Over Jagen En Vissen

Ryō Sunadori shō

Rennyo Shonin

(Gobunsho 1-3)

Vooreerst: Wat betreft het vredesgemoed in onze traditie (tōryū no anjin), dat betekent niet dat we ons behoren te pijnigen om een einde te stellen aan de zwakheden van ons gemoed of aan het opkomen van begoochelingen en gehechtheden (mōnen mōju).

Leef gewoon voort in uw beroep of uw openbaar ambt: blijf jagen en vissen. Wanneer we diep beseffen dat Amida Nyorai’s Voortijdelijke Gelofte de boodschap inhoudt om dergelijke waardeloze wezens als wij zelf, die door onheilzaam karma [zelfs] verwarren tussen ochtend en avond, te bevrijden [uit de lijdenswereld] wanneer we in enkelvoudig vertrouwen op de Mededogende Gelofte (higan) van die éne Amida Buddha, en wanneer eensgericht vertrouwen (ichinen no shin) binnenin ons ontwaakt is met het besef dat Amida ons [onvoorwaardelijk] redt zonder de geringste twijfel, dan worden we deelachtig aan Tathagata’s heilsactiviteit.

Voorts: wanneer er sprake is over met welk gevoel wij de nembutsu dienen uit te spreken, [dan is het antwoord dat] we de nembutsu moeten uitspreken zolang ons leven duurt, maar in het besef dat dit is uit dankbaarheid voor de weldadigheid die ons redt, door ons de kracht te geven te vertrouwen en waardoor onze Geboorte gevestigd is.

Wie dat doet, wordt de beoefenaar (gyōja) van het vertrouwen genoemd, in wie het gevestigde gemoed van onze traditie gevestigd is.

Hoogachtend.

Bunmei 3 (1471)

18de dag van de 12de maand.

 

Het is allicht goed en nuttig na te trekken wat achter de titel van deze brief “Jagen en Vissen” wel verborgen kan zijn.

In sommige scholen van het Boeddhisme werd immers gezegd dat er een categorie mensen is die niet bij machte zijn de Verlichting ooit te verwezenlijken. Zoiets werd - strijdig met het vroege Boeddhisme - o. a. gezegd van de vrouw: deze diende eerst als man herboren te worden. In het Japan van de 8ste eeuw, waar de feodale aristocratie het voor het zeggen had, werden bepaalde sociale categorieën als issendai (Skr. icchantika) veroordeeld: deze zouden nooit de Verlichting verwezenlijken doordat ze van de ene onheilzame karmische situatie in de andere onheilzame karmische situatie terechtkomen. En daarbij zijn, naast de landbouwers (die bij hun werk ongedierte doden) en de handelaars (die leven door bedriegen van de goegemeente), uiteraard de jagers en de vissers.

In zijn weigering zich uit te spreken over goed en kwaad en in zijn talrijke referenties naar de oneindigheid van Amida’s Mededogen, verwerpt Shinran Shonin dergelijke maatschappelijke uitsluiting: Verlichting is immers niet de zaak van de karmisch gebonden wezens, maar is de functie van het Boeddhaschap.

Ook Shinrans opvolgers, waaronder Rennyo Shonin, delen deze visie. Dat verklaart bijgevolg de titel van deze brief.

Ekō 81

jikōji - 慈光寺

© 2007

info-at-jikoji.com
          home