Het begrip Tamashii in het Boeddhisme: Wie is het ‘Zelf’? (2)

Deel 2: ‘Tamashii’ bij Dōgen en Shinran

Vertaling van een tekst van Akira ŌMINE, verschenen in ‘Pacific World, Journal of the Institute of Buddhist Studies’ –

Third Series n° 1, Fall 1999.

Het Boeddhisme gaat er meestal van uit dat de ziel of ratio (nous) uit de Westerse metafysica overeenkomt met ‘bewustzijn’ (vijńāna), meer bepaald het ‘bewaarplaatsbewustzijn’ (ālaya-vijńāna) uit de Yogācāra school. Het is bekend dat, in antwoord op de vraag of de ziel nu wel of niet voortleeft na de dood, Śākyamuni het stilzwijgen bewaarde. Hiermede ontkende hij het bestaan van een substantiële ziel. Dit betekent echter niet dat hij een louter materialistische positie aanhing. Moesten mensen enkel uit fysische lichamen bestaan, dan zou niet alleen het Boeddhisme, maar elke religie ondoelmatig zijn. Hét probleem dat van oudsher aan de orde is in de religies is dan ook de vraag wat we denken van datgene dat wij ‘ziel’ (tamashii) of ‘geest’ (kokoro) noemen.

In zijn werk Shōbōgenzō, formuleert Dōgen o.a. scherpe kritiek op de algemeen heersende opvattingen betreffende een substantiële ziel of een bewust ‘zelf’. De vraag wordt gesteld naar de betekenis van Verlichting in de leer van de Boeddha. Gaat het hierbij over het inzicht dat het lichaam voortdurend verandert doorheen opeenvolgende cycli van geboorte en dood, waarbij de ‘geestnatuur’, de ziel, geboorte en dood transcendeert, en aldus onvergankelijk is in haar blijvende zelfidentiteit? Dōgen antwoordt dat elke lering over een permanente ‘geestnatuur’ evenveel waard is als de ketterse standpunten van Senika, een religieus denker van de tijd vóór Śākyamuni. Het stemt in het geheel niet overeen met de Boeddha-dharma. Deze manier van denken – dat het lichaam vergaat, maar dat de geest niet ophoudt te bestaan – is in feite de fundamentele oorzaak van alle samsarische illusies. Het is het toppunt van dwaasheid om enerzijds deze gedachten te koesteren, en anderzijds bevrijding uit samsara na te streven.

Het standpunt van Dōgen staat in contrast met deze manier van denken. Hij stelt dat er geen onderscheid kan gemaakt worden tussen lichaam en geest, tussen iets wat tijdelijke verandering ondergaat en iets dat eeuwig blijft. Dogen drukt dit uit als ‘eenheid van lichaam en geest’ (shinjin ichinyo), de ‘niet-tweeheid van natuur (leegheid) en vorm’ (shōsō funi), en ‘samsara is gelijk aan nirvana’ (shōji soku nehan).

De leer van de Boeddha gaat niet uit van een onveranderlijk fysisch lichaam. Maar elke gedachte dat de geest het lichaam transcendeert en aldus onvergankelijk is, ontstaat eveneens uit de gehechtheid aan de misvatting die van de geest een substantie maakt. Zowel het toekennen van substantie aan het lichaam als het toekennen van substantie aan de geest ontstaat uit gehechtheid aan een ‘ik – gedachte’; uit verkeerde inzichten betreffende het zelf.

Vanuit het standpunt van de ‘eenheid van lichaam en geest’, vergaat niet enkel het lichaam maar ook de geest. Men kan echter ook stellen, dat noch het lichaam noch de geest vergaan. Want, hoewel vergaan en niet-vergaan tegenover elkaar staan, zijn ze ook gelijk aan elkaar. Dat betekent, dat ware bevrijding uit samsara oprijst - niet waar men afgescheiden leeft van samsara - maar waar men er volledig mee samenvalt. ‘Samsarische geboorte en dood is het Leven van de Boeddha’…

Dōgen sprak ook over de ‘wereld van de Boeddha - Dharma’ die gevestigd is buiten de beperkingen van het zelf, en die hij het bereik van de geest – de ‘ene geest’ noemde. De door Dōgen geformuleerde opvattingen van ‘eenheid van lichaam en geest’ en ‘samsara is gelijk aan Nirvana’ zijn daar logische uitspraken van.

