Zelf-Kracht, Assertiviteit En Ander-Kracht

1. Gelezen in de Hongwanji-Shimpo van November ’99:

‘‘Ik heb horen vertellen dat het niet goed is om te steunen op de eigen kracht, maar dat we zouden moeten vertrouwen op de Ander-Kracht van Amida Boeddha.  Is dit niet in tegenspraak met de huidige trend, die de assertiviteit aanmoedigt?’

Het is inderdaad juist dat men niet moet leven volgens de wil van anderen, en zijn eigen wil zou moeten opgeven.

Maar leven in de Ander-Kracht impliceert helemaal niet dat men de eigen wil moet opgeven.  Ander-Kracht is de Voortijdelijke Gelofte van Amida Boeddha, waardoor wij ertoe gebracht worden om bewust te worden van, en beschaamd te worden over het feit dat ons leven gedreven wordt door zelfzuchtige verlangens.  Het is ook door Ander-Kracht dat wij het Boeddhaschap, de essentie van ons waarachtig leven, kunnen realiseren.  Juiste werkzaamheid betekent dat wij moeten afstappen van een manier van leven die gemotiveerd wordt door egocentrisme, om te leven in waarachtigheid die voortkomt uit een diep vertrouwen in de Boeddha.  Dit betekent dat we moeten verzaken aan de weg van begeertevolle zelfzucht, en dat we door inzicht in de wet van onderlinge afhankelijkheid een leven moeten leiden van oprecht vertrouwen in de Nembutsu. 

Aldus kunnen wij leven in volwaardige ‘zelf – assertiviteit’, in overeenstemming met de leer van de Boeddha.

(Einde citaat Hongwangi-Shimpo)

***

2. Taitetsu Unno schrijft in dit verband in zijn boek ‘River of Fire, River of Water’ dat we moeten vertrouwen op ‘de rationele, psychische en intuďtieve mogelijkheden’ die in ons aanwezig zijn.  We hebben deze nodig om een evenwichtig leven te kunnen leiden.  Maar als we dit vertrouwen op zelfkracht gaan toepassen op het religieuze vlak, wordt het helemaal anders.  Hier is enkel vertrouwen op de Ander-Kracht aangewezen.  Dit betekent dat we ons moeten laten drijven op mededogen en van daaruit handelen.  Zo wordt ook onze assertiviteit in de wereld bewogen door Ander-Kracht, en behandelen we de wezens niet meer vanuit een egoďstisch standpunt, we beoordelen ze niet meer, we veroordelen ze niet meer, we kunnen de mensen aanvaarden zoals ze zijn.  Aldus wordt ons handelen bepaald door het verlangen constructief aanwezig te zijn in de wereld, en de wereld niets dan goed toe te wensen.

***

3. Kichibei (18de-19de eeuw) vergeleek de mensen met vissen die in zout water zwemmen.  Ze laten het zout van het water niet door hun huid heendringen.  Als de vissen sterven, en hun gehechtheid aan het leven moeten prijsgeven, worden ze soms in zout ingelegd, om te bewaren.  Het resultaat is dan wel dat ze ook zout smaken.

Kichibei ziet hierin een metafoor voor de manier waarop wij volop leven in de oceaan van wijsheid/mededogen, maar die niet laten doordringen.  Het is alleen door het opgeven van zelf-kracht, van gehechtheid aan het ‘ik’, dat de smaak van de oceaan kan doordringen in ons gemoed.

Het is de nembutsu die ons oproept vanuit de oceaan van de Voortijdelijke Gelofte, het is de nembutsu die de geloftekracht als mededogen tot bij ons brengt, als zout dat ons ‘doordesemt’.

Namu Amida Butsu.

M.S.

Ekō 85

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home