Essentiële Verzameling betreffende Geboorte

Ōjōyōshū

Genshin (942-1017)

I, 3 (Onri edo, Shūgō jigoku: Afkeer van de Bevlekte Gebieden, Hel van de Verzameling)

[Jodo Shinshu Seiten - Shi Koso (Kyoto 1992), p. 897-901 / T 84, 41b]

Overigens, de beulen van deze hel plaatsen de hellebewoners in een woud waarvan de bladeren van de bomen in feite scherpe messen zijn. Wanneer zo een hellebewoner opkijkt naar de top van die bomen, ziet hij daar een verleidelijke welgevormde vrouw zitten, getooid met allerlei juwelen.

Als een hellebewoner dat ziet, begint hij die boom te beklimmen. De bladeren van zo een boom zijn als messen: ze snijden en kerven in heel zijn lijf. Als zijn spieren weggesneden zijn, snijden ze in zijn pezen.

Wanneer hij dan toch boven in die boom geraakt is, stelt hij vast dat de vrouw nu beneden op de grond staat. Zij bekijkt de man met betoverende blikken en zegt: “Omdat ik zo aan je dacht, ben ik hier naar beneden gekomen. Waarom ben je nu niet dicht bij mij? Waarom omhels je mij niet?”

Als de zondaar dit hoort, barst zijn begeerte nog razender los en hij kruipt dan geleidelijk naar beneden. Maar nu hebben de mesachtige bladen hun snede omgekeerd. Ze zijn even scherp als scheermessen, en zoals voordien kerven ze in heel zijn lichaam.

Wanneer hij echter de grond bereikt, zit de vrouw weer in de top van de boom. Als hij dat ziet, kruipt de zondaar weer de boom op.

Op deze wijze en zo gedurende tien miljoen miljarden jaren wordt hij begoocheld door zijn eigen geest.

In deze hel geschieden dergelijke dingen onophoudelijk. Zo wordt hij voortdurend verbrand: onheilzame begeerte is hiervan de oorzaak.

In een ‘lagere’ hel, zo vertelt het Saddharma-smrtypasthāna-Sūtra (T 17, 34c), een van Genshins bronnen, smachten de hellebewoners naar een blijk van boeddhistisch mededogen:
“Wees a.u.b. mededogend en laat me gaan! Hebben jullie dan niet het geringste mededogen? En waarom laten jullie ons niet gerust?
Wij zijn wezens die recht hebben op mededogen! Waarom tonen jullie dan geen mededogen voor ons?”

Hierop antwoorden de hellebeulen: “Begoocheld door de ketens van begeerte hebben jullie boosheid en onheilzame daden begaan. Jullie ontvangen nu de vergelding van je boze daden, Waarom koesteren jullie nu haat en woede tegenover ons?
Vroeger begingen jullie boze daden in begoocheling van begeerte en dwaasheid.
Waarom voelden jullie toentertijd geen berouw?
Het heeft geen zin daarover nu spijt te hebben.”

Juist om hun onvermogen enige vorm van mededogen op te leveren, zijn ook de hellebeulen veroordeeld om in hun hel te blijven, tenzij… tenzij totdat…

In hetzelfde hoofdstuk vermeldt Genshin nog drie van de zestien ‘bij-hellen’: die voor diegenen die kinderen mishandeld hebben, die voor diegenen die homoseksuele verkrachtingen begaan hebben, en die voor diegenen die vrouwen tegen hun zin ontvoerd hebben…

Ekō 82

jikōji - 慈光寺

© 2007

info-at-jikoji.com
          home