Sangha Thuis Of Thuis In De Sangha?

Anonymus

Hoe de ‘eerste boeddhisten” - en de eerste zijn altijd de beste! - de sangha concreet hebben beleefd, kunnen we niet meer historisch achterhalen. Er bestaan immers geen geschreven bronnen over.

Dat verhindert ons in het geheel niet om toch te proberen daar een beeld over te vormen. En daartoe beschikken we wél over een aantal aanwijzingen.

De Liederen van de Monniken en de Nonnen worden als zeer oude bronnen erkend: leest men daar niet een aantal zeer authentieke getuigenissen?

“Verlaten heb ik huis en hof, verlaten kind en koe, zo zeer bemind…” Deze vrouw heeft toch blijkbaar reëel haar huis verlaten om ‘op een andere plaats en een andere wijze’ te gaan leven. Misschien was zij een volgelinge die de Boeddha vergezelde op zijn omzwermingen? Of misschien heeft zij zich aangesloten bij anderen, die de Leer van de Boeddha in praktijk wilden omzetten? Misschien leefden zij in een soort ‘communes avant la lettre’, waar geen rangen of klassen meer bestonden, waar man en vrouw, monnik en leek, jong en oud samen leefden, en het anatta-denken omgezet werd in een concrete levenswijze, samen, zonder onderscheid des persoons.

De sangha werd de nieuwe familie: daar was niet de lichamelijke verwantschap belangrijk, maar de geestelijke gelijkgestemdheid: gelijkmoedigheid, vreugde, verdraagzaamheid en kracht, doorzetting en misschien een beetje mededogen af en toe.

De sangha werd de nieuwe thuis, waar men zich openstelde voor andere normen, andere denkpatronen, andere gevoeligheden, andere bekommernissen.

Van daaruit kon men de wereld ingaan: met de bagage die men in de sangha had ontvangen zou men een ander gedrag in de wereld laten zien, op een andere wijze spreken, op een andere wijze handelen en zijn beroep uitoefenen, op een andere wijze met mensen omgaan, op een andere wijze macht en aanzien manifesteren, op een andere wijze zijn bezittingen besteden… En dat alles zou zeker indruisen tegen de gewoontes van de Indische samenleving van toen.

Zouden wij dat nu, zoveel eeuwen later, nog kunnen?

Verlaten wij nog ons oude huis, onze oude vesting van gewoontes en hebbelijkheden, om naakt als een nieuwgeboren kind ‘ anders’ te gaan leven? Daarvoor hoeven we niet eens letterlijk ons huis te verlaten…

Wij leven niet meer samen in ‘communes’ (die hebben hun utopisch karakter al lang geleden bewezen). Wij delen niet alles meer met elkaar (ook al zouden we dat misschien wel doen in geval van hoge nood). Wij overstijgen geen rangen meer (integendeel, we planten ze in binnen de sangha).

Het lijkt alsof er een tegenrichting ontketend is: alle kenmerken van de buitenwereld worden mee naar de sangha gesleurd: alle zorgen en ergernissen, alle vooroordelen en weerstanden, al het moeizame sociaal gedoe…

De sangha wordt een miniatuurwereldje, met alle opgekropte somberheid en woede en frustratie eigen aan de lijdenswereld: het wordt er allemaal uitgestald, - uitgebraakt en opgestapeld…

En temidden van al dat lawaai en tumult lijkt het moeilijk om nog te luisteren en iets te horen van wat de Leer van de Boeddha zegt om onze verwarring en pijn te verzachten en op te heffen. Het lijkt bijna onmogelijk om nog te kunnen zien welk wereldbeeld er getoond wordt: een bron van leven en vreugde en kracht.

De richtingaanwijzers moeten eens omgekeerd worden: de kern is de sangha, de bron is de sangha, thuis is de sangha. Haar stroom van weldaden, van vreugde en wijsheid moet naar de buitenwereld kunnen stromen. Alles is daar in overvloed: wij hoeven er geen bagage naartoe te sleuren, we kunnen alle ballast achterwege laten.

En van daaruit kunnen we met volgeladen hart, met wijd open armen terug naar de wereld gaan, naar huis, naar thuis.

Ekō 82

jikōji - 慈光寺

© 2007

info-at-jikoji.com
          home