Dit alles verschilt hoegenaamd niet van de leer van het Reine Land, waar gesteld wordt dat Shinjin van de Ander-Kracht overeenkomt met deze grenzeloze wereld van de geest. Deze ‘geest’ kan echter niet geproduceerd worden door de zelfkracht van de gewone wezens, maar wordt hen wel gegeven door de Tathāgata. Shinran spreekt in dit verband van ‘de werkzaamheid van Ander-Kracht’. (tariki ekō). De geest waarvan hier sprake is duidelijk niet een geest als substantie. Als men spreekt van geest als substantie, dan betreft het de egogerichte geest, die door de geest van de Boeddha wordt uitgewist. Deze egocentrische geest bestaat slechts binnen een raamwerk van zelfbewustzijn, waarin het zelf zichzelf waarneemt en kent. Men zou kunnen zeggen dat Shinjin de gebeurtenis is waarbij ontdekt wordt dat het ware zelf opgenomen is in de uitgestrekte, grenzeloze en open ruimte van de Boeddha-geest.

‘Wanneer iemand waar en werkelijk Shinjin realiseert, dan wordt hij onmiddellijk gegrepen en vastgehouden in het hart van de Boeddha Ongehinderd Licht, om nooit meer losgelaten te worden. ‘Grijpen’ (sesshu) betekent opnemen (setsu), en ontvangen en houden (shu). Wanneer we gegrepen worden door Amida, gaan wij onmiddellijk –zonder ook maar enig tijdsverloop - naar het stadium van de waarlijk gevestigden. Dit is de betekenis van ‘bereiken van geboorte’                                  

(Shinran, ‘Commentaar op Eenmaal of Vele Malen Reciteren’ (‘Ichinen tanen mon-i’)

‘Op het moment dat een persoon Amida’s gelofte ontmoet –dewelke Ander-Kracht is die zich aan ons geeft – en het gemoed dat Waar Shinjin ontvangt en zich verheugt, in hem gevestigd wordt, [op dat moment] is hij omvat om nooit meer losgelaten te worden.

Vandaar, op het moment dat hij het diamantharde gemoed verwezenlijkt, wordt van hem gezegd dat hij verblijft in het ‘Stadium van de Waarlijk Gevestigden’ en dat hij hetzelfde stadium als Bodhisattva Maitreya heeft bereikt.

Aangezien de persoon van Waar en Werkelijk Shinjin van hetzelfde stadium is als Maitreya, is hij gelijk aan de Boeddha’s ([1]). Meer nog: alle Boeddha’s voelen grote vreugde wanneer hij zich verheugt in de verwezenlijking van Waar Shinjin, en ze verkondigen: ‘Hij is onze gelijke’.

Shakyamuni’s woorden van heugenis vindt men in het Grote Sutra: ‘De persoon die ziet en eerbiedigt en grote vreugde verwezenlijkt, hij is mijn ware gezel’; zodoende onderricht hij ons dat de persoon die Shinjin heeft verwezenlijkt, gelijk is aan de Boeddha’s.’

(Shinran, ‘Mattōshō’, brief 18)

 

In deze citaten legt Shinran uit dat Shinjin een transcendent gebeuren is, dat hij beschrijft door middel van de uitdrukkingen als ‘bereiken van geboorte’ of ‘vestiging van geboorte’. Deze manier van menselijk existeren transcendeert de tijd, zelfs al bevindt men zich in de tijd. Het ene-gedachtemoment van Shinjin (shin no ichinen) kan metaforisch uitgedrukt worden, niet als Kierkegaard’s ‘atoom van tijdelijkheid’, maar als het moment dat een ‘atoom van tijdeloosheid’ is. Wat Shinran in zijn leer van de ware essentie van het Reine Land boven al benadrukte, is het hoogste en onvervangbare belang van het ene gedachtemoment van Shinjin, de eerste schittering van tijdeloosheid. Het vertrekpunt naar het Reine Land bevindt zich in het moment waarop Shinjin wordt gevestigd. Shinran verklaarde dat mensen van Shinjin reeds de vestiging van de geboorte hebben gerealiseerd, zij hebben dus geboorte verkregen in hun actuele lichaam. Shinran drukt hun aankomst in het Reine Land uit met deze woorden, ‘zij overstijgen [al hun belemmeringen] en realiseren groot, volledig Nirvana, op het ogenblik van de dood’. Dit betekent dat de geest van Shinjin in het ‘actuele’ lichaam Boeddha wordt, of anders gezegd, volledig geest wordt. In de traditionele studies over Shin-Boeddhisme, wordt dit verwoord door de uitdrukking ‘geboorte is gelijk aan de verwezenlijking van verlichting’ (ōjō soku jōbutsu).

