De Tolerantie Van Het Boeddhisme Hoe? Waarom?

In het tijdschrift Wereldwijd verscheen onder de titel ‘De Tolerantie van de Boeddha’ een artikel dat uiteenzette waarom het Boeddhisme een tolerante religie is. Auteur van dit artikel E. De Wolf had zich rechtstreeks bij diverse boeddhistische instanties gedocumenteerd. Ook ons Centrum werd hierbij betrokken via een vragenlijst waarop wij een redelijk uitgebreide serie antwoorden hebben gegeven, in feite een voor de bedoeling te lange serie. Maar bij nader inzicht bleek het thema interessant genoeg om er een artikel in onze Eko van te maken, meteen ook omdat het feitelijk past in onze lezingenreeks.

Hier volgen (in cursief) de ons door E. De Wolf gestelde vragen, met aansluitend vraag per vraag, onze (aangepaste) antwoorden.

Daarvóór geven we evenwel een soort inleiding die meer algemeen de vragen zelf kan belichten.

 

Inleiding

Een voorafgaandelijke algemene bemerking: ‘Geweldloosheid’ (Skr. ahimsā) is eigenlijk geen écht boeddhistisch begrip, maar stamt blijkbaar uit het Jaïnisme (niet uit het Hindoeïsme! Gandhi was van jaïnistischen huize!). Boeddhisten voelen ahimsā aan als te negatief en leidend tot extreme - boeddhistisch gezien dus absurde - houdingen in het leven.

De Leer van de Boeddha voegt aan die negatieve term een positieve tegenpool toe: maitri-karunā (‘welwillendheid/mededogen’ - geen mede-lijden!). Dit mededogen is ‘handelen’, dus actief. Dergelijk onderscheid tussen de ‘passieve’ geweldloosheid en het ‘actieve’ mededogen is belangrijk wil men de boeddhistische levenshouding van ‘Middenpad’ benaderen en begrijpen.

 

[1] Hoe komt het dat tolerantie zulk een typisch boeddhistische deugd is? Heeft dit iets te maken met het non-theïstisch karakter van het boeddhisme of stamt deze eigenschap meer voort uit de leer van de Boeddha?

Er zijn verschillende gronden voor de boeddhistische deugd van mededogen (en dus ook voor de daarin begrepen tolerantie). Zo is er - inderdaad - het niet-theïstische karakter, waarbij geen ‘goddelijke’ ingrepen onder de vorm van verboden, verplichtingen en beperkingen in de weg staan. Een andere grond is de conceptuele niet-kenbaarheid van een absolute waarheid, zodat elke verhouding tussen de wezens wel moet gerelativeerd worden. En vermits alle wezens karmisch geconditioneerd (niet gedetermineerd!) zijn, zijn ze niet enkel in principe alle aan elkaar gelijk, maar tevens interpenetreren ze elkaar (visie van het Avatamsaka-sutra). De Boeddha zei meer dan eens: “Alle vroegere wezens zijn ooit mijn vader en moeder, mijn broeder en zuster geweest.”

Komt daarbij ook dat dit alles wordt a.h.w. bijeengehouden door de niet-zelf visie op het bestaande.

 

[2] Heeft de afwezigheid van een god in het boeddhisme een maatschappelijke of psychologische consequentie?

Misschien is het toch te scherp gesteld om te spreken van de ‘afwezigheid van een god’. In deze zin is het boeddhisme geen eigenlijk atheïsme, d.i. het geloof aan het niet-bestaan van een God. Het boeddhisme spreekt zich niet uit over het zijn-of-niet-zijn van een God Schepper en Rechter; het godsbegrip speelt er geen enkele rol in. De verantwoordelijkheid voor daden, gedachten en existenties berust immers in de wezens zelf, niet buiten hen. Elk wezen is bijgevolg medeaansprakelijk voor alle wezens. Bijgevolg: zowel de maatschappelijke relaties als de psychologische ontwikkelingen zijn stricto sensu afhankelijk van de totaliteit van de wilsdaden van de wezens, een totaliteit waarin elk wezen zijn aansprakelijkheid heeft.

