Editoriaal - Sangham geen Toevlucht meer?

Hoe vaak hoort men tegenwoordig lieden die beweren dat ze ‘boeddhist zijn’ of althans dat ze ‘boeddhistisch leven en denken’?

Hierbij komt als vanzelf de pijnlijke vraag: wat is eigenlijk een ‘boeddhist’ of wat houdt ‘boeddhistisch leven en denken’ wel in? Anders uitgedrukt: er zijn mensen die zich ‘christen’ noemen en ‘christelijk denken’ zonder te geloven in de H. Drievuldigheid of dat Jezus Gods Zoon is. Zijn dat ‘christenen’?

Enfin, kijkt men naar de traditionele (d.i. in alle ‘boeddhistische’ tradities aanvaarde) formuleringen, dan is een ‘boeddhist’ die persoon die de Drievoudige Toevlucht op zich heeft genomen:

Buddham saranam gacchami

Ik ga tot de Boeddha als mijn toevlucht

Dharmam saranam gacchami

Ik ga tot de Leer als mijn Toevlucht

Sangham saranam gacchami

Ik ga tot de Gemeenschap als mijn Toevlucht

Onder ‘Buddha’ verstaat men dan - wel wat in functie van de school waarop men zich beroept - zowel de historische Boeddha Gautama Shakyamuni, als meer transcendente Boeddha-figuren (bv. Vairocana) of zelfs het kosmische Onmetelijke Boeddhaschap Wijsheid/Mededogen, waarin men zijn vertrouwen uitspreekt als ‘drager’ van de Leer, Dharma.

Onder ‘Dharma’ verstaat men dan het samenspel van vaststellingen inherent aan de existentiële ervaringen die in Boeddha’s verkondiging een scherpe expressie gekregen hebben: de Vier Edele Waarheden, de Drie Kenmerken van het Bestaande, de twaalf trappen van het Pratitya-Samutpada, de Vijf Verzamelingen in de persoonlijkheid, de Zes Volkomenheden enz. Laten we bijgevolg die Dharma (of houdt u het liever bij het begrip Saddharma?) als centraal beschouwen, maar onlosmakelijk gekoppeld aan het Boeddhaschap, want:
“Wie de Dharma ziet, ziet mij [de Boeddha]; en wie mij ziet, ziet de Dharma.” (Samyutta-nikaya iv, 120) of:
“Hij die de Dharma ziet, ziet de Boeddha.” (Salistamba-sutra, 2)

Dààr kan men dus niet omheen…

Wat moeilijker is evenwel het omschrijven of situeren van Sangha, de Gemeenschap.

Voor de enen immers is Sangha de gemeenschap van alle monniken van een bepaald klooster, voor anderen is het de totaliteit van alle monniken-en-nonnen binnenin de boeddhistische tradities, voor anderen weer de gemeenschap van kloosterlingen en leken, voor anderen dan weer de gemeenschap van alle monniken-plus-nonnen plus lekenmannen en lekenvrouwen. Of de gemeenschap van alle levende wezens van de Zes Geboorten (hellewezens, hongergeesten, dieren, demonen, mensen en goden). Of - allicht in China ontstaan onder invloed van het taoïstische denken -, de totaliteit van alle ervaarbare wezens. Deze laatste visie werd trouwens ook door Shinran Shonin gehuldigd…

Maar welke van deze visies men ook huldigt, Sangha is niet ‘ik en mijn geliefkoosde lectuur’. Sangha is de lijfelijk tastbare ‘gemeenschap van de anderen’ of ‘de andere als gemeenschap’. Het is immers via die Sangha dat men (o.a. in de tempel) de Boeddha kan zien en de Dharma kan horen.

Het in mijzelf-opsluiten, in de zelfgenoegzaamheid elke vorm van Sangha af te wijzen, blijkt in de praktijk maar al te vaak een mensgewone egotripperij te zijn, waarin men zichzelf opblaast tot een pseudo-dichterlijk ‘ik voel mij een god in het diepst van mijn gedachten’. Waar blijft hier de kritische omzichtigheid tegenover het ik-denken, dat de fundamentele onwetendheid is: asmi-maya, de ik-ben-begoocheling?

Een welbepaalde functie van de Sangha is bovendien het ‘ schenken van de Leer’:
“Dhammadāna sammadāna,”
de Gave (1ste paramita!) van de Leer is de hoogste Gave!

In de Sangha - welke ook ieders persoonlijke voorkeur geniet… - is er in plaats van afsluiting t.o.v. de ‘andere’, de nadruk op communicatie op welk niveau dan ook: vanaf de existentiële problematieken tot en met de meest transcendentale discussie over ‘moeilijke’ (abhidharmische) thema’s van de Leer.

Bij Shinran (o.a. in Mattosho en/of Tannisho) zowel als bij Rennyo treffen we steeds weer het nadrukkelijke advies over de Leer te praten met de anderen. Wie zich, in ons individualistische Westen, van elke vorm van Gemeenschap afwendt, die riskeert te blijven ronddraaien in zijn ik-paardenmolen.

Een tempel of dōjō is qua het Shinboeddhisme een plaats voor Leeruitwisseling. De Toevlucht tot de Gemeenschap afwijzen of ze tot een abstractie herleiden is uiteindelijk slechts een boeddhisme-naar-eigen-maat construeren, een ‘och-ik -weet-het-toch-beter’-masturbatie.

En voor boek-aanbidders nog dit: de Dharma is verkondigd geworden voor de levende wezens en niet zomaar voor gedrukte lettertjes of sanskritiserende of sinologiserende palavers.

Te meer daar Shinran - in zijn constante afwijzing van de toenmalige tempelstructuren (de Hongwanji ontstond als een grafhulde na zijn dood door toedoen van zijn dochter Kakushin) toch steeds opnieuw adviseert samen te komen, samen te praten, samen te beleven.

Ik blijf dan ook erg sceptisch ten opzichte van personen die (oprecht of onoprecht…) geloven dat men plusminus ‘boeddhist’ is of even-plus-minus ‘boeddhistisch leeft’ wanneer men de Toevlucht tot de Sangha afwijst.

Namu Amida Butsu.

Shitoku

Ekō 80

jikōji - 慈光寺

© 2007

info-at-jikoji.com
          home