In één van zijn brieven schrijft Rennyō (1415 – 1499) ook over dit onderwerp. Waar Shinran het heeft over kokoro (geest) gebruikt Rennyō echter het woord tamashii, (‘ziel’) waarmee hij de persoonlijke existentiële werkelijkheid bedoelde. Rennyō schreef een brief ten tijde van de dood van zijn tweede dochter, Kengyoku-ni (1448 – 1472), die stierf op de leeftijd van vijfentwintig jaar, de veertiende dag van de achtste maand in het vierde jaar van Bunmei (1472).

Rennyō vertelt dat Kengyoku-ni zich had verheugd over het realiseren van Shinjin van Ander-Kracht. Hij verklaart dat zij zachtjes heenging, na eerst haar verzorgers hartelijk te hebben bedankt. Dan beschrijft hij een wonderlijke droom die iemand had op de vooravond van de vijftiende dag van de maand, de nacht van de crematie van Kengyoku-ni.

De droom ging over het volgende: de witte as en het gebeente van het gecremeerde lichaam van Kengyoku-ni lag in de tuin waar de begrafenis had plaatsgevonden. Toen zag de dromer drie blauwe lotusbloemen uit de as oprijzen. Tussen de bloemen verscheen een goudkleurige Boeddha, ongeveer 3 centimeter lang, die licht uitstraalde. Plots leek de Boeddha te veranderen in een vlinder, die even later uit zicht verdween. Toen eindigde de droom. Rennyō voegt daar de volgende woorden aan toe:

‘Deze droom was een manifestatie van het juweel van de Zoheid en de dharma-natuur die in haar naam, Kengyoku besloten lag. Zij werd een vlinder, die dan uit het zicht verdween. Dit duidt zonder twijfel aan dat haar ‘ziel’ (tamashii) getransformeerd werd in een vlinder, die dan in de wereld van de dharma-natuur opging, de wereld van de hoogste zegen, de stad van Nirvana.’

Wat Rennyō hier met tamashii aanduidt, is niet een ziel volgens een of andere ‘primitieve’ vorm van religieus animisme. Het betreft geen substantiële, metafysische ziel, die kan onderscheiden worden van een fysisch lichaam. Noch verwijst het naar een ‘wezen’ uit de spirituele wereld-na-de-dood, waarover men soms hoort in verhalen over ‘bijna-dood’ ervaringen. Tamashii betekent iets anders dan al deze ‘verzelfstandigde’ bestaanswijzen. Het woord verwijst naar de existentiële realiteit van de jonge vrouw Kengyoku: zij moet er zich bewust van zijn geweest dat deze bestaanswijzen slechts de vluchtige en illusoire gedachten van de gewone wezens voorstellen. Daarom had ze haar volledige wezen, zonder de minste twijfel, toevertrouwd aan de Gelofte van de Tathagata. We zien hier dat het woord tamashii voor Rennyō duidelijk doordrenkt was met de heldere kleuren van zijn verdriet en zijn vreugde…

Zo zag Rennyō dat. Hij zou ontstemd zijn te horen dat hij, ter wille van het uitdragen van de leer, zijn overtuiging zou aangepast hebben aan de wereldse opvattingen, die toen in Japan opgeld maakten. ([2])

(Einde)

[1] of: Tathagata’s.

[2] En deze opvattingen hielden vast aan een ‘zelfstandige ziel’. (M.S.)

Ekō 86
Het begrip Tamashii in het Boeddhisme: Wie is het ‘Zelf’?

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home