Editoriaal - Boeken lezen…

Ter gelegenheid van de recente Antwerpse Boekenbeurs, was het opvallend hoeveel boeken met betrekking op het Boeddhisme er op de markt gekomen zijn. Men kan zich dan ook verheugen in zo een toegenomen belangstelling. Ware het niet dat heel wat ervan vertalingen zijn van Amerikaanse publicaties, wat men erover ook moge denken. Het is immers een feit dat heel wat van een redelijk verdacht New Age-niveau zijn, met als o.i. meest opvallende uitzondering H. F. de Wit’s De Lotus en de roos, een werk dat weliswaar niet ‘volmaakt’ is maar toch op ons eigen aanbevelingslijstje mag staan…

De meeste echter van die in die overstelpend aldaar aangeprezen boeken over Boeddhisme, beroepen zich op slogans als ‘gemakkelijke leesbaarheid’. Zo verwachtte ik eigenlijk ook ergens een titel als Buddhism for Dummies, maar moest me tevreden stellen met ‘Boeddhisme gemakkelijk gemaakt’, ‘Boeddhisme, meditatie en esoteriek in 20 minuten’, ‘het Boeddhisme binnen handbereik’ en verder gelijkaardige aanprijzingen.

Laten we even veronderstellen dat de bedoelingen van dergelijke slogans goed zijn. Goed voor een doorsnee uitgever betekent ‘goed verkoopbaar’. Bovendien zijn er onbetwistbaar boeddhisten en auteurs van boeddhistischen huize die hun beleving willen deelachtig maken aan een groot publiek - wat weliswaar prijzenswaardig is, maar waarvoor een belangrijk pakket van de Leer dient verzwegen, dient opgeofferd, vereenvoudigd, beknot te worden. En al te vaak krijgen we daarbij een overdosis dooddoende interpreteringen of bevreemdende toepassingsgebieden te slikken.

Want de grondvraag is en blijft: is dan het Boeddhisme gemakkelijk te benaderen? Kan men zomaar moeiteloos vanuit onze ingeburgerde westelijke denkpatronen, a.h.w. lichamelijk getekend door Griekse (vooral de Stoa) en Joods-christelijke tradities, zómaar overstappen naar een niet-zelfleer (anattā) of naar Nagarjuna’s visie op leegheid (sūnyatā) of naar Shinrans versie van ‘natuurlijkheid’ (jinen-honi)?

Men kan niet ontkomen aan de indruk dat heel wat van onze hedendaagse auteurs voor zichzelf en voor hun lezers vermijden een lectuur van de bronteksten aan te raden. Want de boeddhistische bronteksten (van alle ‘scholen’!) zijn in se allesbehalve ‘gemakkelijk’…

Laten we even zo een lijstje improviseren. Lees in de Pali-kanon de Leerredenen uit Sutta-Pitaka en zeg me of je de Eerste Prediking van de Boeddha (Majjhima N. 141), de uiteenzetting over Nibbana (Udana VIII) zómaar als een artikel in Elga of Flair leest, zeker als daarin zoiets duidelijk staat als: “Moeilijk te vatten is de Leer van Niet-zelf, niet gemakkelijk te vatten is de waarheid.”

Of nemen we het Lotus-sutra ter hand. Als criterium nemen we in het 4de hoofdstuk de parabel over de Verloren Zoon, eigenlijk een ingewikkelde zij het ook leerzame story met veel details, om dit te vergelijken met het evangelisch verhaal (Lucas 15:11-32), waar het ‘gemakkelijker’ leesbaar is doordat het zoveel keren ‘korter’ is en het verhaal zeer rechtlijnig.

Of neem het Hart-sutra of het Lankavatara-sutra waarmee men in Zen-middens dweept. Of het Avatamsaka-sutra en/of de sastra-auteurs als een Buddhaghosa, een Vasubandhu, een Chih-i, een Tsong-kha-pa, een Hōnen…

Als je daarmee ooit kennis gemaakt hebt, dan wéét je dat boeddhistische bronteksten geen feel-fine lectuur kunnen vormen, maar studiemateriaal zijn die inspanning vergen. Als je even bedenkt dat een Tibetaans monnik er 20 jaar intense studie over moet doen om een ‘geleerde’ geshe te worden…

Men beseffe wel dat de Leer van de Boeddha geen oplossing-in-se aanbiedt, maar een weg is die begaan moet worden. Shinran spreekt over zijn medeboeddhisten als ondogyo: mede-weg-bewandelaars.

Men kan dus ten opzichte van de verspreiding van het Boeddhisme twee standpunten innemen, die niet noodzakelijkerwijs contradictorisch hoeven te zijn:

1 - een publicitaire houding, om het Boeddhisme zo ruim mogelijk te ‘verkopen’ door het een publieke uitbreiding te bezorgen (een Boeddhisme in de breedte…);

2 - een dharma-logische houding, om door studie (jñāna) een juiste kennis van de Leer mogelijk te maken (een Boeddhisme in de diepte…).

Elke boeddhistische stroming (er zouden er 84 000 zijn…), ja elke boeddhistische groepering zal op eigen houtje vroeg of laat tussen deze twee beklemtoningen in hun verkondiging spontaan een keuze doen.

Ons Jikoji-centrum heeft vooralsnog daarbij gekozen voor een beklemtoning van de kennis. Vandaar dat het vaak - ook vanuit andere boeddhistische hoeken - van intellectualisme, ja zelfs van academisme wordt beschuldigd.

Een dergelijk ‘intellectualisme’ weerspiegelt zich bewust ook in de publicaties van De Simpele Weg, waarvan de meeste auteurs trouwens werkzaam zijn (of waren) op universitair niveau. Of dit nu écht een weergave is van hun beroepsmisvorming, laten we hier even te buiten.

In die totale visie op het Boeddhisme als ‘niet gemakkelijk’, wil De Simpele Weg het zich ook niet gemakkelijk maken. Onze uitgeverij is er zich terdege van bewust dat het de ‘vlotte’ commerciële weg niet wil en kan bewandelen. Ze richt zich immers naar een beperkt publiek dat het Boeddhisme niet wenst te zien, te ervaren als een ‘geloof’ of iets irrationeels, maar als een doordringen in kennis, vanwaaruit een duidelijk begrijpen van sommige ‘moeilijke problemen in het Boeddhisme’ (als nāma-rūpa, pratitya-samutpāda, sūnyatā, ōsō-gensō-ekō, jinen-hōni…) niet enkel emotioneel, maar tevens intellectueel mogelijk wordt. Een dergelijk kentheoretisch ‘holisme’ is prajñā, de zichzelf overtreffende wijsheid.

En om er nogmaals Rennyo Shonin bij te sleuren: “In onze traditie is het niet van belang een groot aantal aanhangers te hebben, maar wél dat elk aanhanger zijn Gemoed van Vertrouwen (shinjin) uitdiept.”

Shitoku

Ekō 79

jikōji - 慈光寺

© 2007

info-at-jikoji.com
          home