Sociaal boeddhisme???

Alhoewel ik geen TV-kijker ben, heb ik af en toe het geluk toevallig een echt pareltje van het scherm te kunnen meepikken.

Zo zag ik onlangs in de vierdelige BBC2-reeks “The day that changed my life” de Brit Paul Adler-Collins vertellen hoe hij van soldaat tot boeddhistisch priester evolueerde. Na een trieste jeugd van pleegtehuizen en -gezinnen, kreeg hij als jonge man een thuis in het leger, waar hij de discipline en kameraadschap vond die hij altijd had gemist. Toen hij echter ziek raakte, werd hij na jarenlange behandeling ongeschikt verklaard voor de militaire dienst. De grote rusteloosheid, die altijd latent aanwezig was gebleven, kwam in volle hevigheid weer opzetten, en hij zwierf van de ene alternatieve naar de andere therapeutische groep op zoek naar antwoorden.

Hij wist niet wat hij met zijn leven aanmoest, maar de drang om ‘mensen te helpen’ was wel heel sterk. Dank zij de ontmoeting met een vrouw die zijn visie deelde en bovendien over de nodige middelen beschikte, begon hij een opvangcentrum voor mensen in nood.

Op een dag kwam daar een Japanse vrouw op bezoek. Ze vertelde hem dat wat hij de lijdende mensen als zijn levensvisie meegaf om de wereld anders te bekijken en om er anders in te staan om fysische en mentale pijn te kunnen hanteren, overeenkwam met wat zij had geleerd in het Boeddhisme.

Van toen af raakte Paul gefascineerd door de leer van de Boeddha en besloot hij dat dit zijn weg zou worden, dat hij eindelijk zijn reason to be had gevonden.

Hij trok dan ook naar Japan, waar hij het nodige onderricht kreeg en na een periode van honderd dagen vasten en mediteren als priester van de Shingon (1) werd gewijd.

Tot zover het boeiende levensverhaal, zoals altijd prachtig in beeld gebracht door de BBC en onderhoudend verteld door een minzame, begeesterde, knappe Britse boeddhist.

Maar wat mij bijzonder is bijgebleven, is iets wat hij in de nabeschouwingen zei. Vanuit zijn persoonlijke situatie was de sterke wil om mensen te helpen gegroeid en die wilde hij niet loslaten om een contemplatief leven te gaan leiden. Hij wilde verder zijn sociaal werk doen en vroeg in Japan dan ook herhaaldelijk aan de priesters wat zij concreet deden om de menselijke behoeften te lenigen. Waarop zij antwoordden dat zij dat niet deden.

Terug in Groot-Brittannië besloot hij dat dit, wat zijn leven betrof, dan maar een dimensie moest zijn die hij aan het Boeddhisme toevoegde.

En zo blijft hij, nu als boeddhistisch priester, in het opvangtehuis voor daklozen, zieken, verslaafden en wat er nog al meer aan menselijk lijden moet verholpen worden, zijn werk verder zetten.

Wanneer er over Boeddhisme gesproken wordt, werd ik al verschillende keren geconfronteerd met de vraag naar de maatschappelijke betrokkenheid van de Leer. Daarbij wordt verwezen naar de ontelbare christelijke kloosters die over gans West-Europa hebben gezorgd voor onderwijs, hospitalen, goede werken; naar de rijken in de middeleeuwen die godshuizen hebben gesticht (al was dat niet altijd onbaatzuchtig: je moet je hemel toch verdienen!); en meer recent: naar de uitbouw van de sociale zekerheid, de vluchthuizen, de actie Levenslijn…, dingen die wel niet meer direct aan de katholieke caritas kunnen gelieerd worden, maar die toch ontstaan zijn uit dat algemeen, collectief Westers christelijk denken.

In vergelijking daarmee heeft het Boeddhisme bitter weinig gepresteerd! Ja, wat zeg je daar dan op?

Eigenlijk ga ik altijd steigeren wanneer zo een verwijt me ter ore komt. Vooreerst is het gewoon niet waar, dat het Boeddhisme geen maatschappelijke betrokkenheid toont, dat alle boeddhisten eenzaam in lotushouding zitten mediteren om zo hun eigen zielenheil te verwerven.

Hoeveel Oosterse kloosters zijn er niet die gastvrijheid bieden aan Westerse pelgrims die, al dan niet beïnvloed door de tijdsgeest of één of ander modeverschijnsel, op zoek gaan naar zichzelf en de waarheid?

En is het niet in Thailand, waar verslaafden van over gans de wereld de ultieme afkick-kuur volgen bij een boeddhistische tempelorde? Dit laatste is zo spectaculair dat een bezoek daaraan vast onderdeel vormt van georganiseerde reizen!

En alhoewel het Boeddhisme geen verplichting tot missioneren kent, heeft het nog nooit geweigerd zijn leer aan anderen kenbaar te maken.

Bovendien kent het Boeddhisme een sociale dimensie die niet te vergelijken is met wat onze Westerse wereld op dat vlak te bieden heeft.

Al ligt die dan wellicht meer op het spirituele dan op het aardse niveau.

