Filosofie En Mystiek Van De Jodō-Shinshū (1)

Boeddhistische Spiritualiteit

Dit is het eerste van een reeks bijdragen, die in hun inhoud gebaseerd zijn op thema’s die in het boek ‘Filosofie en Mystiek van de Jodō-Shinshū’ door Sh. A. Peel worden belicht. [1] Er werd zoveel mogelijk naar gestreefd bij de oorspronkelijke verwoording van de auteur te blijven. Onduidelijkheden zijn in eerste instantie te wijten aan de bewerker.

Spiritualiteit en mystiek [2] behoren tot de kern van de leer van de Boeddha, en zijn geen randverschijnselen zoals in sommige monotheďstische religies; de morele en juridische implicaties zijn daarentegen uiterst beperkt gebleven in de Leer.

Een naar binnen gerichte mystiek.

Het is in de geest, d.i. op het spirituele vlak, dat zich de ‘carričre’ van de onwetende mens afspeelt. Vermits het boeddhisme de bedoeling heeft zich los te maken van de cognitieve ‘manas’ (d.i. het discriminerend en denk-constructief omgaan met de ervaringsgegevens), zal het een uitgesproken beroep doen op de dynamiek van de volitieve ‘citta’ (d.i. de attitude van waaruit men ‘wilt’). De boeddhistische spiritualiteit is hierbij geen ‘wegdromen’, niet een ex-tasis (een ‘uit-zichzelf-treden’, ‘wegkijken’, ‘weggaan’) maar een en-stasis (een zich instellen-op, een opbouwen van helderheid en eensgerichtheid van het gemoed)

Een ‘horizontale’ mystiek.

De boeddhistische spiritualiteit vertoont in haar formele inhoud enkele opvallende afwezigheden.

1. Een Godsbegrip, zelfs de vraag naar een Godsbestaan is in de Leer van de Boeddha volkomen afwezig. [3] Voor veel Westerlingen is deze stelling geen onoverkoombare hindernis. De Christelijke Mystiek kent genoeg voorbeelden van een mystiek waarin Gods ‘niet-zijn’ wordt ervaren. [4]

Het boeddhisme is noch een theďsme noch een atheďsme. Hoe men de ervaren ware werkelijkheid zal benoemen heeft geen definitieve waarde. Deze logische ‘noch - noch’ opstelling is de filosofische verwoording van de ‘Leer van de Middenweg’

2. Het begrip ‘ziel’ als een onveranderlijke substantie ontbreekt in het boeddhisme, waar precies de ‘niet-zelf-lering’ aan de basis ligt. Alleen in een psychologische benadering kan men - voorlopig - van een ‘ziel’ spreken, als de som van lichamelijke en psychische bundelingen, die als veranderende en wisselende samenloop van ervaringsgegevens de indruk geeft van een permanent ‘ik’, waaraan dan een metafysisch en ontologisch statuut wordt verleend.

Aldus komen we tot een spiritualiteit (of een mystiek) zonder God daarboven en zonder ziel daarbinnen! Een spiritualiteit die noch naar boven noch naar ‘de ziel’ gericht is, dat kan alleen én noodzakelijk tot een ‘horizontale’ [5] mystiek leiden, gericht op de anderen. Het boeddhaschap, als ‘icoon’ van Wijsheid/Mededogen, brengt ons natuurlijkerwijze tot een penetratie in de onderlinge verbondenheid van alle wezens. Hier ontstaat de visie dat elk wezen niet-twee is met de andere wezens…Het spiritueel doel hierbij blijft altijd ‘bevrijding uit de greep van het lijdenssyndroom’.

Twee categorieën boeddhistische ‘wijzen’ kunnen ons een idee geven van de wijze waarop ze elke dualiteit transcendentie/immanentie afwijzen.

1. De Chinese Ch’an ‘meditatiemeesters’, (monniken), met hun koan’s en hun mondo’s waar sterk de nadruk ligt op het menselijk eenvoudige, enkelvoudige : ‘Ik eet, ik eet; ik slaap, ik slaap’. Elke handeling is zo een afspiegeling van het Boeddhaschap.