 

[3] In de boeddhistische leer is één van de centrale begrippen de geweldloosheid. Vanwaar komt dit principe? Wat is de filosofische achtergrond?

Zie voor deze vraag de Inleiding en Vraag 1.

 

[4] Hoe kun je ertoe komen begrip voor karma en voor het ‘bestaan in afhankelijkheid’ (het inter-relationeel karakter van alles) te stellen boven een instinctmatige reactie van kwaadheid?

Dàt is nu precies de zin en de bedoeling van de boeddhistische beleving. Daarbij notere men eerst en vooral de afwezigheid van elke verwijzing naar schuld of zonde, begrippen welke vervangen worden door ‘onwetendheid’ of beter nog: ‘verdwazing’. Of deze houding, deze reactie op een gebeurd feit zo gemakkelijk is, laat ik hier buiten beschouwing. Het boeddhisme is overigens niet gemakkelijk… Maar schuldcomplexen opbouwen hetzij tegenover zichzelf of tegenover ‘de andere’ of ‘het andere’ past hier niet bij. Lezen we trouwens in Dhammapada niet dat “haat nooit door haat ten einde komt, maar enkel door niet-haat.” (1)

 

[5] Hoe trouw wordt het principe van geweldloosheid nageleefd? Immers, wanneer wij, christenen, slaag krijgen op de ene wang dan moeten we ook de andere wang aanbieden volgens de bijbel, maar welke christen doet dat?

Geweldloosheid - of liever: Wijsheid/Mededogen - is een objectief waarop men zich in zijn bestaansdynamiek richt, het is het land waarheen men zich wil begeven. Een Boeddhist is (nog) geen verwezenlijkte Boeddha. Hij weet dat hij nog verstrikt zit in het samenspel van begeerte, haat en verdwazing. Maar juist dàt is voor hem het begin van de Wijsheid. Daarbij weet je dat de Leer van de Boeddha een wijsheidsleer is en niet een (paulinistische) boodschap van goddelijke liefde. Het zal dus hoofdzakelijk van het individu en diens interne-en-externe omgeving afhangen in welke mate de geweldloosheid kàn nageleefd worden. Ze kan in géén geval passief zijn (“laat maar gebeuren…”). En ook hier geldt trouwens het dwingende Leidmotief van de Middenweg: moet men écht het geweld laten gebeuren als men de gelegenheid of de mogelijk heeft het te verhinderen? En: waar blijven de menselijke al-te-menselijke gevoeligheden?

 

[6] Het principe van geweldloosheid staat toch niet altijd garant voor de vrede in een land. Kijk maar naar de coups in Thailand, de jarenlange strijd in Cambodja, de uitroeiing in Tibet en de erg repressieve dictatuur in Birma.

Dit is dan het pijnlijke probleem van de menselijk onvermijdelijke wrijvingen binnen een gegeven menselijk historisch bestek. Het boeddhisme is uiteindelijk geen eigenlijke maatschappijleer (zoals hindoeïsme, confucianisme, jodendom, islam, christendom e.d.m. dat wél zijn); de Leer van de Boeddha is een naarbinnen gerichte denk- en wilshouding. Toch enkele ‘historische’ rechtzettingen bij deze vraag. De coups in Thailand blijken over het algemeen erg ‘rustig’ verlopen te zijn; in Cambodja ging het geweld niet uit van de boeddhistische gemeente, maar van de communistisch-maoïstische Rode Khmers; de uitroeiing in Tibet is het werk van de (toch nog steeds) communistische Chinese autoriteit; de militaire dictatuur in Myanmar (Birma) heeft meer dan 2 000 ‘weerbarstige’ monniken in kampen opgesloten. Allicht lastiger is het probleem van Sri Lanka, maar ook daar zijn de etnische motiveringen sterker dan de religieuze.

