleven. Daar beeft Shakyamuni iets op gevonden: hij spreekt tegen de mensen over het lijden, de pijn in hun leven, en hij laat hen zien dat ze minder zullen lijden wanneer ze bereid zijn die deugden te beoefenen. Wanneer deze mensen geloven dat hun levenspijn daarmee kan verminderen, dan zullen ze wellicht ook bereid zijn de raadgevingen van de Boeddha te volgen…

Dit wekt de bewondering van de Bodhisattva’s die Shakyamuni huldigen om zijn wijsheid: de manier waarop hij tot de dwaze en weerspannige wezens spreekt is wonderbaarlijk! Maar er is méér dat de bewondering opwekt van deze Bodhisattva’s: de Bodhisattva’s, hun soortgenoten, die zich in een dergelijk erbarmelijk buddhaksetra hebben gevestigd, die moeten een onvoorstelbaar mededogen kunnen opbrengen…

“Inderdaad,” beaamt Vimalakirti, “het is zoals ge zegt, Heren, de Bodhisattva’s die in deze buddhaksetra geboren zijn en al deze vormen van inspanning moeten verwezenlijken, beschikken over een uitzonderlijke kracht en verwezenlijken een sterk en onvoorstelbaar mededogen.

Besef dit goed, mijne Heren, dat de Bodhisattva die déze Sahawereld bewoont, in één leven meer goed verwezenlijkt voor de wezens dan die in de Sarvagandhasugandha gedurende honderdduizend grote kalpa’s…”

Vimalakirti’s uitspraken lijken hier wel bijzonder scherp tegenover zijn medemensen en, zonder het expliciet uit te spreken, tegenover die geleerde sravaka’s wier gemoed weerbarstig is als een nukkig dier!

Maar laten we ons niet misleiden door dit schijnbaar meedogenloze oordeel: het uiteindelijke doel van de tekst ligt nog een stap verder. Vimalakirti wil tegenover al deze kortzichtigheid en bekrompenheid het beeld van de openheid en bevrijding tekenen, een beeld dat hij laat samenvallen met dat van de Bodhisattva van deze Sahawereld. En wanneer hij de weldaden van de Bodhisattva’s beschrijft, doet hij dat niet zozeer om hen te loven en te prijzen, maar eerder om duidelijk te maken wàt de doelstelling van zo iemand kan zijn. Want is het niet de betrachting van alle wezens in het Grote Voertuig om Bodhisattva te zijn voor de anderen in deze wereld?

Vimalakirti beschrijft hun weldaden, die uitzonderlijk in deze wereld voorkomen en in geen enkele andere:

- de armen overladen met gaven;
- de immorele wezens beantwoorden met moraliteit
- diegenen die ongeduldig en prikkelbaar zijn benaderen met geduld
- de luieriken opschudden met kracht
- de verstrooide hoofden tot meditatie brengen
- de dwazen in wijsheid leiden
- hen die in ongunstige omstandigheden terecht gekomen zijn, helpen erboven uit te stijgen
- met de wortels van het heilzame die wezens aantrekken die zelf geen wortels geplant hebben
- de wezens zonder ophouden laten ontwikkelen met al deze middelen om ze te benaderen.

Dat zijn de eigenschappen die enkel in déze Sahawereld te vinden zijn en in geen enkele andere wereld…

Alle lofzangen op de Bodhisattva worden hier tot hun ware betekenis teruggebracht: de opdracht, de functie, de werkzaamheid van een Bodhisattva zijn niet te onderschatten. Wanneer hun eigenschappen bezongen worden, dan drukt men daarin de erkenning uit van de moeilijke opgave voor een Bodhisattva. Aan zijn ‘Geloften’ wordt niet licht getild. Men beseft dat dàt het ideaal zou zijn voor alle wezens, maar men beseft dat dat niet vanzelfsprekend is. Ook al zou ieder wezen dat willen verwezenlijken voor ieder ander: het lukt maar af en toe eens dat een mens erin slaagt heilzaam te werken voor een ander mens.

Want dààrover gaat het: de ander te benaderen met alle aspecten die het mededogen kan aannemen, nl. het schenken, de moraliteit, het geduld, de kracht, de meditatie, de wijsheid. Mededogen drukt zich niet uit in theorieën, preken, moraliseren en woordkramerij: mededogen drukt zich uit in het aanbieden van datgene wat de ander niet weet, niet ziet, niet bezit. Mededogen stelt niet de vraag naar de eigen omstandigheid, maar enkel naar de omstandigheid van de ander. Aanbieden wat de ander tekort heeft: niet aanbieden wat men zelf voor de ander heeft bedacht, maar datgene wat de ander vraagt. Ongeacht de eigen mening, ongeacht de persoon die vraagt, ongeacht het moment waarop gevraagd wordt. Mededogen heeft als enige norm heilzaam te zijn: dat is meestal niet zo moeilijk in te zien, maar niet zo gemakkelijk te realiseren.

