Shōzōmatsu Wasan

Shinran Shonin

Hymnen over de Ware, Verworden en Laatste Dharmaperiodes

In tegenstelling tot de twee andere hymnenverzamelingen (Jōdo Wasan en Kōsō Wasan) vertoont de bundel Shōzōmatsu Wasan geen blijkbare eenheid, maar bestaat hij uit naast mekaar geplaatste ‘hoofdstukken’, die weliswaar inhoudelijk verwant zijn en een scherp beeld weergeven van Shinrans visie en mentaliteit tijdens zijn laatste levensjaren.

Uitgeverij De Simpele Weg is zinnens twee of misschien zelfs drie van deze ‘hoofdstukken’ te publiceren, aangevuld met een inleiding tot de typische problematiek van deze Wasan-bundel en een royaal geannoteerde vertaling.

In de vorm van een naakt voorsmaakje, wordt op de volgende pagina Shitoku’s vertaling van het gedeelte Jammer en Overweging afgedrukt. Als basis hiervoor werd gebruik gemaakt van twee tekstuitgaven: die van de Ryukoku Universiteit (Kyoto 1980, met Japans syllabisch hiragana-geschrift), maar vooral van de recentere Jōdo Shinshū Seiten Gentenban (Kyoto 1988, met Japans syllabisch katakana-geschrift, zoals dit ook voorkomt in de oudste manuscripten en in de eerste blokdruk).

Gutoku Hitan Jukkai

Gutoku Shinrans Jammer en Overweging

(94)

Ofschoon ik toevlucht heb gezocht in de Ware Leer van het Reine Land,

toch is in mij nauwelijks het Gemoed van de Ware Werkelijkheid te vinden.

In mij is er zóveel valsheid en onwaarheid aanwezig

dat er geen spoor van enig zuiver gemoed kán zijn.

(95)

Elk van ons pakt uit met zijn imago

van wijsheid, goedheid en toewijding.

Maar we zijn zó bezeten van begeerte, haat en dwaze inzichten

en zijn daarom zó overvol van allerlei vormen van bedrog.

(96)

Mijn slechtheid is moeilijk opnieuw te stoppen:

ook mijn gemoed zit vol giftige dieren.

Zelfs ons deugdzaam handelen is besmet met dat giftig mengsel

en wordt daarom een ‘valse praktijk’ genoemd.

(97)

Hoe schaamteloos en zonder zelfkritiek ben ik toch!

En zonder het minste gemoed van oprechtheid

dat toch de overdracht van Amida’s Naam naar alles en iedereen

doordringt,

en werkzaam is in de tien richtingen.

(98)

Zelf zonder de geringste welwillendheid en het kleinste mededogen,

wat hoop ik nog voelende wezens goed te kunnen doen?

Moest er geen schip van Tathagatha’s Gelofte zijn,

hoe kan de oceaan van het lijden overgestoken worden?

(99)

Met mijn bedrieglijk gemoed vol slangen en schorpioenen

ben ik onbekwaam de heilzame praktijken van zelfkracht te verrichten.

Zonder vertrouwen op Tathagatha’s verdiensteoverdracht,

zou ik schaamteloos en zonder spijt te pletter lopen.

(100)

Dit is het teken van het tijdperk der Vijf Bezoedelingen:

dat ziet men zowel in de Leer als in de wereld.

Naar buiten uit doen ze zich voor als aanhangers van het boeddhisme,

naar binnen hangen ze echter andere opvattingen aan.

(101)

Wat jammer toch is het dat monniken en leken

vragen stellen naar gunstige tijden en geluksdagen

en daarbij hemelse goden en aardse geesten aanbidden

en zó opgeslorpt worden in voorspellingen en rituelen!

(102)

De titels ‘monnik’ en ‘dharma-leraar’ – waarlijk –

werden verondersteld eerbiedwaardig te zijn.

Maar net zoals Devadatta het woord ‘dharma’ bezigde voor zijn vijf vervormde leringen,

zo worden die titels nu gebruikt voor onwaardigen.

(103)

Zonder eigenlijk onderscheid tegenover niet-boeddhisten, brahmanisten of jaina’s,

zo zijn monniken in hun hart er niet verschillend van.

Wel dragen ze nog steeds de kledij van de Tathagata,

maar toch vereren ze alle bovenaardse wezens.

(104)

Bedroevend om zien is hoe in het tegenwoordige Japan

allemaal, zowel leken als monniken beweren

de riten en regels van het boeddhisme te volgen,

maar tevens aanbidden ze de goden en geesten van hemel en aarde.

(105)

Teken van de Tijd der Vijf Verwordingen en slechte praktijken

is dat benamingen als ‘monnik’ en ‘dharma-leraar’

gebruikt worden voor slaven en knechten.

Aldus worden ze als regel gevestigd voor onwaardig gebruik.

(106)

Enkel in naam zijn ze ‘monniken’, die weliswaar geen voorschriften meer eerbiedigen,

maar in deze wereld van de laatste dharma-periode

stellen ze zich voor als gelijken van Śāriputra en Maudgalyāyāna

en sporen ze ons aan ze te eren en te huldigen.

(107)

Vanaf het begin heeft onheilzaam karma geen eigen vorm;

het is enkel het gevolg van illusies en verstoringen van het gemoed.

De ware aard van het gemoed is van in den beginne zuiver,

maar in deze wereld zijn er geen oprechte mensen meer.

(108)

Het jammerlijke aan deze wereld van de laatste dharma-periode

is dat boeddhisten van de Zuidelijke Hoofdstad of van de Noordelijke Berg

spreken van ‘draagstoel-eerwaarde monniken’ en van ‘riksha-dharma-leraars’

om hulde te betonen aan priesters van hoge rang.

(109)

Een merkteken van minachting voor de Leer van de Boeddha

is dat ‘monniken’ en ‘nonnen’ eigenlijk slaven zijn

en dat eretitels als ‘dharma-leraar’ of ‘priester’

gebezigd worden voor mannelijke en vrouwelijke knechten.

In de voorgaande zestien strofen heb ik, Gutoku, getracht mijn diep gevoel van verdriet uit te drukken over het onverantwoorde gebruik van eretitels. Zulks is voorwaar een teken dat men niet langer de boeddhistische weg eerbiedigt. Ook ik ben geërgerd door die zogenaamde monniken en dharma-leraars die zich in tempels en kloosters hebben ingeburgerd.

Geschreven door Shaku Shinran

Ekō 86

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home