Boeddha En Het Dieren-dilemma

Shaku Shokai

Ik studeerde voor bioloog omdat de interrelatie tussen plant, dier en mens mij aantrok. Door samenloop van omstandigheden belandde ik in een specialisering, nl. het bestrijden van ziekten en plagen van de landbouwgewassen, wat enige tijd bepaalde vragen in mij deed opkomen.

Heb ik als boeddhist wel de juiste kostwinning gekozen zoals het Edele Achtvoudige Pad dat aangaf? Hoe staat het met het Eerste Gebod van de boeddhistische Pańcasila om het doden te vermijden? Weliswaar slechts het doden van insecten… maar toch liever vermijden?

In de loop der tijden vroeg ik telkenmale het advies van bepaalde wijze mannen onder de boeddhistische leraren, waaronder meerdere monniken.

Zeer verbazingwekkend was daarbij de gevolgtrekking dat praktisch de meeste adviezen gelijkluidend waren. Blijkbaar is de boeddhistische zienswijze in dit verband nogal universeel, al stelde ik het dierendilemma in verband met het begrip doden aan zowel Theravada-boeddhisten als aan Mahayana-boeddhisten in het algemeen. Het steevaste antwoord was altijd dat ikzelf verantwoordelijk was voor mijn eigen daden, mijn eigen karma; dat het negatieve doden of laten doden van insecten tegenover de positieve landbouwopbrengsten en gezondheid (bv. bij malariabestrijding) der mensheid stond; positief was ook dat het bestrijden zonder emotie of haat plaatsvond. Een zijdelings probleem i.v.m. het dierendilemma was - gelukkig niet voor mij - het doden van dieren om als voedsel te dienen dat overal ter wereld schering en inslag was. Zelfs Buddha Shakyamuni kon geen voedsel weigeren waarin vlees verwerkt was. Daarentegen was het beroep van slager minder aan te bevelen, evenals dat van jager.

Zo stapelen de problemen i.v.m. met het dierendilemma zich op, en op het laatst is men er niet gelukkig mee, m.a.w. men lijdt eronder. Gezien de omstandigheden brengt de Middenweg van het Boeddhisme de beste aanbeveling. Of is er toch nog aan andere mogelijkheid?

Hoe staat het Boeddhisme tegenover de dierenwereld? Voor een deel is het met het bovenstaande uit de doeken gedaan. Voor een ander deel zoeken we troost in de beroemde verhalen betreffende de vorige levens van Boeddha Gautama die ons tot lering dienen. Uit deze verhalen blijkt namelijk hoe boeddhisten het universalisme onder de levende wezens voorstaan. Een boeddhist zal zich niet verbazen te horen dat de Boeddha in zijn vroegere bestaansvormen ooit een konijn, een reuzenschildpad of een vogel was geweest. Genoemde levensvormen dienen er alleen maar voor om te laten zien hoe een konijn, door mededogen gedreven, zich opofferde als voedsel voor een uitgehongerde heilige of hoe een reuzenschildpad schipbreukelingen redde en hun ook nog tot voedsel diende. Onder de vogels verscheen de latere Boeddha o.a. als pauw, gans, kwartel of papegaai.

In het Boeddhisme wordt ook aangenomen dat de Dharma of Leer niet alleen voor de mens bestemd is. Ook andere wezens, waaronder dieren, worden geacht, al is het onbekend hoe precies, ooit de Verlichting te mogen meemaken. Een boeddhistische legende, ongeveer driehonderd jaar geleden door een onbekende Tibetaanse lama geschreven, ging over de vogels van de Himalaya die onder de leiding van een koekoek met de Dharma kennismaakten. Genoemde koekoek zou de belichaming van Avalokitesvara zijn.

In het Boeddhisme hebben alle wezens hetzelfde recht als de mens om met de Leer kennis te maken. Voor andere wezens dan de mens, die door zijn bewustzijn de bevoorrechte is om verlicht te worden, is het lang niet gemakkelijk om zo ver te komen. Toch is deze blijde boodschap dusdanig aantrekkelijk dat destijds een Nederlands collega tot het Boeddhisme overging omdat hij dit zo sympathiek vond!

Ook in Amida’s Reine Land ontbreken dieren evenals planten niet. Vooral veel vogelsoorten werden van dit Westelijke Paradijs beschreven, zoals sneeuwwitte ooievaars en zwanen, vrolijk gekleurde pauwen en tropische paradijsvogels, benevens talrijke scharen van kleine zingende vogels die het over de Dharma en de Boeddha zouden hebben. Men zegt dat hun gezang gelijk aan de stem van de Boeddha was.

Het spreekt welhaast vanzelf dat alles wat met mythen en legenden te maken heeft, niet al te letterlijk behoeft te worden opgevat en dat wij in ons dagelijks, modern bestaan er niet te lang hoeven bij stil te staan. Belangrijker is de boodschap dat het boeddhistische concept van universalisme, zich uitstrekkend over alle wezens, de dieren daartoe gerekend, de deuren opent tot meer begrip voor alles wat bestaat.

In verband met het dierendilemma is het verheugend te constateren dat het Jodo-Shinshu Handbook for Laymen min of meer mijn voorafgaande vraagstelling betreffende mijn oorspronkelijke beroepskeuze, die nu echter door verandering is opgelost, helpt aan te vullen:

“Het Boeddhisme leert ons dat doden het tegengestelde is van het Mededogen van de Boeddha. Om deze reden is het beter geen bestrijdingsmiddelen te gebruiken. Echter is het vandaag de dag onmogelijk om goede landbouw zonder bestrijdingsmiddelen te bedrijven. Teneinde te kunnen overleven gaat er geen dag voorbij dat wij in een of andere vorm verantwoordelijk zijn voor het nemen van leven. Dientengevolge brengen de Nembutsu-volgelingen hun leven door met droefheid en schaamte daarover, zonder evenwel door het gebruik van de Nembutsu om vergiffenis te vragen.

De Nembutsu-praktijk is immers eerder bedoeld om ons van de inhoud van de Dharma meer bewust te maken in verband met de onvermijdelijke hoedanigheid van levende wezens zoals wij, om het niet kunnen helpen voortdurend negatieve daden te verrichten.”

Mochten wij in het dagelijks bestaan het dierendilemma zien op te lossen. Voor de Boeddha is alles reeds opgelost voordat men begonnen is. Het Mededogen en de Wijsheid van Amida staan er borg voor.

Ekō 82

jikōji - 慈光寺

© 2007

info-at-jikoji.com
          home