Vegetarisme… en het Leed van de Dieren, onze Medewezens

Sh. Myōkai Rutger Franck

Het Mahayana-boeddhisme maakt geen onderscheid tussen mensen en dieren. Zij zijn allen karmische wezens en onderworpen aan de kringloop van geboorte en dood. De hele wereld is één organisch geheel. Voor de bodhisattva is het begrip Mededogen - dat ook een besef van verantwoordelijkheid impliceert (H. Inágaki) - bijgevolg ook op dieren toepasselijk.

Aan onze weerloze medewezens, de dieren, wordt elk moment, over de hele wereld, het ergste onrecht aangedaan.

Ik geef enkele voorbeelden:

De brutale slachting van runderen en pluimvee, de 'nutsdieren' (in anonieme slachthuizen), verkom­mering, veronachtzaming en ruwe behandeling van huisdieren (ook door dierenhandelaars), de koelbloedige 'vernietiging' van vele tienduizenden door varkenspest getroffen varkens en recentelijk met dioxine en PCB's besmette runderen en kippen (veroorzaakt door met slib- en afvalprodukten en tot beendermeel verwerkt veevoeder), het doelloos lijden in wetenschappelijke en medische proefne­mingen en vivisectie (voor cosmetica en geneeskunde), de jacht op dieren uit winstbejag of 'voor de sport' (olifanten, luipaarden, tijgers voor consumptieartikelen…), omdat de natuur waarin zij verblijven een hinder is voor onze macro-economische expansiedrang (het afbranden van tropische regenwou­den) of gewoon 'zo maar', 'omdat het toch maar dieren zijn', enz…

Dit alles gebeurt op grond van het antropocentrische denken van de mens die zich heer en meester waant over alle levende wezens. Hadden wij immers niet geleerd dat de mens door God soevereine oppermacht over de dieren toegekend is?

Niet de redenering dat dieren tot een lagere soort behoren is aan de orde, wel de vaststelling dat zij, net zoals de mens, kunnen lijden en dat wij niet gerechtigd zijn te beschikken over hun leven.

Vegetarisme ten tijde van de Boeddha en in de teksten

De consumptie van vlees wordt door de Mededogende Boeddha verworpen in de Lankavatāra-, Hastikakshya-, Mahāmegha-, Nirvāna- en Angulimālika-sūtra's; zo ook veroordeelde hij elke handel in levende wezens en handel in vlees.

De Boeddha gaf de monniken regels m.b.t. het eten of het niet-eten van vlees: tien regels die het vlees eten veroordelen en drie regels die het eten van vlees goedkeuren. Deze regels hadden uiteraard betrekking op de gedragsregels van de monniken die op bédelen aangewezen waren. Het eten van vlees keurde hij slechts goed wanneer de monnik wist dat het dier níet speciaal voor zijn aalmoes gedood werd.

Maar nergens gaf hij eenvormige verbodsregels voor lekenvolgelingen. Het thema ‘vegetarisme’ komt in boeddhistische gemeenschappen dan ook regelmatig ter sprake, wat dan aanleiding geeft tot verhitte discussies.

Toch is het mogelijk de ware gedachtegang van de Boeddha te peilen aan de hand van twee verzen uit de Dhammapāda[3].

In het eerste zegt hij tegen de visser Ariya:

‘Diegene die leed berokkent aan levende wezens noem ik geen ariya (edel mens). Die géén leed doet aan geen énkel levend wezen noem ik ariya.[4]’’

‘De kwaaddoener treurt nu en in de toekomst; hij treurt in beide existenties: hij wordt gekweld en lijdt wanneer hij het kwade van zijn verkeerde daden inziet.’

Deze woorden werden door de Boeddha uitgesproken n.a.v. de zeven dagen durende doodsstrijd van Cunda, de varkensslager, die 55 jaar lang zijn beroep uitgeoefend had. Het verhaal vermeldt nog dat hij die zeven dagen doorbracht, op handen en voeten voortkruipend, luid schreeuwend en gillend.

Vegetarisme is een persoonlijke aangelegenheid

Het dierendilemma is niet eenvoudig. Weliswaar ben ikzelf verantwoordelijk voor mijn eigen daden, mijn eigen karma, weliswaar staat het negatieve doden of laten doden tegenover de positieve landbouwmethoden en de gezondheid van de mens (bv. bij de malariabestrijding) en weliswaar maakt de dood deel uit van het natuurlijk levensproces en is het doden van dieren op een of andere manier (bij de oogst van gewassen, bij elke ademtocht, bij elke voetstap in de natuur) onvermijdelijk, maar niettemin kan een boeddhist met dergelijke toestanden niet gelukkig zijn en lijdt hij/zij eronder.

