Emotioneel Lijden

Sh. Myōkay Rutger Franck

De Leer en het lijden

De eerste toespraak die Boeddha Śākyamuni gaf in het Hertenpark nabij Varanasi, nadat hij zes jaar strenge praktijk beoefend had, is het Saccavibhanga-sutta (Majjhima-nikāya, uit het Sutta-Pitaka), ook genoemd de leerrede waarmee hij het Rad van de Dharma in beweging bracht.

In dit onderricht gaf hij de uiteenzetting van de Vier Edele Waarheden, met name: de vaststelling van de symptomen van het lijden, de oorzaken van het lijden, de bevrijding uit het lijden en het pad dat leidt naar de bevrijding uit het lijden.

Anderzijds vermelden de Pali-teksten uit andere vroege toespraken van de Boeddha de drie kenmerken van het bestaande. Deze kenmerken zijn sleutels die ons helpen inzicht te verkrijgen in de ware aard van het bestaande (en dus ook van óns bestaan) en van het lijden. Het zijn a.h.w. toetsstenen waarmee we onze zienswijzen kritisch kunnen onderzoeken:

1.         Alle bestaansvormen, d.i. alle samengestelde dingen, alles wat een begin en einde heeft, bijgevolg ook ons lichaam, de fenomenen die we waarnemen, alle concepten van ons denken en emoties, zijn door lijden (Sk duhkhā) getekend;

2. Al deze bestaansvormen zijn getekend door veranderlijkheid (anityā), een van de oorzaken van het lijden;

3. Alle bestaanselementen (de dharma’s, datgene waaruit de bestaansvormen zijn samengesteld) zijn zelfloos (Sk anātman, Pali anattā), leeg (Śūnya), bestaan niet op zichzelf; zij zijn uit geest (manas) opgebouwd en hebben geest als voorloper.

Opvallend in deze leringen is dat het ervaringsfeit van het lijden centraal staat.

De oorzaken van het lijden en de geaardheid van emoties

Voor de Grieken lag de oorzaak van het lijden in het noodlot en de overmoed van de mens. Voor de Joden - en bijgevolg ook de Christenen - gaat de oorzaak terug tot de eerste zonde (hoogmoed, ongehoorzaamheid). In de Indische denkwereld lag de oorzaak bij het afgescheiden-zijn van het goddelijke brahman.

Voor boeddhisten ligt de oorzaak niet buiten de mens maar in zijn gemoed.

Wat is dan het proces dat zich afspeelt in ons gemoed dat ons zo parten speelt en emotionele pijn en ellende veroorzaakt?

Lijden (althans de geestelijke, psychische aspecten ervan) ontstaat in ons gemoed, ons denk- en ervaringsproces. Het vindt zijn oorsprong in waan (avidyā, on- of ‘miswetendheid’, verbijstering, verdwazing, verwarring), een begoocheling eigen aan elke mens. Deze onwetendheid ligt aan de basis van ons egodenken, de grote denkfout waardoor we onszelf als een ‘ik-heid’, een zelf (ātman) gaan beschouwen.

Onze mentale activiteit veroorzaakt denk- en wilshandelingen (de karmische vormingen, samskāra) en allerlei emoties: begeerte/ gehechtheid, aversie/afkeer, woede, agressie, jaloezie, passies, obsessies… We vinden ze terug in de Drie Vergiften (kleśa’s, Jap. bonnō).

Ook emoties die niet meteen pijn veroorzaken, zoals liefde, affectie, enz. kunnen een vredige geest verstoren, ons inzicht belemmeren en de werkzaamheid van de (ingeboren) wijsheid hinderen… als we niet meester zijn van onze emoties.

Waarom veroorzaken emoties lijden?

Een vraag die zich opdringt is: Waarom veroorzaken emoties lijden?

Het antwoord op deze vraag ligt voor de hand wanneer we de geaardheid van onze emoties onderzoeken in het licht van de hoger vermelde Drie Kenmerken.

Alle emoties zijn

· relatief (afhankelijk van onze eigen geest, uit loutere geest opgebouwd), zij hebben geen absolute waarheid;

· een product van onze concepten en ervaringen, die verwachtingen, hoop, angst, onzekerheid en ontgoochelingen met zich meebrengen en daarom door lijden getekend zijn;

· dualistisch: een voorstelling van een subject/object-denken (ik en het andere, zichzelf aan de ene kant en de ervaring van het andere aan de andere kant stellen).

Daarom wordt gezegd: Een dualistische onverlichte geest is een geest die zich vergist, die de werkelijke natuur van de dingen niet doorziet.

Een boeddhistische benadering van het emotionele lijden

Emoties zijn soms moeilijk te (h)erkennen en het is niet altijd makkelijk ze te overwinnen. Daarom is het ‘loslaten’ van het ik-denken en berekeningen (Jap. hakarai), het tot rust brengen van de geest en met gelijkmoedigheid de Middenweg tussen alle uitersten (onverschilligheid/extreme emoties) bewandelen voor een boeddhist zo belangrijk.

Om de bevrijding uit het emotionele lijden te verwezenlijken zal een

boeddhist trachten                                                                        

· inzicht te verwerven in de Leer van de Boeddha (Buddha dharma);

· het lijden van medewezens niet met onverschilligheid maar ook niet met extreme emoties te benaderen;

· met het Gemoed van Vertrouwen zich over te geven aan het Grote Onbeperkte Mededogen, de Andere-Kracht, waardoor de kringloop van geboorte-en-dood overstegen is (Sutta-Nipata 1146) om in de volheid van de Volmaakte Verlichting als Boeddha deel te nemen aan de dynamiek van het Boeddhaschap en als Ander-Kracht de wezens te voeren naar hun natuurlijke toestand die het Boeddhaschap is.     

Een goede definitie van een volgeling van de Boeddha is daarom:

Een boeddhist is beheerst, gelijkmoedig, verdraagzaam, heeft aandacht voor de medemens, alle medewezens en de dingen rondom hem, past zich aan aan de mensen en de omstandigheden, geeft niet ongeremd toe aan wanhoop of verdriet om wat verkeerd loopt; hij laat zich niet gaan in zijn begeerten en gehechtheden; tracht inzicht te verwerven door zich te bevrijden van de onwetendheid en heeft een diep besef van het relatieve van alle geluk/ongeluk, van vergankelijkheid en niet-zelf in alles wat bestaat, inclusief zichzelf.

Hij streeft daarom, door het bewandelen van de Middenweg, naar datgene wat onveranderlijk is, naar inzicht in de Ware Werkelijkheid, naar de bevrijding, d.i. de opheffing van het lijden, om in de volheid van de Volmaakte Verlichting deel te nemen aan de dynamiek van het Boeddhaschap en als Ander-Kracht de wezens te voeren naar hun natuurlijke toestand die het Boeddhaschap is.

Ekō 87

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home