Maar dit moet me, als godsdiensthistoricus, van het hart: er is nooit en nergens, ook niet in de gruwel van de bitterste conflicten, een oorlog of een verdrukking gevoerd in naam van de Boeddha of met als voorwendsel de Leer van de Boeddha te verdedigen of te verspreiden. Er is ook nooit iemand verplicht geworden zich tot het boeddhisme te ‘bekeren’, zoals we dat meegemaakt hebben of nog meemaken in de zg. Abrahamreligies.

 

[7] Kan men spreken van twee boeddhismen, dat van de sterke groepen en dat van de zwakke groepen? Of beleven enkel de zwakke groepen die religie zoals het moet waardoor ze zich, uitgaande van het principe van de geweldloosheid, laten onderdrukken?

Men kan wel veronderstellen dat er een boeddhisme ‘met twee snelheden’ bestaat, nl. een kloosterboeddhisme met nadruk op de theoretische kennis en leidinggeving, en een lekenboeddhisme met nadruk op de dagdagelijkse beleving. Maar er zijn geen twee socio-politieke tegenover elkaar staande ‘boeddhistische groepen’. Overigens is de typeboeddhist m.i. een niet-bestaand personage. Elkeen - ook wie nooit van de Boeddha heeft gehoord - is min of meer ‘boeddhist’. Nemen we als ideaalvoorbeeld de historische Boeddha Gautama of de bodhisattva-figuren (en hierbij denk ik zelfs aan een Franciscus van Assisi…). Verder zijn er dan die min-of-meer dwazen (Jap. bombu) die elk in de mate van hun mogelijkheden de Leer van de Boeddha bewust of onbewust in hun dagdagelijksheid proberen toe te passen.

 

[8] Wordt de religie gebruikt om het volk braaf te houden zoals dat in het Christendom vroeger (of misschien nog steeds) soms het geval was? Bijvoorbeeld door monniken die meeheulen met de onderdrukkers en de opdracht krijgen het volk in toom te houden?

Overkijkt men de historische situaties waarin het boeddhisme zich bevonden heeft, dan moet men wel aannemen dat zoiets nergens ten volle is kunnen gebeuren. Zoals reeds hiervoor uiteengezet, heeft het boeddhisme geen bruikbare sociaal-politieke structuur ontwikkeld. Het omgekeerde is helaas waar: het boeddhisme is klaarblijkelijk de meest vervolgde religie ter wereld: het werd manu militari verdreven uit India, Maleisië, Indonesië, Centraal-Azië. In China heeft het tot driemaal toe systematische uitroeiing meegemaakt (en toch nog overleefd!). Ook heden ten dage is het boeddhisme bij wet verboden, o.a. in Griekenland (!), Iran, Afghanistan, Saudi-Arabië… Onder het Mao-regime in China en de zg. Culturele Revolutie zouden minstens 30 000 000 (dertig miljoen!) Chinese boeddhisten ‘verdwenen’ zijn (cijfers te danken aan een studie van mijn wijlen vriend-en-toch-scheutist J. J. Spae). In Japan werd vanaf de 8ste/9de eeuw gepoogd de boeddhistische instituties in te schakelen in de staatsadministratie, wat evenwel telkens mislukt is. In de 15de/16de eeuw werden de boeddhistische tempel- en kloosterstructuren door shoguns (vooral O. Nobunaga, einde 16de eeuw) en keizers (Meiji, einde 19de eeuw en zelfs Hirohito, in 1943) hevig onderdrukt. En zelfs in het o zo rustige België komen alle boeddhistische bewegingen voor in de zwarte lijst van de Sekten-commissie…

 

We zouden misschien nadrukkelijker op de formulering van de ‘vragen’ kunnen aandringen, maar in dit verband is dit minder noodzakelijk. De hoofdklemtoon ligt hier immers op het toch wat vage van een tolerantieprincipe waardoor het boeddhisme zich zou aftekenen t. o. v. andere religieuze dynamismen.

Shitoku.

 

(1) In bedoeld tijdschrift werd ‘niet-haat’ (a-veram) vervangen door het door-en-door christelijk-paulinistischc ‘liefde’…

Ekō 79

jikōji - 慈光寺

© 2007

info-at-jikoji.com
          home