De Relatieve Waarheid Van Taal

Over ons misleidend woord - en taalgebruik

Sh. Myokai R. Franck

'Hij die weet spreekt niet, hij die spreekt weet niet.' (Oosterse wijsheid)

'Zodra men spreekt begint men reeds te dwalen.' (Goethe)

Taal

Taal (Sanskriet bhāshā) houdt nauw verband met denken. Het is een instrument gemaakt door en voor de mens om dingen (Sk dharma's) te beschrijven die door de zintuigen waargenomen worden of om concepten uit te drukken die door de geest (het intellect) bedacht zijn.

Deze algemene omschrijving geeft ongeveer het gangbare standpunt weer dat ook door taalkundigen, filologen en (taal-)filosofen bijgetreden wordt.  Maar boeddhistisch bekeken is deze omschrijving verre van correct of op zijn minst beschouwd onvolledig, want taal geeft de waarheid (meestal) níet weer. De waarheid [7] - waar we allemaal mee weglopen - wordt door taal doorgaans vertekend weergegeven.

Woorden en hun betekenis

'Woorden zijn dragers van de zin: de zin (betekenis) moeten we bewaren, de woorden vergeten.'

Het begrip 'woord' is een combinatie van klank en lettergreep, terwijl ‘betekenis’ (Sk artha) verwijst bij de spreker naar een innerlijke perceptie waarvan de verwoording, bij de toehoorder, een beeld of concept oproept.

In zijn commentaar over het Lankāvatāra -sutra deed D.T. Suzuki over het verschil tussen beide de volgende treffende uitspraak (verwoording aangepast en ingekort weergegeven):

‘Het zijn twee verschillende begrippen die niet verward mogen worden. Woorden staan tot betekenis zoals lettergrepen (Sk akshara) staan tot werkelijkheid (Sk tattva, tathātvam, 'zoals het werkelijk is') en lering (Sk deśanā) tot waarheid (Sk siddhānta, ook: besef): de ene verhouden zich tot de andere zoals de vinger die naar de maan wijst; m.a.w. [ware] zelfkennis, d.i. eigen kennis (Sk sva-buddhi) en [ware] zelfverwezenlijking (Sk sva-siddhānta, innerlijke waarheid), liggen buiten het bereik van de woorden.’ [Studies in the Lankavatara Sutra, D.T. Suzuki, pp. 105-110, 434]

Soms doet ons oppervlakkig of onnauwkeurig taalgebruik - vooral in bepaalde contexten - bij de toehoorder of de lezer nog meer verwarring ontstaan.  Een voorbeeld:

Als Lode Zielens zijn kinderen hoort vragen ‘Moeder (of vader), waarom leven wij?’ - zij zouden ook hebben kunnen vragen ’...waarom lijden wij?’ - dan kan die vraag op twee manieren geïnterpreteerd worden: ‘Wat is de oorzaak van ons leven/lijden’ of ‘Wat is het doel van ons leven/lijden?’

Waarom en waardoor hebben een onderscheidende betekenis. Semantisch verwijst ‘waar-om’ naar een doel, de ‘bedoeling’, terwijl 'waardoor' betrekking heeft op een oorzaak. In de context van het lijden bvb. zou 'waarom' dan kunnen verwijzen naar een ‘doel’ en zou de vraag een Christelijke connotatie kunnen hebben i.v.m. een Scheppend Wezen dat met de mens een bedoeling heeft.

Daarom vragen we beter ‘Wat is de oorzaak van ons lijden?’ (de 2e Edele Waarheid). Niet het waarom (het doel) maar het waardoor (de oorzaak) van mijn lijden heeft belang.

Wat geldt voor ons alledaags woordgebruik is zeker het geval t.o.v. de Ware Werkelijkheid. De mens is onbekwaam om met zijn relatief denkvermogen het Absolute (en alle aspecten daarvan: nirvāna, leegheid (Sk śūnyatā)...) het niet-relatieve, evenmin als tijdruimtelijke aspecten van de samsarische werkelijkheid, te begrijpen of onder woorden te brengen.

Ten overstaan van de Absolute Waarheid is elk woordgebruik en elke betekenis die er aan gegeven wordt beperkt, misleidend, onnauwkeurig, relatief en dus discriminerend.

Doorgaans hecht het Boeddhisme in ‘samsarische’ contexten minder belang aan het onderzoek naar het ‘waarom’, d.i. ‘de diepere zin, de ‘be-doel-ing’ van een ervaring of een situatie.

In de context van de Leer (Buddha-dharma) is de vraag ‘waarom’ natuurlijk wél relevant: Het doel van de Leer is bevrijding te verwezenlijken uit de samsarische kringloop van geboorte-en-dood, d.i. het nirvāna, het Reine Land.

Woorden - waar we gevoelens of waarnemingen mee beschrijven - zijn symbolen, waarmee we onze ervaring van de dingen wel kunnen benaderen maar toch nooit adequaat kunnen beschrijven (beelden zijn betere symbolen). Zij roepen wel een beeld of concept op maar dit concept is gekleurd door onze innerlijke perceptie die de ware aard van het beschrevene niet vertolken.

Daarom wordt in het Lankavatara-sutra gezegd dat onwetende mensen zich in hun woorden verstrikken zoals de olifant in de modder.


En daarom wordt in de teksten gezegd:

‘Hecht je niet aan woorden. Diegenen die gehecht zijn aan woorden (ruta) begrijpen de waarheid (Sk tattvam) niet.’

Een goed boeddhistisch principe is zijn geest niet te laten betoveren door ‘taal [8] ’, vooral niet door mooie woorden en gesuggereerde betekenissen, verspreid door handige reclamelui of politici.

[7] Socrates introduceerde de dialectiek, de methode om door voortdurende ondervraging de waarheid te doorgronden: wat is rechtvaardigheid? wat is goed? wat is moed? vriendschap? en maakte van deze zoektocht een levensdoel.

[8]   Parafrase op het beroemde gezegde van Wittgenstein: ‘Filosofie is de strijd tegen de betovering van de geest door taal.’

Ekō 85

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home