2. De Japanse myōkōnins, (leken in tegenstelling tot de Ch’an monniken), die meestal behoren tot de Jodō-Shinshū-traditie. Soms zijn ze ongeletterd (Issa de haiku-dichter is de meest bekende uitzondering), maar steeds intens spiritueel geladen. [6]

Beide soorten ‘wijzen’ kenmerken zich door een enkelvoudige spontaneďteit, waarin transcendentale en immanente elementen in elkaar versmelten tot de allesomvattende zoals-het-isheid (Jap. Jinen-hōni)

Shin-boeddhistische spiritualiteit.

In het shin-boeddhisme is de horizontale spiritualiteit het doorslaggevend belevingselement. Shinran Shonin heeft immers de Indische Leer van het Midden (gesystematiseerd door vnl. Nagarjuna), de ‘Enkel Bewustzijn - school’ van (Asanga en Vasubandhu) én het rijke Avatamsaka - denken (in de Chinese Hüayen-vorm) samen gebracht en er de consequenties voor nembutsu-praktijk aan gekoppeld, waar bij T’anluan, Shantao en Honen wegbereiders waren.

Zo zag Shinran de niet-tweeheid van het Oneindige Boeddhaschap gemanifesteerd in de naam (myōgō), Namu Amida Butsu, die een teken is van de natuurlijkheid. Doordringen in de Naam is de kern van de shinboeddhistische spiritualiteit. Het geestelijke resultaat hiervan is een omkering (Jap. e-shin) van de mystieke dynamiek van het Boeddhaschap:

‘Niet ik ben het die Boeddha word,

het is Boeddha die mij wordt.’ (Saiichi de Myōkōnin)

En dat is shinjin, letterlijk: het Gemoed van Vertrouwen, waarin alle eigen berekeningen en bekommernissen hebben opgehouden door het deelachtig worden aan het Boeddha-Gemoed van Groot Mededogen. Hiermee komt het wezen tot ‘geboorte in het Reine Land‘, wat geen eindpunt is van passief rusten in gelukzaligheid, maar een terugkeer naar de lijdenswereld, want men is geworden tot ‘Groot Mededogen’, tot Ander-Kracht, en zo mede werkzaam om alle wezens uit hun lijdensbestaan te bevrijden.

De horizontale spiritualiteit in haar shinboeddhistische beleving is zeker geen afscheiding, geen fractuur met het dagelijkse leven, maar juist diep gefundeerd in elk moment van de alledagelijksheid. De shinboeddhist kan vrij omgaan met en genieten van het Oneindige Licht en Leven dat vrijheid en vervulling betekent, ook al wordt hij, net zoals alle wezens voorts geplaagd door zijn ‘dwaze driften’ en zijn ‘onheilzaam karma’. Zijn bestaan wordt hierdoor opgekrikt tot een bodhisattva-schap. Met de woorden van Shinran: hij wordt de gelijke van Maitreya, de ‘toekomstige Boeddha’.

(Bewerking: M. Strubbe)

[1] Sh. A. Peel: ‘Filosofie en Mystiek van de Jodō-Shinshū’ De Simpele Weg - Antwerpen 1997. Ook beschikbaar in de bibliotheek van het Centrum.

[2] Men zou kunnen stellen dat mystiek het één worden is met een alomvattende werkelijkheid, en dat spiritualiteit de concrete praktijk is om die werkelijkheid te realiseren.

[3] Onder God wordt hier begrepen: een persoonlijke God, als afzonderlijke substantie, zingever en schepper van de wereld.

[4] zie o.a. Eckhart, Silesius.

[5] horizontaal: een aanduiding vanuit samsarisch perspektief: uiteindelijk - gezien vanuit de oneindige verlichting - is er noch horizontaliteit noch vertikaliteit. Bedoeling is aan te geven dat er geen werkelijkheid is apart van onze werkelijkheid, maar dat er wel een gelaagdheid is: samsara en nirvana zijn niet-twee, ze zijn in essentie één maar toch niet gelijk.

[6] Het zijn ‘zeldzame, goede mensen’; het woord myōkōnin zelf verwijst naar ‘lotus’. Een lotus gedijt in het modderige moeras van de wereld van begeerte, haat en illusie (‘aangeraakt maar niet besmeurd’), hij groeit niet op de ‘verheven plateaus van de abstractie’… (Vrij geciteerd uit T. Unno: ‘River of Fire, River of Water’ (Doubleday 1997 - p. 104)

Ekō 87
Filosofie En Mystiek Van De Jodō-Shinshū

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home