Vertrekkend vanuit de waarheid van het universele boeddhistische principe dat alle leven één enkel samenhangend organisme is en dat de Buddha Dharma ook voor onze medewezens bestemd is, meen ik dat de bodhisattva zich ook voor hún welzijn verantwoordelijk dient te voelen (H. Inágaki, The Three Pure Land Sutras, p.34).

Het zou daarom elk weldenkend (shin-)boeddhist betamen zijn instelling tegenover dieren te onder­zoeken, in stilte en met mededogen over het lijden van de dieren na te denken, na te gaan in hoeverre hij/zij persoonlijk hun lijden (én het doden van dieren) kan beperken, in zijn eetgewoonten (desnoods) een Middenweg ('waar en wanneer mogelijk') te volgen… en een besef van nederigheid en dankbaar­heid te ontwikkelen voor dieren en planten waar wij, voor ons bestaan, van afhankelijk zijn.

Maar vegetarisch leven is en blijft een persoonlijke zaak en keuze. De (Shin-)boeddhist hoeft hier geen 'dogma' of een absolute 'must' van te maken, vooral als er 'problemen' oprijzen in de gezinscontext[5].

Het is de geestelijke instelling tegenover dieren die zou moeten primeren.

Over dieren ook nog volgende flashbacks en citaten, ter overweging:

·    Vlees eten schept afstand tussen de mens en de medewezens en veroorzaakt onverschilligheid t.o.v. hun lijden; vegetarisme anderzijds reaffirmeert de band tussen de mens en zijn medewezens.

·   Keizer Aśoka liet tijdens zijn regering over heel Indië ziekenhuizen oprichten, niet alleen voor mensen maar ook voor dieren! Zijn rotsedicten veroordeelden vlees eten en het doden van dieren.

·    'Het niveau van een beschaving kan worden gemeten aan de wijze waarop met dieren omgegaan wordt.' (Mohandas K. Mahātma Gandhi)

·    'De liefde voor alle wezens is de meest nobele eigenschap van de mens.' (Charles Darwin)

·    'All life is holy, and that's it’. (William Blake)

Sabbe satta bhavantu sukhitatta (Pali): 'Mochten alle wezens gelukkig zijn!'

Namu Amida Buddha!

 

Enkele redenen waarom de bodhisattva, volgens het Lankavatāra – sutra, vermijdt, waar mogelijk, vlees te eten:

° Alle leven is één; de mededogende bodhisattva beschouwt alle wezens als zijn eigen kinderen;

° De essentie van het bodhisattva-schap is mededogen; zonder mededogen verliest hij zijn essentie (sattva);

° Vlees eten beïnvloedt de bodhisattva geestelijk (zijn instelling) en lichamelijk (lijfgeur);

° De bodhisattva –die de Leer geeft wanneer er naar geïnformeerd wordt – dient bij zijn medemensen een goodwill, een positieve indruk over de Leer te scheppen. Door vlees te eten zullen zij hem én de Leer, waarvan hij zegt dat hij ze beleeft, allicht ook negatief beoordelen;

° Dierlijk vlees is bederfelijk, ongeschikt als menselijke voeding;

° Waar geen vlees gegeten wordt zullen ook geen dieren geslacht worden;

° De bodhisattva –zoals alle geestelijk ingestelde mensen – eet rijst, granen, bonen, zuivere boter, olie, honing, stroop, suiker en vruchten in al hun vormen en bereidingswijzen.

[Studies in the Lankavātara Sutra, Dr. D.T. Suzuki]

 

[3] ‘Het Pad van de Leer’, een onderdeel van de Khuddaka-nikāya. Het boek bevat 423 verzen, uitgesproken door de Boeddha zelf, verzameld tijdens 305 publieke uiteenzettingen die hij gaf in de loop van zijn 45 jaar durende leeronderricht. De Dhammapāda wordt soms ‘de quintessens van Boeddha’s leeronderricht’ genoemd.

[4] De Boeddha maakt hier met het Pali- begrip ariya, dat ‘edel’ betekent, een zinspeling op de gelijkluidende naam van de visser. Dit ene vers was voor Ariya het keerpunt in zijn leven. Hij zag in dat zijn beroep onwaardig was, waarna hij het stopzette en voortaan het principe van het juiste levensonderhoud (Sk samyag-ājīva, vijfde onderdeel van het Edele Achtvoudige Pad) toepaste.

[5] In India bv. staan de vegetarische regels de consumptie van eieren en melkprodukten toe, terwijl in Japan, in strenge vegetarische (al dan niet boeddhistische) kringen, uitsluitend plantaardig voedsel toegelaten wordt.

Ekō 86

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home