Het mooiste voorbeeld daarvan is toch wel de bodhisattva die aan het nirvana verzaakt en zich voorneemt alle wezens uit de lijdenswereld te verlossen.

Maar misschien is juist dat spirituele voor de vorsende, nerveuze, daadkrachtige Westerse geest zo moeilijk te begrijpen! Misschien ligt daar wel het punt van irritatie: dat de Oosterse mens vanuit een meer beschouwende houding tegenover de wereld wéét dat hij niets aan de lijdenssituatie kan veranderen, maar wél aan zijn innerlijke houding daartegenover.

Anderzijds kan ik die steeds weer terugkerende vraag wel verstaan. Wij zijn zo anders. Wij zijn immers niet zo contemplatief; wij Vlamingen zijn er altijd prat op gegaan dat we een volk van werkers zijn. Wij vatten de koe bij de horens, wij analyseren graag waar een probleem vandaan komt en wij zoeken vooral graag een manier om het uit de wereld te krijgen…

Een gevoel van onmacht is voor ons héél moeilijk te verteren.

Iemand helpen betekent voor ons dan ook vooral: iemand helpen metterdaad, de situatie verbeteren, de plooien gladstrijken, kortom: de zeven werken van barmhartigheid beoefenen…

En dat dit geleid heeft tot de verzorgingsmaatschappij waar we nu in leven, is een feit waar we - met de nodige schroom terecht trots op mogen zijn.

‘Trots’: omdat we het al bij al heel comfortabel hebben en er voor elke nood wel een gepaste instelling voorhanden is.

‘Met de nodige schroom’: omdat juist die verzorgingsmaatschappij een totale vervlakking van de menselijke relaties en waardigheid in de hand werkt. Onze bejaarde ouders stoppen we in bejaardentehuizen, onze gehandicapte kinderen stoppen we in homes, onze stervenden stoppen we in ziekenhuizen…

Hoeveel voeling hebben wij hier in het Westen eigenlijk nog met Het Echte Leven? En is het met recht dat wij ons de meerdere voelen van iemand in het Oosten, “waar men nog in de goot crepeert?”

Nu steeds meer en meer mensen van bij ons in contact komen met de Leer en die ook gaan beleven, is het misschien het juiste moment om eens te gaan nadenken hoe we een synthese kunnen maken van het beste uit ‘beide systemen’.

Hierbij pleit ik niet voor een New Age melting pot, maar voor een Boeddhisme waar de Westerse mens zich écht thuis in voelt. De Leer is zo veelzijdig, rijk en soepel en heeft zich altijd aan de plaatselijke gebruiken en de typische volksaard kunnen aanpassen.

Er kan - en is! - dan ook geen enkel bezwaar om die zo eigen Westerse daadkracht in het Boeddhisme te integreren. Het willen doen, het willen verhelpen is een heel waardevol, menselijk gevoel en heeft de potentie om alle discussies te overstijgen. En zeker als boeddhist kun je niet blind zijn voor het leed waaronder zoveel mensen gebukt gaan.

Maar… Ja, er is weer een maar…

We moeten ons steeds blijven voor ogen houden dat de uiteindelijke oplossing voor het lijden enkel te vinden is in de Leer. Dat we, met al onze hulp aan anderen, nooit de hemel kunnen verdienen. Als boeddhist verwerf je geen verdiensten.

Volgens Shinran is elke vorm van maatschappelijke betrokkenheid een voorlopig hulpmiddel, want: “Van alle gaven is de gave van de Leer toch de beste.” Dit is zeker voor ons toepasselijk.

Armoede is zwart, gebrekkigheid is de hel, maar geef toe: weinigen van ons worden daarmee in het eigen leven geconfronteerd. Ons lijden betreft voornamelijk een psychologisch, een zielenlijden. Als je maar hard genoeg gekwetst bent, als je maar hopeloos genoeg depressief bent, dan weet je, voel je, erken je: hier helpt niets anders dan een levensleer, een filosofie, een heilsleer die me de oorzaak van al dat lijden uitlegt… en me een weg daaruit wijst.

Het ontdekken van de Leer, het horen van de Naam ervaar je op dat moment dan ook als puur Mededogen.

En het is dàt Mededogen van Amida Oya-sama, dat ons als mens troost, koestert en heelt.
Dat ons omvat om nooit meer los te laten.
Dat het Vertrouwen in ons opwekt.
Dat ons verzekert van de Geboorte.

Het is dàt Mededogen dat ons helpt onze ik-gerichtheid op te geven en, zonder bijbedoelingen, de lijdende wezens tegemoet te treden. (2)

Meent Paul Adler-Collins door zijn sociaal werk een dimensie aan het Boeddhisme te hebben toegevoegd, dan is dat zeker ook andersom: ik ben overtuigd dat hij vanuit zijn spirituele houding heel wat mensen zal inspireren en zo een werktuig van Amida’ s Mededogen wordt.

Namu Amida Butsu.

(1) Shingon is de enige vorm van Japan Tantrisch Boeddhisme. Niet te verwarren met Shinshu!

(2) Men leze hierover ook ‘Hoe sociaal is Shinjin?’, in Ekō 62 (sept. 1994).

Ekō 78

jikōji - 慈光寺

© 2007

info-at-jikoji.com
          home