Vrij Onderzoek Binnen Een Boeddhistische Omkadering

[Deze tekst is de korte inhoud van een lezing gegeven aan de VUB op 04/11/1999 in het kader van een voordrachtencyclus met als thema ‘Vrij Onderzoek in een Vrije Wereld’.]

1.

In tegenstelling tot de meeste religies staat het Boeddhisme open voor Vrij Onderzoek. Historische oorzaak hiervan is de reactie tegen de brahmanistische dogmatiek met de socio-religieuze en monopolistische dominantie van de brahmanen-kaste sedert de 10de/9de eeuw vóór onze tijdrekening. Deze reactie (hoogtepunt -7de/6de eeuw) komt hoofdzakelijk vanuit krijgers (vorming van koninkrijken…) en handelaars.

2.

Boeddhisme (niet alleen: ook het Jaïnisme, de Lokayata enz.!) neemt scherpe houding aan (zie bv. Kalama-sutta) (1) en wijst meteen alle metafysische speculaties af: de Leer gaat enkel over existentiële ervaringen en weigert dristi (inzichten, in de boeddhistische logica vertaalbaar als ‘vooringenomenheden’).

Cula-Malunkyaputto-sutta (2): de Leer gaat niet bv. over kosmologische problemen, maar enkel over Lijden, de Oorzaak van Lijden, de Opheffing van Lijden en het Pad (de methodiek) dat voert naar de Opheffing van Lijden.

3.

Het Boeddhisme bakent zichzelf af binnen een serie existentiële vaststellingen:

Alle vormingen zijn getekend door lijden;
alle vormingen zijn getekend door veranderlijkheid;
alle bestaanselementen zijn getekend door zelfloosheid.

De meditatie dient om deze vaststellingen binnenin het gemoed te verkennen en te erkennen. Kennis is dus binnenwaarts gericht én in functie van de bewustzijnsinhoud die van persoon tot persoon verschilt.

Dit kennen wordt ondersteund door vraagstellingen. De meeste boeddhistische leerredenen hebben in feite het socratisch karakter van vraag en tegenvraag.

4.

Het Mahayana onderlijnt nog sterker de subjectieve relativiteit van onze kennis en de uitspraken over onze kennis.

Neem Nagarjuna die heel consequent zelfs de boeddhistische thema’s (zie 3) relativeert: “De Boeddha’s hebben het begrip ‘zelf’ behandeld en onderricht gegeven over de leer van niet-zelf. Maar ze hebben niet gesproken over zoiets als ‘zelf’ of ‘niet-zelf’.” (MMK xviii, 6)

Hij speculeert dus niet over enige entiteit die ‘zelf of ‘niet-zelf’ zou zijn en weigert daaraan enige substantie (eigenheid) toe te kennen.

5.

Als we alle kennis tot terminologische begrippen (epistemologie) herleiden, in hoeverre komt ze overeen met ‘waarheid’?

Nagarjuna kent 3 waarheidsniveaus:
1 - de niet-waarheid: een haas heeft horens…
2 - de wereldse spraak-waarheid: de relatieve waarheid
3 - de absolute waarheid: conceptueel onkenbaar, dus ook onverwoordbaar en on-denkbaar.

Het heeft dus geen zin zich vast te klampen aan enige waarheidsuitspraak. Zelfs (en zeker…) niet op ethisch vlak (bv. goed/kwaad).

6.

Deze relativering van elke waarheidsuitspraak wordt in de Vijñanavada-school (o.a. bij Vasubandhu) doorgetrokken: als de absolute waarheid niet kan gedacht of verwoord worden, moeten wij het stellen met de relatieve waarheid, wat betekent dat we dienen te beseffen dat elke uitspraak relatief is en dus aan betwijfeling onderhevig. Enkel de zelfbeschouwende meditatiepraktijk kan ons inzicht geven in onze lijdenservaringen.

7.

Deze doctrinale openheid heeft geleid tot verregaande diversificatie vanuit de mogelijke interpreteringen binnenin de boeddhistische omkadering [zie rubrieken 2 en 3]. Dit besef maakt ook het aanvaarden van ‘andere’ meningen mogelijk en leidt tot tolerantie.

Enkel waar religieuze instituten en politiek machtsgebruik historisch samenvallen (Thailand/Tibetaanse theocratie) treedt in deze diversificatie een beperking of een conflictsituatie op, maar deze is qua tijd en ruimte steeds beperkt. Feit is dat het boeddhisme allicht de meest vervolgde spiritualiteit was/is, ofschoon er vanuit het Boeddhisme noch zelfs vanuit de enkele politiek-geconditioneerde boeddhistische instellingen vervolging van andersdenkenden bestaan heeft.

Er is ook nooit conflict of tegenstrijdigheid ten opzichte van wetenschap, literatuur of etnische cultuur mogelijk geweest (China, Japan, Tibet, USA, Europa?)

8.

Heel wat leerredenen eindigen met het stereotiep:

“De toehoorders hebben aandachtig geluisterd, diep over de uiteenzetting nagedacht en zijn dan verheugd naar huis gegaan.”

Ook dàt wens ik u toe.

Shitoku

(1) Tekstboek FVG, 1991, p. 1, ofwel Aldus heb ik gehoord, DSW 1991, p. 1.

(2) Tekstboek 1991 p. 9, of Aldus heb ik gehoord, DSW 1991, p.13.

Ekō 83

jikōji - 慈光寺

© 2007

info-at-jikoji.com
          home