Maar opgelet! Vimalakirti mag dan wel de Bodhisattva torenhoog stellen boven de sravaka, hij mag dan wel de Bodhisattva van deze Sahawereld torenhoog stellen boven die van andere werelden… hij doet dat niet zonder onmiddellijk de vereisten te stellen waaraan die Bodhisattva moet beantwoorden. En dat biedt hem de gelegenheid iets te vertellen over een ander zwaartepunt in de Leer van het Grote Voertuig: de Weg van het Midden.

Het is al meerdere malen aan bod gekomen in deze tekst (1): de weg van een Bodhisattva kan enkel de Weg van het Midden zijn, deze moeilijke weg, op het scherp van de snede; die zich nooit tot uiterste of absolute stellingen laat verleiden.

Wanneer de Bodhisattva wil binnen treden in de staat van Boeddha, mag hij noch het geconditioneerde afbreken noch zich vastklampen aan datgene wat niet geconditioneerd is.

Nee, mijne Heren, geen kruistocht, geen grote zuiveringsactie, geen ultieme strijd tegen onrecht of kwaad. Maar in elke situatie aandacht schenken, wijsheid en mededogen realiseren, en vandaaruit al of niet handelen. Daardoor zal hij zich soms begeven in bedenkelijke situaties, maar hij zal er zichzelf niet in verliezen. Hij blijft meeleven in de samsarische wereld, maar hij zal van binnenuit de weg van wijsheid of de weg van mededogen aanwijzen (cfr. Ekō 71, dec. 1996, p. 12 e.v.).

“Hij draagt het kleed van de leek, maar heeft het gedrag van een monnik,
Hij bewoont een huis, maar houdt zich afzijdig van de wereld van begeerte,
Hij zegt een zoon te hebben, een vrouw, een harem, maar hij leeft in onthechting,
Hij lijkt omgeven door dienaren, maar zoekt de eenzaamheid,
Hij lijkt voedsel tot zich te nemen, en drank, maar hij voedt zich met meditatie en concentratie,
Hij vertoont zich op plaatsen van plezier en in speelhuizen, maar dat is altijd om de andere wezens te benaderen, die aan plezier en kansspelen zijn verslaafd…”

Een Bodhisattva stelt zich niet op tégen de wezens die dwaas zijn en vol begeertes rondlopen: hij gaat met hen mee, hij leeft hun leven, en probeert hen te laten zien wat ze niet zien, laat hen luisteren naar dingen die ze niet horen, laat hen nadenken over datgene wat ze liever uit de weg zouden gaan.

De vraagstaarten onder de toehoorders weten van geen ophouden: nog een allerlaatste vraagje, Heer Vimalakirti:

“Wanneer de Bodhisattva’s dan deze Sahawereld verlaten hebben, wat moeten ze dan nog presteren om veilig en wel een zuiver Boeddhaland te bereiken?”

Vimalakirti zit niet vlug verlegen om een vraagje meer of minder, ook al dreigt dat de technische kant op te gaan.

Hij formuleert hier de algemene geloften van de Bodhisattva, op zijn eigen persoonlijke wijze:

“De Bodhisattva moet zich het volgende voornemen:

- Ik doe goed voor alle wezens, maar verwacht van hen niet het minste goed.
- Ik ben bereid al hun lijden op mij te nemen en alle verdiensten daarvan aan hen over te laten.
- Ik probeer voor alle wezens eenzelfde welwillendheid te tonen en geen enkele afkeer te koesteren.
- Tegenover hen allen laat ik mijn hoogmoed en mijn ijdelheid vallen, vol vreugde alsof ze mijn Meester zouden zijn.
- Zoals een bodhisattva verwerp ik geen enkele leerrede: noch diegene die ik ken noch diegene die ik nooit te voren heb gehoord.
- Als Bodhisattva ben ik niet jaloers op de verdiensten van anderen noch trots op mijn eigen verdiensten.
- Een Bodhisattva beheerst zijn gedachten: hij onderzoekt zijn eigen tekorten, maar moeit zich niet met die van anderen.
- Een Bodhisattva houdt van waakzaamheid, zijn aandacht leidt hem naar het heilzame.”

De aangrijpende woorden van Vimalakirti en Manjusri blijven doorklinken in het gezelschap van de nu zwijgende toehoorders. De grote kracht van hun leerrede ontketent een kettingreactie van licht: honderdduizend aanwezigen verwezenlijken algehele Verlichting, en tienduizend Bodhisattva’s verwezenlijken de toestand van niet-meerterugkeer.

Wat een schitterend schouwspel!

(1) Vimalakirti komt steeds terug op het contradictorische in het gedrag van de Bodhisattva III $3, IV §20, VII §1, X §19.

Ekō 78
Het Vimalakirti-Nirdesa Sutra

jikōji - 慈光寺

© 2007

info-at-jikoji.com
          home